Parket bij de Hoge Raad, 16-05-2006, AV2372, 01730/05 A
Parket bij de Hoge Raad, 16-05-2006, AV2372, 01730/05 A
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 16 mei 2006
- Datum publicatie
- 17 mei 2006
- Annotator
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2006:AV2372
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV2372
- Zaaknummer
- 01730/05 A
Inhoudsindicatie
Antilliaanse zaak. 1. Grondslagverlating. 2. Bewijs medeplegen invoer drugs. 3. Bewijs medeplegen voorhanden hebben vuurwapens. Ad 1. De in ‘s hofs vonnis opgenomen tenlastelegging stemt op bepaalde punten niet overeen met de tenlastelegging na de wijziging daarvan ter terechtzitting in eerste aanleg. Dat leidt niet tot cassatie. V.w.b. de afwijkingen (i) en (ii) valt, gelet op het verhandelde ter terechtzitting – waaruit niet kan volgen dat bij de verdediging enige onzekerheid heeft bestaan omtrent hetgeen aan verdachte werd verweten - en in aanmerking genomen hetgeen is bewezenverklaard, niet in te zien in welk in rechte te respecteren belang verdachte door die misslagen is geschaad. Ook t.a.v. misslag (iii) is niet aangevoerd in welk belang verdachte is getroffen. Aangezien hetgeen zowel in de oorspronkelijke als in de gewijzigde tenlastelegging op dit punt is gesteld niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, leest de HR de bewezenverklaring met weglating van hetgeen op dit punt in de tenlastelegging is vermeld. In die lezing worden aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet aangetast. Ad 2. ’s Hofs oordeel dat verdachte zo bewust en nauw met zijn medeverdachten heeft samengewerkt dat er sprake is van medeplegen - in welk oordeel besloten ligt dat verdachte op de hoogte was van het lossen van de verdovende middelen en zelf een rol speelde bij het verdere vervoer van de verdovende middelen - is onjuist noch onbegrijpelijk. Ad 3. In aanmerking genomen dat niet blijkt dat verdachte tot de bemanning van het schip X (aan boord waarvan de vuurwapens tussen de nog niet geloste verdovende middelen zijn aangetroffen) behoorde en ook overigens uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat t.a.v. hem wat betreft het voorhanden hebben van vuurwapens sprake was van een zo nauwe en bewuste samenwerking met anderen dat van medeplegen kan worden gesproken, is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Conclusie
Nr. 01730/05 A
Mr Machielse
Zitting 14 februari 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft verdachte op 15 maart 2005 voor 1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid onder A van de Opiumlandsverordening 1960, 2. Medeplegen van overtreding van het verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd, 3. Overtreding van het verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd, veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf.
2. Verdachte heeft cassatie ingesteld. Mrs I. van Straalen en J. Goudswaard, beiden advocaat te 's-Gravenhage, hebben een schriftuur ingezonden houdende negen middelen van cassatie.(1)
3.1. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten aanzien van de feiten 1 en 2 niet recht heeft gedaan op de grondslag van de tenlastelegging zoals die ter terechtzitting van het Gerecht in Eerste Aanleg op 25 augustus 2004 was gewijzigd. Het Hof heeft de oorspronkelijke tenlastelegging in zijn vonnis opgenomen en heeft deze ook als uitgangspunt genomen voor de bewezenverklaring.
De tenlastelegging van feit 1 had na de wijziging de volgende inhoud:
"1.
dat hij in of omstreeks de nacht van 19 oktober 2003 op 20 oktober 2003 op het eiland Curaçao en/of in de kustwateren van Curaçao (binnen de territoriale wateren van Curaçao en/of de Nederlandse Antillen), tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk heeft ingevoerd (daaronder mede begrepen "invoer" in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960), althans vervoerd, althans in zijn bezit en/of aanwezig heeft gehad, ongeveer 2345 kilogram, althans een hoeveelheid cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, en/of ongeveer 30 kilogram, althans een hoeveelheid heroïne (diacetylmorphine) en hare respectieve zouten, zijnde cocaïne en heroïne (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschiking van de Minister van Volksgezondheid van 22 mei 1987 (P.B. 1987 no. 50) zoals gewijgigd bij de Beschiking van de Minister van Volksgezondheid van 23 juli 1990 (P.B. 1990 no. 59),
hebbende hij, verdachte, toen aldaar tezamen en in vereniging met zijn mededaders, althans alleen, opzettelijk
- die partij verdovende middelen op zee aan boord van de boot "Lisa" genomen (vanaf een ander vaartuig of andere vaartuigen, afkomstig van Venezuala of Colombia) en/of
- met die boot "Lisa" in de richting van Piscadera Baai te Curaçao gevaren en/of die boot "Lisa" aangemeerd te Piscadera Baai en/of
- (een gedeelte van) die partij verdovende middelen aan land gebracht bij Piscadera Baai en/of
- (een gedeelte van) die partij verdovende middelen (vervolgens) vervoerd naar (een) in de omgeving van Piscadera Baai gereed staande auto('s) en/of
- op de uitkijk gestaan in de omgeving van Piscadera Baai (teneinde zijn mededaders te waarschuwen in geval van onraad en/of zijn mededaders en/of die partij verdovende middelen te beveiligen) en/of
- zich gereed gehouden in de omgeving van Piscadera Baai om die partij verdovende middelen in ontvangst te nemen en/of
- een of meer auto's geparkeerd in de omgeving van Piscadera Baai teneinde daarmee die partij verdovende middelen (verder) te vervoeren en/of
- telefonisch contact gezocht met de bemanning van het uit Venezuela of Colombia afkomstige vaartuig (gofast)"
2.
dat hij in of omstreeks de nacht van 19 oktober 2003 op 20 oktober 2003 op het eiland Curaçao en/of in de kustwateren van Curaçao (binnen de territoriale wateren van Curaçao en/of de Nederlandse Antillen), tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad (in een pak tussen een partij cocaïne)
- een pistool Glock 17 en
- een pistool Glock 26 en
- een pistool Taurus,
althans een of meer vuurwapens in de zin van de Vuurwapenverordening 1930;"
De onderdelen van de tenlastelegging die zijn toegevoegd heb ik cursief, vet en onderstreept aangegeven. De tekst die in de gewijzigde tenlastelegging ten aanzien van feit 1 volgt op het laatste gedachtenstreepje kwam in de plaats van de volgende woorden:
"-een of meer telefoongesprekken gevoerd met betrekking tot de invoer van die partij verdovende middelen"
3.2. Het Hof heeft inderdaad gedeeltelijk de oorspronkelijke tenlastelegging als uitgangspunt genomen. Vergelijking van de bewezenverklaring met de tekst van de oorspronkelijke, met die van de gewijzigde en die van de in het vonnis opgenomen tenlastelegging leert het volgende. De in het vonnis weergegeven tenlastelegging bevat wel de tweede en derde wijziging, maar niet de eerste en de laatste. De eerste drie wijzigingen, die op onderdelen subsidiaire mogelijkheden toevoegden, zijn buiten de bewezenverklaring gebleven, Alleen de vierde wijziging, die de complete tekst na het laatste gedachtestreepje in feit 1 verving en die dus geen subsidiaire mogelijkheid toevoegde, is onvermeld gebleven. Daar heeft het Hof bewezenverklaard de tekst zoals die oorspronkelijke luidde. Op dat onderdeel kan mijns inziens gesproken worden van een grondslagverlating. Maar dat hoeft naar mijn oordeel niet tot cassatie te leiden. Gezien tegen de achtergrond van het geheel van gedragingen die aan verdachte in de gewijzigde tenlastelegging worden verweten gaat het niet om een wezenlijk onderdeel van de tenlastelegging(2) en kan de bewezenverklaring ook worden gelezen met weglating van dit onderdeel, zonder dat de strafrechtelijke betekenis van de tenlastelegging geweld wordt aangedaan.
Het middel is dan vergeefs voorgesteld.
4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof op ontoereikende wijze het verweer dat verdachte onrechtmatig is aangehouden omdat er te zijnen aanzien nog geen redelijk vermoeden van schuld kon bestaan, heeft verworpen. De overwegingen van het hof vinden onvoldoende steun in de gebezigde bewijsmiddelen. Omdat de aanhouding van verdachte onrechtmatig was zijn ook voorwerpen op verdachte aangetroffen onrechtmatig inbeslaggenomen. Het aantreffen van deze voorwerpen op verdachte moet daarom voor de bewijsvoering ook buiten beschouwing blijven.
Het vonnis van het Hof bevat de volgende verwerping van het verweer:
"Aanhouding
De raadsman heeft betoogd dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig was met als gevolg dat het bij en als gevolg van die aanhouding verkregen bewijs als onrechtmatig verkregen heeft te gelden. Het betreffende bewijsmateriaal dient daarom in zijn visie van het bewijs te worden uitgesloten.
Blijkens het dossier is sprake geweest van de volgende gang van zaken. Op grond van verdenking van aanlanding van verdovende middelen is in de nacht van 19 op 20 oktober 2003 het schip de "Lisa" onder observatie genomen. De politie heeft waargenomen dat bij het uitladen van de "Lisa" zeker een tiental personen betrokken was. Daarop is door het arrestatieteam van de politie opgetreden. Waargenomen is toen dat diverse personen vluchtten. Zeer kort daarop verwijderde zich een Volkswagen Jetta van de plaats van het delict. Op dat moment kon, gegeven dat vluchtgedrag, iedere auto die zich direct na het begin van het arresterend optreden van de politie van de plaats van het delict verwijderde redelijkerwijs worden aangemerkt als een auto waarmee betrokkenen bij de aanlanding van de verdovende middelen probeerden te vluchten. Aldus bestond ook tegen de inzittenden van de auto waarin verdachte zich bevond een redelijk vermoeden van schuld aan invoer van verdovende middelen. De aanhouding was op die grond rechtmatig."
De stellers van het middel voeren hiertegen aan dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de Volkswagen Jetta zich van de plaats van het aanlanden van de drugs verwijderde kort nadat diverse personen de vlucht hadden genomen en nadat begon was met het aanhouden van verdachten. Overigens kan een verdenking volgens de stellers van het middel ook niet worden gebaseerd op het enkele feit dat een auto wegreed omdat de Piscaderabaai een druk bezocht uitgaanscentrum zou zijn waar wel meer auto's rijden.
4.2. Bewijsmiddel 19 houdt in dat de verdachte is aangehouden terwijl hij in de personenauto zat van het merk Volkswagen, type Jetta, kleur grijs, welke auto kwam aanrijden vanaf de plaats waar de boot met de verdovende middelen was aangeland. Achter de Jetta stond een auto van het arrestatieteam. Uit bewijsmiddel 3 is af te leiden dat de politie tussen 00.50 uur en 01.00 uur ertoe is overgegaan de verdachten aan te houden en dat om 01.00 uur ook verdachte in de Volkswagen Jetta is aangehouden. Niet uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat diverse personen de vlucht namen toen de politie optrad, en evenmin is het wettig bewijsmiddel aangeduid waaruit dat gegeven zou kunnen blijken. Maar voor de deugdelijkheid van de motivering van de weerlegging van het verweer lijkt mij dat niet onoverkomelijk. Wel duidelijk is immers dat verdachte zich verwijderde van de plaats waar de boot met drugs was aangeland en dat de auto van verdachte kennelijk door een auto van het arrestatieteam werd achterna gezeten. De overwegingen van het hof geven geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en zijn evenmin onbegrijpelijk.(3) Zij berusten op waarderingen van feitelijke aard en zijn daarom in cassatie slechts beperkt toetsbaar. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat blijkens bewijsmiddel 1 verschillende auto's en zeker een tiental personen betrokken leken te zijn bij het lossen van de lading van de boot en dat het arrestatieteam probeerde alle schijnbaar betrokkenen in te rekenen.
Het middel is tevergeefs voorgesteld.
5.1. Het derde middel klaagt over de bewezenverklaring. Het Hof heeft het medeplegen van de invoer van ongeveer 30 kilo heroïne bewezenverklaard terwijl dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen is af te leiden.
5.2. Bewijsmiddel 14 houdt in dat slechts 14,8 kilo heroïne is aangetroffen. Het Hof heeft dus ten onrechte een hoeveelheid van 30 kilo heroïne bewezenverklaard. Bij de enorme hoeveelheid cocaïne die in beslag is genomen is het verschil tussen 30 kilo en 14,8 kilo van mineure betekenis. De bewezenverklaring zou verbeterd gelezen kunnen worden in die zin dat in de plaats van "ongeveer 30 kilogram heroïne" wordt gelezen "een hoeveelheid heroïne". Verbeterde lezing zou de feitelijke grondslag aan het middel ontnemen, waardoor dit vruchteloos is voorgesteld.
6.1. Het vierde middel klaagt dat het bewijs van feit 1 en feit 2 ontoereikend is. Nergens blijkt van een bijdrage van verdachte die voldoende is om van medeplegen te kunnen spreken of anderszins van een voldoende betrokkenheid bij deze feiten. Het zevende middel herhaalt in wezen met betrekking tot feit 2 dezelfde klacht. Beide middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Het Hof heeft het volgende overwogen naar aanleiding van een gevoerd verweer:
"Medeplegen
De raadsman heeft het verweer gevoerd dat niet bewijsbaar is dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking alsmede van een gezamenlijke uitvoering van de tenlastegelegde feiten. Dat verweer vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. In essentie samengevat tonen deze het volgende aan. Verdachte was ten tijde van de aanlanding van de verdovende middelen en vuurwapens ter plaatse (Piscadera) aanwezig. De verdovende middelen en wapens waren aangeleverd door een "go fast". Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft, met hulp van diverse anderen, de verdovende middelen en wapens van de "go fast" overgenomen aan boord van zijn schip de "Lisa". Voor het vervoer vanaf de plaats van aanlanding stond, onder andere, een Honda Odyssee gereed. De sleutel daarvan is in het bezit van verdachte aangetroffen. Bij aanhouding bevond verdachte zich in het gezelschap van medeverdachte [medeverdachte 12]. Hij bleek toen bovendien een patroonhouder met scherpe patronen alsmede nog 10 losse patronen bij zich te hebben. Deze feiten in onderling verband bezien bewijzen dat verdachte nauw samenwerkte met medeverdachte [medeverdachte 12] en overige bij de aanlanding betrokken verdachten."
6.2. De relatie tussen verdachte en de aangetroffen drugs van feit 1 en de wapens van feit 2 is inderdaad heel mager. Bewijsmiddel 19 houdt in dat verdachte in een auto zat die zich verwijderde van de plaats waar de boot met de drugs en wapens was aangeland. Voorts blijkt uit bewijsmiddel 8 dat verdachte in het bezit was van de sleutel van een Honda Odyssee die is aangetroffen nabij het water van de Piscaderabaai in de nabijheid van de vissersboot en twee andere auto's, waarin grote hoeveelheden drugs en de drie wapens van feit 2 werden aangetroffen. De Honda Odyssee was volgens het bewijsmiddel zodanig gereedgemaakt dat daarin onmiddellijk goederen konden worden geladen en vervoerd. Eerlijk gezegd vind ik dit niet zo belastend. De bewijsmiddelen houden niets in omtrent de precieze plaats waar de Honda is gevonden en wat het bijzondere is als een Honda Odyssee gereed is voor het vervoer van goederen. In geen enkel bewijsmiddel wordt de verdachte in verband gebracht met afgeluisterde telefoongesprekken of met de boot of de auto's waarin de cocaïne en de wapens zijn aangetroffen. Evenmin blijkt van enige relatie met de door het Hof als medeverdachte aangeduide [medeverdachte 1]. Bewijsmiddel 2 vermeldt telefoongesprekken die zijn afgeluisterd tussen verschillende personen, de meesten van onduidelijke identiteit, zonder dat enig verband met verdachte wordt gelegd. Een nauwe relatie is alleen aan te nemen met verdachte [medeverdachte 12], met wie verdachte samen is aangehouden en die in het bezit bleek van een kwitantie voor de aankoop van de Honda Odyssee.
Beide middelen slagen.
7.1. Het vijfde middel heeft betrekking op de verwerping door het Hof van het verweer inzake het opzet met betrekking tot feit 2. Het vonnis houdt het volgende in:
"Voorwaardelijk opzet feit 2
Voor wat betreft het opzet met betrekking tot feit 2 geldt het volgende. Het Hof acht niet bewezen dat bij verdachte opzet aanwezig was in de zin van onvoorwaardelijk opzet nu de wapens in kwestie niet zichtbaar waren tussen de lading en niet blijkt dat verdachte wist dat deze aanwezig waren. Wel is sprake van voorwaardelijk opzet. In het algemeen geldt dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - hier: het voorhanden hebben van een drietal pistolen - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden. Het is een feit van algemene bekendheid dat de grootschalige handel in verdovende middelen gepaard gaat met de handel in wapens. Meer in het bijzonder geldt dat algemeen bekend is hier te lande dat met zogenaamde "go fasts" vanuit Venezuela en Colombia naast verdovende middelen tevens wapens worden overgevaren. Bij aanlanding van verdovende middelen, die via dergelijke "go fasts" zijn aangevoerd, bestaat daarom een naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk te achten kans dat zich tussen de verdovende middelen ook vuurwapens bevinden, zeker wanner het gaat om een zeer grote hoeveelheid zoals in casu. Het bestaan van die kans is aan te merken als een feit van algemene bekendheid op Curaçao. Op die grond geldt dat wetenschap daarvan bij verdachte aanwezig was. Uit niets blijkt voorts dat verdachte meende of mocht menen dat zich in weerwil van gemeld feit van algemene bekendheid geen wapens tussen de drugslading zouden bevinden. Zijn feitelijk handelen - aanwezigheid en hulp bij de ontscheping van een grote hoeveelheid verdovende middelen - duidt, tegen de achtergrond van gemeld feit van algemene bekendheid, onmiskenbaar op het op de koop toe nemen van de kans dat zich wapens tussen die verdovende middelen zouden bevinden. Het Hof acht voorwaardelijk opzet daarom bewezen."
7.2. In mijn bespreking van de middel zal ik ervan uitgaan dat de verdachte, zoals het Hof heeft aangenomen, betrokken is geweest bij de ontscheping van een grote hoeveelheid verdovende middelen. De vraag is dan volgens de stellers van het middel of het oordeel van het Hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat de grootschalige handel in verdovende middelen gepaard gaat met de handel in wapens stand kan houden.
7.3. Anders dan de stellers van het middel tot uitgangspunt kiezen is het niet nodig voor een feit om van algemene bekendheid te zijn dat iedereen moet worden geacht dit te weten. Feiten van algemene bekendheid kunnen ook gegevens zijn die voor iedereen te achterhalen zijn.(4) Of een bepaald feit op Curaçao een feit van algemene bekendheid is staat ter beoordeling van de feitenrechter die op de hoogte is van de plaatselijke omstandigheden en in zijn oordeel ook algemene ervaringsregels en eigen ondervinding van veel voorkomende gebeurtenissen kan betrekken.(5) Dat oordeel is overwegend van feitelijke aard en kan in cassatie nauwelijks worden getoetst.
Het middel faalt.
8.1. Het zesde middel klaagt over een tegenstrijdigheid in de bewijsvoering. Bewijsmiddel 5 houdt in als verklaring van verdachte dat hij ter plekke zag dat zich een man bij hen voegde die hij herkende als [medeverdachte 12]. Zelf zou hij de man nooit hebben gesproken maar via zijn zus zou hij hebben geweten dat die man [medeverdachte 12] heette. Bewijsmiddel 4, 6 en 7 zouden daarentegen duiden op een nauwere relatie tussen verdachte en [medeverdachte 12]. Afgezien van deze tegenstrijdigheid zou het vonnis van het Hof ook onvoldoende met redenen zijn omkleed omdat bewijsmiddel 5 niet redengevend geacht kan worden.
8.2. Inderdaad is ook mijn oordeel dat bewijsmiddel 5 niet redengevend is. Onduidelijk is waar verdachte het over heeft. Kennelijk gaat het om een ontmoeting met een zekere [medeverdachte 12], en men kan vermoeden dat verdachte verklaart over [medeverdachte 12], in wiens gezelschap verdachte is aangehouden, en dat verdachte het heeft over de gebeurtenissen die aan zijn aanhouding vooraf gingen, maar helder is het niet.
Weglating van dit niet-redengevende bewijsmiddel tast overigens de bewijsmotivering niet aan, zodat de bewijsvoering gelezen kan worden zonder dat bewijsmiddel, waardoor de feitelijke grondslag aan dit middel ook komt te ontvallen.
9.1. Het achtste middel klaagt dat het hof voor het bewijs van feit 3 een verklaring heeft gebezigd die berust op een gissing. Het betreft bewijsmiddel 19, dat de volgende inhoud heeft:
"Een proces-verbaal (p.v. nummer 241020031200.OIG) opgemaakt en op 24 oktober 2003 getekend en gesloten door A. Alberts, buitengewoon agent van het Korps Politie Nederlandse Antillen, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant -zakelijk weergegeven-:
Een man genaamd [verdachte] werd aangehouden terwijl hij in een personenauto zat van het merk Volkswagen, type Jetta, kleur grijs, voorzien van kenteken [A 00-0]. De auto kwam aanrijden vanaf de plaats waar boot met verdovende middelen was aangeland. Deze auto werd aangehouden tussen [A] en de kruising met de [a-straat]. Achter deze auto stond na de aanhouding een auto van het arrestatieteam van het Korps Politie Curaçao geparkeerd. Naast deze auto van het KPC werd op de rijbaan direct zichtbaar een pistool van het merk Pietro Beretta, zwart van kleur aangetroffen. Het pistool lag ongeveer een meter uit de berm aan de rechterzijde van de rijbaan. In dit pistool zat een zwarte houder met 15 patronen en 1 huls. Bij de aanhouding bleek dat [verdachte] in zijn kleding een soortgelijke houder, zwart van kleur had met dezelfde opschriften als de houder die in het vuurwapen werd aangetroffen. Ook de 16 patronen die in deze houder zaten waren soortgelijk aan de patronen die werden aangetroffen in de houder in het pistool. Gezien bovenstaande is het aannemelijk dat het wapen door de arrestant [verdachte] bij de nadering van het arrestatieteam uit de Volkswagen Jetta is geworpen."
9.2. De laatste volzin van het bewijsmiddel bevat inderdaad een conclusie. Maar het Hof deelt kennelijk deze conclusie en heeft deze tot de zijne gemaakt, hetgeen niet verwondert gelet op de kenmerken van de houder en patronen die in het bezit van verdachte zijn aangetroffen.(6)
Het middel faalt.
10.1. Het negende middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd in te gaan op het verweer dat het OM niet ontvankelijk diende te worden verklaard omdat de PG met betrekking tot de bestemming van de verdovende middelen in de strafzaak tegen verdachte anders heeft verklaard dan in een verwante uitleveringszaak. In de strafzaak tegen verdachte heeft de PG aangevoerd dat de partij cocaïne bestemd was voor [medeverdachte 12], terwijl uit de uitleveringszaak zou blijken dat de cocaïne bestemd is voor de organisatie van [betrokkene 1], waarmee [medeverdachte 12] niet in verband te brengen is. Op dit verweer heeft het Hof niet gerespondeerd.
10.2. Inderdaad blijkt uit de voorgedragen pleitnotities in hoger beroep dat de advocaat van verdachte een beroep heeft gedaan ontvankelijkheid van het OM gelet op de tegenstrijdigheden in de mededelingen over de bestemming van de cocaïne die zijn gedaan enerzijds in de uitleveringszaak, anderzijds de strafzaak tegen verdachte.
10.3. Het Hof had inderdaad op dit verweer moeten ingaan, maar dit verzuim hoeft op zichzelf geen gevolgen te hebben omdat het verweer slechts verworpen had kunnen worden. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.(7) Op geen enkele wijze heeft de advocaat in feitelijke aanleg kunnen duidelijk maken waarom verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak zou zijn geschonden door de onderling schijnbaar onverenigbare uitlatingen(8) van het OM over de bestemming van de drugs.
Het middel faalt.
11. Het vierde en zevende middel zijn naar mijn mening terecht voorgesteld, hetgeen tot vernietiging van het bestreden vonnis moet leiden voor zover het betreft de beslissingen over de feiten 1 en 2 en de strafoplegging. De overige middelen falen of zijn tevergeefs voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis zoals hiervoor aangegeven en tot verwijzing van de strafzaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met de zaken nrs. 01727/05 A ([medeverdachte 12]) en 01731/05 A ([medeverdachte 1], waarin ik heden eveneens concludeer.
2 Vgl. HR NJ 2000, 511.
3 Vgl. HR NJ 2000, 127.
4 HR NJ 1988, 686; HR NJ 1989, 903; HR NJ 1998, 881; HR 26 juni 2001, LJN ZD2873.
5 HR NJ 1961, 32.
6 HR 25 mei 2003, NJB 2003, blz. 388, nr. 165; HR NJ 1999, 247; HR 9 september 2003, LJN AG2077.
7 HR NJ 2004, 376.
8 Dat de drugs voor de organisatie van [betrokkene 1] bestemd waren sluit immers niet uit dat [medeverdachte 12] van die organisatie deel kan uitmaken. Dat [medeverdachte 12] in de uitleveringszaak niet voorkomt staat daar niet aan in de weg.