Home

Parket bij de Hoge Raad, 25-06-1993, ECLI:NL:PHR:1993:50, 15.050

Parket bij de Hoge Raad, 25-06-1993, ECLI:NL:PHR:1993:50, 15.050

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25 juni 1993
Datum publicatie
24 maart 2025
Annotator
ECLI
ECLI:NL:PHR:1993:50
Zaaknummer
15.050

Inhoudsindicatie

-

Conclusie

Rolnummer 15 050

Zitting 25 juni 1993

Mr. De Vries Lentsch - Kostense

Conclusie inzake

Winterthur Schweizerische Versicherungsgesellschaft

tegen

[verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

Feiten en procesverloop

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

(Ik verwijs in dit verband naar rechtsoverweging 2 van het vonnis van de Rechtbank, de memorie van grieven onder 2 en 3, en de memorie van antwoord onder 5 en 6. )

Op 15 augustus 1980 heeft op de zuidelijke rijbaan van de Rijksweg 20 te Rotterdam een aanrijding plaatsgevonden tussen:

- een Daf-vrachtauto (trekker met oplegger) bestuurd door [betrokkene 1] en tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Winterthur, thans eiseres tot cassatie;

- een personenauto 2CV Citroën in eigendom toebehorend en bestuurd door [verweerder], verweerder in cassatie, en verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid bij OVVM (de Onderlinge Verzekeringsmaatschappij van de Groninger Maatschappij van Landbouw en Veenkoloniale Boerenbond U.A. ) ;

- een personenauto Peugeot bestuurd door. [betrokkene 2].

De hoofdrijbaan bestaat ter plaatse uit drie rijstroken, met rechts daarnaast een vierde rijstrook die zowel in- als uitvoegstrook is. [verweerder] reed op die in- en uitvoegstrook. [betrokkene 1] reed op de meest rechtse rijstrook van de hoofdrijbaan en [betrokkene 2] reed op de middelste rijstrook. De door [verweerder] bestuurde 2CV en de door [betrokkene 1] bestuurde vrachtauto kwamen met elkaar in aanraking, waarna de 2CV naar links is geschoten, voor de vrachtauto langs, en in botsing kwam met de door [betrokkene 2] bestuurde Peugeot. De Peugeot is ten gevolge van de botsing over de kop geslagen en [betrokkene 2] is ernstig gewond geraakt. Partijen verschillen van mening over de vraag of de aanrijding plaats vond - kort gezegd - "doordat de 2 CV naar links invoegde dan wel doordat de Daf plotseling naar rechts uitvoegde".

Vast staat dat [betrokkene 2] geen schuld had aan de aanrijding. Winterthur heeft aan [betrokkene 2] als zogenaamde schuldloze derde een schadevergoeding van f 88.000,- uitbetaald tegen cessie van alle rechten die [betrokkene 2] tegenover derden kan geldend maken. OVVM heeft op haar beurt aan Winterthur de helft van het door deze aan [betrokkene 2] uitgekeerde bedrag vergoed. Noch OVVM noch Winterthur hebben aansprakelijkheid van hun verzekerde erkend.

2. Bij dagvaarding van 1 augustus 1985 heeft Winterthur gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van f 44.000,-, zijnde de (niet door OVVM vergoede) helft van het door haar aan [betrokkene 2] - tegen cessie van alle rechten - betaalde bedrag. Winterthur heeft daartoe aangevoerd dat [verweerder] schuld heeft aan de aanrijding. [verweerder] heeft zulks gemotiveerd betwist. Nadat de Rechtbank de zaak had gevoegd met de eveneens bij de Rechtbank aanhangige zaak van OVVM (de WA- verzekeraar van [verweerder]) tegen [betrokkene 1], heeft zij bij vonnis van 2 september 1988 Winterthur toegelaten de door haar gestelde toedracht van de aanrijding te bewijzen. (Bij dat vonnis werd OVVM niet ontvankelijk verklaard in haar vordering; OVVM heeft geen appel ingesteld. )

Winterthur heeft tegen het vonnis van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft dat vonnis bekrachtigd.

Winterthur heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben de zaak van een schriftelijke toelichting voorzien.

Het bestreden arrest

3. De tegen het vonnis van de Rechtbank gerichte grief betoogt primair dat de door Winterthur gestelde ongevalstoedracht ook zonder verdere bewijsvoering reeds vaststaat; subsidiair wordt betoogd dat niet Winterthur maar [verweerder] met het bewijs moet worden belast, en wel a. omdat er zwaarwegende aanwijzingen zijn dat [verweerder] schuldig is aan het ongeval; b. omdat Winterthur optreedt als cessionaris van de schuldloze [betrokkene 2]; en c. omdat [verweerder] verzuimd heeft aan [betrokkene 1] voorrang te verlenen.

Het Hof verwierp zowel het primaire als het subsidiaire betoog. Dit college overwoog daartoe dat de objectieve feiten geen aanleiding geven om reeds dadelijk [verweerder] aan te merken als mede-schuldig aan het ongeval. Voorts werd in het kader van de verwerping van de subsidiaire grief overwogen dat er voorshands belangrijke indicaties zijn dat alleen [betrokkene 1] schuldig is aan het ongeval, dat voorshands niet aannemelijk is gemaakt dat de onschuldige [betrokkene 2] een vordering ex art. 1401 BW tegen [verweerder] geldend kon maken, zodat dit ook geldt voor Winterthur als cessionaris van die beweerde vordering, en dat het feitencomplex onvoldoende grondslag biedt om aan te nemen dat [verweerder] heeft verzuimd [betrokkene 1] voorrang te verlenen, doch integendeel doet vermoeden dat [betrokkene 1] zonder enige rechtvaardiging tegen de 2CV van [verweerder] is aangereden ondanks normaal invoeg-gedrag van die 2 CV.

Het cassatiemiddel

4. Het cassatiemiddel komt op tegen 's Hofs beslissing tot bekrachtiging van de uitspraak van de Rechtbank dat Winterthur moet worden belast met het bewijs van de door haar gestelde toedracht van het ongeval. (Dat het tweede middelonderdeel met name is gericht tegen 's Hofs overweging dat voorshands niet aannemelijk is gemaakt dat de onschuldige [betrokkene 2] een vordering ex art. 1401 geldend kon maken jegens [verweerder]" doet daaraan niet af.)

In zijn schriftelijke toelichting heeft [verweerder] een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Daarmee is de vraag opgeworpen of eiseres tot cassatie voortijdig cassatieberoep tegen het interlocutoire arrest van het Hof heeft ingesteld omdat zij - in de terminologie van art. 399 Rv. - haar bezwaren tegen dat arrest nog had kunnen herstellen bij dezelfde rechter bij wie de zaak heeft gediend. Van een zodanige "mogelijkheid van herstel" is alleen sprake bij beslissingen die "niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud" zijn gegeven; de rechter die het interlocutoir wees is aan dergelijke beslissingen immers niet gebonden. De vraag of sprake is van een zodanige beslissing is een vraag van interpretatie. (Zie hierover Veegens/Korthals Altes Groen, 1989, nr. 62, alsmede de losbladige editie Burgerlijke Rechtsvordering, Jansen, art. 46, aant. 5 en 6 en Wedeven, art. 337, aant. 3 en 4, met verder verwijzingen naar rechtspraak en literatuur. )

Naar mijn mening kan 's Hofs beslissing dat Winterthur met het bewijs van de ongevalstoedracht moet worden belast, welk oordeel - zoals hierna zal blijken - is gebaseerd op de hoofdregel van art. 177 Rv., niet worden beschouwd als een beslissing welke is bedoeld als een beslissing onder voorbehoud, waarop later zou kunnen worden teruggekomen. Tegen die beslissing richt zich het cassatieberoep; dat beroep is mijns inziens dan ook ontvankelijk. Dat het Hof meermalen de term "voorshands" bezigt doet aan dit alles naar mijn oordeel niet af. Het Hof gebruikt deze term naar het mij voorkomt niet om zijn beslissing omtrent de verdeling van de bewijslast af te zwakken, doch slechts om "uitdrukkelijk en zonder voorbehoud" aan te geven dat tenzij dat bewijs door Winterthur alsnog wordt geleverd het er voor moet worden gehouden dat de door Winterthur aan haar vordering ten grondslag gelegde feiten onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt.

5. Het tweede middelonderdeel (het eerste bevat geen klacht) betoogt dat 's Hofs beslissing blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende is gemotiveerd. Daartoe wordt betoogd dat in een geval als het onderhavige, waarin [verweerder] met [betrokkene 2] in aanrijding is gekomen omdat [verweerder] de macht over zijn stuur had verloren en uit de koers was geraakt, de gelaedeerde ([betrokkene 2] c.q. Winterthur) ter schraging van zijn vordering tot schadevergoeding kan volstaan met het stellen van die feiten. Indien de aldus aangesprokene ([verweerder]) zich dan verweert met de stelling dat hij geen schuld had aan het ongeval omdat hij door een buiten zijn macht staande oorzaak de macht over zijn stuur had verloren en dientengevolge plotseling uit de koers geraakte, dan dient, aldus dit middelonderdeel, "de aangesprokene/gedaagde, die omstandigheid, die immers de basis vormt voor zijn verweer, te bewijzen en rust de bewijslast in dat opzicht niet op de eisende partij."

Voorts wordt betoogd dat het Hof zijn arrest nader met redenen had moeten omkleden indien het desondanks van oordeel was dat hier omkering van de bedoelde uit de wet voortvloeiende bewijslast op zijn plaats was.

6. Dit betoog faalt.

Het enkele feit dat een automobilist de macht over zijn stuur verliest en daardoor een aanrijding met een andere auto veroorzaakt, maakt die automobilist niet aansprakelijk uit art. 1401 (oud) BW. Aan de automobilist moet onzorgvuldig handelen verweten kunnen worden. Nu zal het feit dat de macht over het stuur is verloren veelal onzorgvuldigheid impliceren; noodzakelijk is dat echter niet. In casu heeft Winterthur aangevoerd dat [verweerder] aansprakelijk gesteld kan worden omdat hij de macht over het stuur verloor doordat hij in strijd met de ter plaatse geldende voorrangsregels getracht heeft, voor de ter plaatse rijdende Daf-combinatie langs, op de hoofdrijbaan in te voegen en daarbij in aanraking is gekomen met die Daf- combinatie. Op die feiten heeft zij haar vordering dan ook gegrond. [verweerder] heeft die feiten echter uitdrukkelijk betwist en gesteld dat hij de macht over het stuur verloor doordat de door [betrokkene 1] bestuurde Daf-combinatie zonder enige rechtvaardiging tegen de door hem bestuurde 2 CV is aangereden; hij stelt dat hem geen onjuist invoeggedrag kan worden verweten.

Het Hof heeft gemotiveerd overwogen dat Winterthur de feitelijke grond waarop zij haar vordering baseert, niet aanstonds afdoende heeft bewezen. Die overweging acht ik niet onbegrijpelijk; in de schriftelijke toelichting op het middel wordt betoogd dat het middel zich niet tegen die overweging richt. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat Winterthur met het bewijs van de door haar gestelde toedracht, het feitencomplex waarop zij haar vordering grondt, moest worden belast. Daarmee geeft het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ingevolge de hoofdregel van art. 177 Rv. is immers de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten, belast met het bewijs van die feiten; uit deze regel kan niet worden afgeleid dat de wederpartij de feiten moet bewijzen die zij stelt ter motivering van haar betwisting van de eerder bedoelde feiten. [verweerder] kan dan ook slechts met het bewijs van de door hem gestelde toedracht worden belast op de feitelijke grond dat Winterthur haar stellingen, behoudens tegenbewijs, reeds afdoende heeft bewezen, dan wel op een van de gronden, vermeld in de slotzinsnede van art. 177 Rv. Ik verwijs hier naar het arrest van Uw Raad van 23 oktober 1992, NJ 1992, 813. Door het Hof is expliciet overwogen dat eerstbedoelde grond zich hier niet voordoet; in 's Hofs overwegingen ligt besloten dat ook de gronden, genoemd in de slotzinsnede van art. 177 Rv., hier niet in aanmerking komen.

Uit het voorgaande moge volgen dat de in het slot van het tweede middelonderdeel vervatte veronderstelling dat het Hof de bewijslast heeft omgekeerd, niet juist is. De op die veronderstelling gebaseerde klacht mist derhalve feitelijke grondslag.

7. Het derde middelonderdeel betoogt dat 's Hofs arrest onvoldoende is gemotiveerd omdat het Hof de stelling van Winterthur dat [verweerder] ook tegenover [betrokkene 2] voorrangsplichtig was, onbesproken laat. In dat verband klaagt dit middelonderdeel er voorts over dat het Hof in rechtsoverweging 4 sub c de stellingen van Winterthur onvolledig weergeeft.

Juist is dat Winterthur heeft aangevoerd dat [verweerder] zowel jegens [betrokkene 1] als jegens [betrokkene 2] voorrangsplichtig was. (Zie de memorie van grieven onder 12.) Naar het mij voorkomt behoefde het Hof echter niet expliciet op dat betoog in te gaan nu Winterthur [verweerder] heeft verweten dat hij de voorrangsregels tegenover [betrokkene 1] niet in acht heeft genomen en dat hij juist daardoor de macht over het stuur heeft verloren en met [betrokkene 2] in botsing is gekomen. Dat het Hof dat betoog niet heeft opgevat als een betoog dat ertoe strekte [verweerder] te verwijten dat hij heeft verzuimd een voorrangsregel jegens [betrokkene 2] in acht te nemen en dat zijn handelen daarom als onzorgvuldig moet worden aangemerkt, lijkt mij geenszins onbegrijpelijk.

Overigens merk ik hier op dat ook voor het aan [verweerder] gemaakte verwijt dat hij de voorrangsregels jegens [betrokkene 2] niet in acht heeft genomen, geldt hetgeen hiervoor onder 6 is opgemerkt.

8. Het derde middelonderdeel komt op tegen rechtsoverweging 6 van het bestreden arrest. Betoogd wordt dat het Hof met de overweging dat voorshands [betrokkene 1] c.q. Winterthur, behoudens te leveren tegenbewijs, moet gelden als degene die alleen en uitsluitend de verantwoording draagt voor de gevolgen van het ongeval, miskent dat 's Hofs overwegingen alleen betrekking kunnen hebben op de vordering van Winterthur tegen [verweerder] en niet op de verantwoording voor de - alle - gevolgen van het ongeval, welke onderwerp kunnen vormen van een of meer processen waarin de verdeling van de bewijslast geheel anders kan liggen. Dit betoog veronderstelt dat het Hof een beslissing zou hebben gegeven die naar 's Hofs oordeel ook zou moeten gelden in andere procedures dan de onderhavige en die met name [betrokkene 1] zou binden. Die veronderstelling kan niet als juist worden aanvaard. Daarop stuit dit middelonderdeel af. Overigens meen ik dat de door Winterthur bedoelde overweging 's Hofs beslissing tot bekrachtiging van het vonnis van de Rechtbank niet draagt nu de primaire en de subsidiaire grief reeds werden verworpen in de aan deze overweging voorafgaande passages en die verwerping er reeds toe leidt dat het Rechtbankvonnis in stand moet blijven.

Conclusie

Het middel ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden C.L.de Vriestentsla Kostense