Home

Parket bij de Hoge Raad, 08-01-2002, AD6248 AF9974, 03852/00

Parket bij de Hoge Raad, 08-01-2002, AD6248 AF9974, 03852/00

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
8 januari 2002
Datum publicatie
13 maart 2002
Annotator
ECLI
ECLI:NL:PHR:2002:AD6248
Formele relaties
Zaaknummer
03852/00
Relevante informatie
Opiumwet [Tekst geldig vanaf 16-04-2024] art. 3, Wetboek van Strafrecht [Tekst geldig vanaf 01-01-2024 tot 01-07-2024] art. 55

Inhoudsindicatie

-

Conclusie

Nr. 03852/00

Mr. Machielse

Zitting 13 november 2001

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Arnhem heeft de verdachte bij arrest van 10 april 2000 ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid ten algemenen nutte in plaats van zes maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een geldboete van fl. 25.000,--, subsidiair 120 dagen hechtenis.

2. Namens verzoeker heeft mr. C. Waling, advocaat te Den Haag, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De termijn voor inzending van de stukken door het hof - die door de Hoge Raad vooralsnog is gesteld op acht maanden - zou zijn overschreden.

4. Blijkens de cassatieakte is het beroep in cassatie op 19 april 2000 ingesteld. Uit een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel blijkt dat de stukken op 7 december 2000 ter griffie van de Hoge Raad zijn ingekomen.

5. Hieruit volgt dat tussen de datum waarop het beroep in cassatie is ingesteld en de ontvangst van de stukken door de Hoge Raad nog geen 8 maanden zijn verstreken. Van overschrijding van de redelijke termijn door te late inzending is dan ook geen sprake (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 m.nt. JdH). Voor zover het middel steunt op de opvatting dat voor de beoordeling van de in cassatie op zijn redelijkheid te beoordelen termijn zelfstandige betekenis toekomt niet alleen aan het tijdsverloop tussen het instellen van het beroep en de binnenkomst van de stukken bij de Hoge Raad maar tevens aan dat tussen het instellen van het beroep en de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv en de daaraan gekoppelde uiterste datum voor inzending van een schriftuur, vindt het geen steun in het recht.(1) Naar verwachting zal de Hoge Raad ruim binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep arrest wijzen. Het middel dat kennelijk uitgaat van een foutieve berekening van de inzendingsperiode respectievelijk van een verkeerde opvatting kan niet tot cassatie leiden.

6. Het eerste middel is tevergeefs voorgesteld en kan worden afgedaan met de aan art. 101a RO ontleende motivering.

7. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof de strafoplegging niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed aangezien het hof de hoogte van de opgelegde geldboete nader had moeten motiveren gelet op hetgeen de verdachte ten aanzien van zijn inkomsten heeft verklaard.

8. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt als verklaring van de verdachte - voor zover hier van belang - ondermeer in:

"Voor wat mijn persoonlijke omstandigheden betreft kan ik het volgende verklaren. () Ik verdien ongeveer f 2190,- per maand en ik krijg per maand een tegemoetkoming van f 228,-. Ik woon samen met mijn vrouw en we hebben een zoon van elf maanden. () In het reclasseringsrapport staat vermeld dat ik met zo'n f. 600,- per maand mijn schuld aflos. Inmiddels is er sprake van een schuldsanering."

Verdachtes raadsvrouwe heeft blijkens de aan voornoemd proces-verbaal gehechte pleitnotitie eveneens aangevoerd dat de verdachte samenwoont met zijn vrouw en hun 1-jarig kind en dat hun gezamenlijke maandelijkse inkomen f 2.170,63 plus f 228,-- bedraagt. De verdachte heeft ter zitting voorts aangevoerd dat hij het niet eens is met de in eerste aanleg opgelegde geldboete van f. 25.000,-

9. Het hof heeft de verdachte de straf opgelegd als hiervoor onder 1. vermeld. De oplegging van de geldboete heeft het hof gemotiveerd als volgt:

"Het hof heeft bij het opleggen van de straf tevens rekening gehouden met de draagkracht van verdachte".

10. De steller van het middel betoogt dat het nadere verklaring behoeft waarom het hof ondanks de ter zitting aangevoerde persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft gemeend hem toch een geldboete van fl. 25.000,- te moeten opleggen.

11. De bovenweergegeven verklaring van de verdachte, afgelegd ter zitting in hoger beroep, en het dienaangaande door de raadsman aldaar aangevoerde, kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een draagkrachtverweer onder meer inhoudende dat verdachte niet beschikt over vermogen of meer inkomsten dan opgegeven, en derhalve een geldboete als thans opgelegd niet kan betalen. Het hof heeft geen toepassing gegeven aan art. 24a Sr.

12. Mogelijk heeft het hof bij de bepaling van de draagkracht van verdachte het oog gehad op verdachtes vermogenspositie in verband met eventueel door het bewezenverklaarde feit ontstane opbrengsten. Het hof heeft daaromtrent evenwel niets overwogen. Dat had het - in het licht van het ter zitting gevoerde draagkrachtverweer - wel behoren te doen(2).

13. 's Hofs kennelijke oordeel dat de verdachte in staat moet worden geacht om de opgelegde geldboete van fl. 25.000,- te voldoen, acht ik - gelet op het ter zitting door en namens verdachte aangevoerde én mede in aanmerking genomen dat de officier van justitie blijkens het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg tevens een ontnemingsvordering heeft aangekondigd - zonder nadere motivering, welke hier ontbreekt, dan ook niet begrijpelijk.(3)

14. Het tweede middel is dus terecht voorgesteld.

15. Ik wijs voorts nog op een gebrek ik de kwalifikatie van het bewezenverklaarde. Het Gerechtshof heeft aangegeven eendaadse samenloop aanwezig te achten. Die opmerking slaat hoogst waarschijnlijk op het feit dat niet enkel het opzettelijk verrichten van handelingen, genoemd in art. 3 lid 1, aanhef en onder B Opiumwet is bewezen, maar ook het opzettelijk aanwezig hebben. Het hof had het bewezenverklaarde dubbel moeten kwalificeren en art. 55 Sr moeten aanhalen.(4) De Hoge Raad zal de uitspraak verbeterd kunnen lezen. Gronden waarop Uw Raad overigens de bestreden beslissing ambtshalve zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

16. Het tweede middel gegrond achtende concludeer ik tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, met verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, tot verbetering van de kwalifikatie en aanhaling van art. 55 Sr, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR NJ 2000, 677.

2 Vgl. HR 29 juni 1999, griffienummer 110.856E

3 Zie HR NJ 1987, 464; HR NJ 1999, 310.

4 Vgl. HR NJ 2001, 140.