Hoge Raad, 10-06-2011, BP9867, 09/02570
Hoge Raad, 10-06-2011, BP9867, 09/02570
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 10 juni 2011
- Datum publicatie
- 10 juni 2011
- Annotator
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2011:BP9867
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP9867
- Zaaknummer
- 09/02570
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Overgangsrecht. Wettelijke rente. Op de na 1 januari 1992 voortgezette schadelijke gevolgen van een onrechtmatige daad, is ex art. 173 BW het oude recht van toepassing. De buitengerechtelijke kosten betreffen schade die voortspruit uit dezelfde gebeurtenis als de eerdere door de benadeelde geleden schade. Op die buitengerechtelijke kosten en de daarover verschuldigde wettelijke rente is het oude recht van toepassing. Dat de buitengerechtelijke kosten eerst na de inwerkingtreding van het huidige recht zijn gemaakt, doet hieraan niet af (vgl. HR 24 oktober 1997, NJ 1998/490).
Uitspraak
10 juni 2011
Eerste Kamer
09/02570
DV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats], België,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 43811/HA ZA 98-1472 van de rechtbank Maastricht van 13 april 2000, 29 maart 2001, 7 januari 2004, 13 juli 2005 en 25 oktober 2006;
b. de arresten in de zaak HD 103.004.370 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 10 april 2007 (tussenarrest) en 24 maart 2009 (eindarrest).
Het eindarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het eindarrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden eindarrest en tot afdoening zoals in de conclusie vermeld.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Op 23 november 1991 is de auto waarin [verweerster] als passagier was gezeten, van achteren aangereden door een auto die werd bestuurd door [eiser].
(ii) De aansprakelijkheidsverzekeraar van [eiser] heeft de aansprakelijkheid ten gevolge van de aanrijding erkend.
3.2 [Verweerster] heeft bij exploot van 26 augustus 1998 de veroordeling gevorderd van [eiser] tot vergoeding van de door haar als gevolg van het ongeval geleden schade, waaronder inkomensschade, alsmede van de door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank heeft de vordering grotendeels toegewezen; zij heeft echter de vordering ter zake van de buitengerechtelijke kosten afgewezen.
[Eiser] heeft hoger beroep ingesteld en [verweerster] heeft incidenteel geappelleerd. In cassatie is slechts van belang het incidenteel hoger beroep tegen de afwijzing van de vordering ter zake van de buitengerechtelijke kosten. Het hof heeft deze kosten alsnog toegewezen tot een bedrag van € 11.595,08 (ƒ 25.552,20), te vermeerderen met de wettelijke rente "ex artikel 6:119 BW" vanaf 2 februari 1992.
3.3 Onderdeel 1 van het middel, dat met het hof ervan uitgaat dat de wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten verschuldigd is met ingang van 2 februari 1992, komt op tegen het oordeel van het hof dat die rente verschuldigd is "ex artikel 6:119 BW".
Uit art. 173 Overgangswet Nieuw BW volgt dat wanneer sprake is van een onrechtmatige daad waarvan de schadelijke gevolgen zich na 1 januari 1992 hebben voortgezet, het oude recht op deze later ingetreden schade(lijke gevolgen) van toepassing blijft. Bij de gevorderde buitengerechtelijke kosten gaat het om schade die voortspruit uit dezelfde gebeurtenis als eerdere door de benadeelde geleden schade zoals de door [verweerster] geleden inkomensschade. Nu op deze laatstbedoelde schade het oude recht van toepassing is, geldt dit ook voor de buitengerechtelijke kosten en de daarover verschuldigde wettelijke rente. Het feit dat de buitengerechtelijke kosten volgens de vaststelling van het hof pas zijn gemaakt vanaf 2 februari 1992 en derhalve na inwerkingtreding van het huidige recht, brengt niet mee dat op deze kosten en de daarover verschuldigde wettelijke rente het huidige recht van toepassing is (vgl. HR 24 oktober 1997, LJN ZC2465, NJ 1998/490).
Het oordeel van het hof geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zodat de klacht slaagt. Het eindarrest van het hof kan niet in stand blijven voor zover daarin is bepaald dat de wettelijke rente verschuldigd is "ex artikel 6:119 BW".
3.4 Onderdeel 2 van het middel behoeft geen behandeling nu dit is voorgesteld voor het, zich niet voordoende, geval dat het hof heeft geoordeeld dat de wettelijke rente voor alle schadeposten wordt beheerst door het huidige recht.
3.5 De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door het eindarrest in zoverre te vernietigen en te bepalen dat de wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten moet worden berekend naar het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van art. 6:119 BW, zulks met ingang van 2 februari 1992.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 24 maart 2009 voor zover [eiser] is veroordeeld om wegens buitengerechtelijke kosten aan [verweerster] te betalen een bedrag van € 11.595,08 (ƒ 25.552,20), te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf 2 februari 1992;
en in zoverre opnieuw rechtdoende, veroordeelt [eiser] om ter vergoeding van buitengerechtelijke kosten aan [verweerster] te betalen een bedrag van € 11.595,08, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend naar het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van art. 6:119 BW, zulks met ingang van 2 februari 1992;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is vastgesteld op 19 mei 2011 en gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 10 juni 2011.