Hoge Raad, 20-12-2016, ECLI:NL:HR:2016:2928, 16/02840
Hoge Raad, 20-12-2016, ECLI:NL:HR:2016:2928, 16/02840
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 20 december 2016
- Datum publicatie
- 21 december 2016
- Annotator
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2016:2928
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1295, Gevolgd
- In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2016:366, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- Zaaknummer
- 16/02840
Inhoudsindicatie
Art. 273f.1 aanhef en onder 3 Sr. Mensenhandel. Uitbuiting. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2016:857. Slagende bewijsklacht nu uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat sprake is van “uitbuiting”.
Uitspraak
20 december 2016
Strafkamer
nr. S 16/02840
NA/AGE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 februari 2016, nummer 20/000131-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2 Beoordeling van het middel
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij meermalen in de periode van 1 november 2014 tot en met 6 november 2014 in Nederland een ander, te weten [betrokkene 1] , telkens heeft medegenomen met het oogmerk die [betrokkene 1] in een ander land (Duitsland) ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling."
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 7 november 2014, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] , zakelijk weergegeven:
Ik ben ongeveer 1 week geleden vanuit Roemenië naar Nederland gekomen om mijn vriendin te ontmoeten, (p. 37)
Mijn vriendin heet [betrokkene 1] . (p. 39)
Zij is met het vliegtuig gekomen. Ze is in België geland, volgens mij in (het hof begrijpt:) Charleroi, (p. 42)
Ik heb haar opgehaald. Daarna zijn we naar Nederland gegaan. Ik weet dat ze als prostituee werkt aan de [a-straat] te Aken. Ik heb haar naar Aken gebracht, zodat ze in Aken kon gaan werken in de prostitutie.
(p. 43)
Ongeveer twee à drie keer heb ik haar gehaald en gebracht. (p. 44)
2. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 6 november 2014, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:
[verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) heeft mij een vriendschapsverzoek gestuurd via facebook toen ik nog in Roemenië woonde. We spraken af bij mij in het dorp in Roemenië. Ik ben met het vliegtuig gereisd. Op 2 november 2014 ben ik geland in Charleroi. Ik ben opgehaald door [verdachte] . (p. 127)
We konden verblijven in Vaals. Sinds ik in Nederland ben heb ik als prostituee gewerkt; van 3 november tot vandaag 12.00 uur. Ik heb gewerkt aan de [a-straat] in Aken. Ik verrichtte daar seksuele handelingen voor geld. Per klant kreeg ik ongeveer 30 euro per 20 minuten. Mijn vriend, [verdachte] , bracht mij naar Aken om te werken. Ik werkte van 10.00 uur 's morgens tot 23.00 uur 's avonds. (p. 128)."
Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:
"Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte begin 2014 met [betrokkene 1] contact heeft gezocht en dat hij haar in Roemenië heeft ontmoet. Een week voor zijn verhoor op 7 november 2014 is verdachte vanuit Roemenië met de auto naar Nederland gereisd. Hij heeft [betrokkene 1] op 2 november 2014 in Charleroi (België) met de auto van het vliegveld opgehaald en is toen samen met haar naar Vaals (Nederland) gegaan, waar zij verbleven. Vanaf 3 november 2014, aldus daags na haar aankomst in Nederland, werkte [betrokkene 1] in de prostitutie in Aken (Duitsland). Zij werkte vanaf 10:00 uur in de ochtend tot 23:00 uur in de avond en maakte dus werkdagen van 13 uur. Verdachte wist dat [betrokkene 1] als prostituee werkzaam was in Aken en hij heeft haar meerdere keren vanuit Vaals naar Aken gebracht en haar daar ook weer opgehaald, zodat zij in de prostitutie kon gaan werken.
Het hof is van oordeel dat met het door verdachte in de auto vervoeren van [betrokkene 1] (ophalen en wegbrengen) sprake is van 'medenemen' in de zin van het onderhavige wetsartikel. Voorts blijkt uit de inhoud van de voornoemde bewijsmiddelen naar 's hofs oordeel dat verdachte het oogmerk heeft gehad om [betrokkene 1] in een ander land dan waar zij is meegenomen, te weten in Duitsland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. De verdachte heeft met het vervoeren van [betrokkene 1] faciliterende activiteiten verricht waardoor hij [betrokkene 1] telkens feitelijk de gelegenheid heeft geboden om in Aken - wetende dat zij aldaar werkzaam was in de prostitutie - betaalde seksuele handelingen te kunnen verrichten.
Het hof acht mitsdien wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [betrokkene 1] - na haar te hebben opgehaald van het vliegveld in België - meermalen vanuit Nederland heeft medegenomen telkens met het oogmerk haar in Duitsland ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, zoals bedoeld in artikel 273f eerste lid aanhef en onder 3° Sr."
Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "mensenhandel, meermalen gepleegd".
Art. 273f, eerste lid onder 3°, Sr luidt:
"1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:
(...)
3°. degene die een ander aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling."
In zijn arrest van 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:857, NJ 2016/314 heeft de Hoge Raad overwogen dat de in art. 273f, eerste lid aanhef en onder 3°, Sr omschreven gedragingen eerst dan als 'mensenhandel' kunnen worden bestraft indien uit de bewijsvoering volgt dat voldaan is aan de voorwaarde dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld omdat 'uitbuiting' moet worden aangemerkt als een impliciet bestanddeel van art. 273f, eerste lid aanhef en onder 3º, Sr.
Uit de bewijsvoering van het Hof volgt echter niet dat bij de bewezenverklaarde gedragingen sprake was van uitbuiting.
Het middel slaagt.
3 Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.