Home

Parket bij de Hoge Raad, 28-02-2025, ECLI:NL:PHR:2025:264, 24/02642

Parket bij de Hoge Raad, 28-02-2025, ECLI:NL:PHR:2025:264, 24/02642

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28 februari 2025
Datum publicatie
14 maart 2025
Annotator
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:264
Zaaknummer
24/02642

Inhoudsindicatie

'Class action' van 56 verhuurderheffingsplichtigen. Heffing in strijd met eigendomsgrondrecht? Verhouding tussen inkomensafhankelijke huurverhoging (IAH) en verhuurderheffing. Is de IAH verboden staatssteun of in strijd met het discriminatieverbod? Is de verhoging van de voetvrijstelling van 10 naar 50 woningen in strijd met gelijkheidsbeginsel?

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/02642

Datum 28 februari 2025

Belastingkamer A

Onderwerp/tijdvak Verhuurderheffing 2019 t/m 2021

Nr. Gerechtshof 22/2044 t/m 22/2046

Nr. Rechtbank 21/1288, 21/1289 en 22/604

CONCLUSIE

P.J. Wattel

In de zaak van

[X] B.V.

tegen

staatssecretaris van Financiën

1 Overzicht

1.1

Dit is één van 56 samenhangende zaken1 over de verhuurderheffing 2019, 2020 en 2021. Alleen deze zaak is voor conclusie geselecteerd omdat hij alle drie de jaren en alle – veelal identieke – cassatiemiddelen omvat. De 56 belanghebbenden hebben zich aangesloten bij een ‘Class Action Verhuurderheffing’, een initiatief van de gemachtigde, die op basis van no cure, no pay optreedt.2 Het doel is om de verhuurderheffing op juridische gronden geheel van tafel te krijgen en – aldus de website - de aldus bespaarde heffing te investeren in sociale woningverhuur. Over de individuele feitelijke omstandigheden van de 56 heffingsplichtigen weten we daarom weinig tot niets. Ik maak uit de dossiers op dat het in de drie betrokken jaren in totaal om meer dan € 74 miljoen aan verhuurderheffing gaat.

1.2

De belanghebbende acht de van haar geheven verhuurderheffing 2019, 2020 en 2021 onrechtmatig op basis van vijf ook in cassatie aangevoerde rechtskundige argumenten:

(i) De verhuurderheffing schendt op regelniveau het eigendomsgrondrecht omdat:

a. de inkomensafhankelijke huurverhoging (IAH) waaruit de verhuurderheffing betaald zou moeten worden, verboden staatssteun is en buiten toepassing moet blijven, waardoor de verhuurderheffing niet meer voldoet aan de fair balance-toets;

b. de IAH waaruit de verhuurderheffing betaald zou moeten worden, het discriminatieverbod schendt en dus buiten toepassing moet blijven, waardoor de verhuurderheffing niet meer voldoet aan de fair balance-toets;

c. (subsidiair) de verhuurderheffing tot systemische overbelasting leidt; de wetgever veronderstelde ten onrechte dat zij betaald kon worden uit de IAH, net zoals box 3 ten onrechte verondersteld rendement belast. Zo’n ‘gemiddelde-belasting’ is onverenigbaar met het discriminatieverbod en het eigendomsgrondrecht;

(ii) de verhuurderheffing 2019 schendt het discriminatieverbod omdat na uw arrest HR BNB 2018/144 alle mede-eigenaren voor dat jaar zijn vrijgesteld van de verhuurderheffing, zulks ten nadele van alle volle eigenaren zoals de belanghebbende;

(iii) de verhoging van de voetvrijstelling van 10 naar 50 sociale huurwoningen per 1 januari 2018 schendt het discriminatieverbod omdat zij ongerechtvaardigd kleine verhuurders begunstigt en grote verhuurders zoals belanghebbende extra belast doordat ter compensatie het tarief is verhoogd met 0,007%.

A. Discriminatie van volle eigenaren in 2019? Middelen (vii) t/m (ix)

1.3

De middelen (vii) t/m (ix) (argument (ii): discriminatie van volle eigenaren in 2019 omdat de wetgever te lang over een nieuwe regeling voor mede-eigenaren heeft gedaan) lijken mij voldoende behandeld in de conclusie3 in de bij u aanhangige zaak 23/03524. Het enige nieuwe punt behandel ik in 3.3 hieronder. Ik meen dat deze middelen ongegrond zijn.

B. Verhoging voetvrijstelling en compenserende tariefverhoging discriminatoir? Middel (x)

1.4

Ik zie niet hoe een (algemene verhoging van een) algemene voetvrijstelling grootverhuurders zou discrimineren ten opzichte van niet-grootverhuurders. Alle verhuurders, ook (zeer) grote, profiteerden van de hogere vrijstelling. De minieme compenserende tariefverhoging deed dat voordeel pas omslaan in een klein nadeel bij een zéér omvangrijk woningbezit. Dat mensenrechtenverdragen in de weg zouden staan aan een licht Benthams progressieve vermogensbelasting (naar de waarde van het woningbezit), valt mijns inziens niet in te zien.

1.5

Evident lijkt mij ook dat de voetvrijstellingsverhoging (zeer) doelmatig en kostenbesparend is en administratieve lasten aanzienlijke verkleint. Dat volgt al uit het gegeven dat het tarief met slechts 0,007%-punt extra verhoogd hoefde te worden om (i) uiteindelijk 70% van de aanvankelijke 3.200 heffingsplichtigen uit de heffing- en toezichtinspanning te verwijderen en (ii) het budgettaire effect van de verhoging van 25 naar 50 huurwoningen – € 23 miljoen – op te vangen (op een totaal begrote structurele opbrengst ad € 1,8 à 2 miljard). Ik zie niet waarom de allergrootsten niet relatief ietsje meer zouden mogen betalen. Dat deze doelmatigheid van elke redelijke grond ontbloot zou zijn door discriminatoire, willekeurige en onredelijke aantasting van eigendom in strijd met mensenrechten, lijkt mij niet houdbaar.

C. Is de verhuurderheffing een discriminatoir willekeurige inkomstenbelasting? Middel (vi)

1.6

Middel (vi) (argument (i)(c)) (veronder)stelt rechtskundig dat de verhuurderheffing ertoe strekt om – bepaalde – verhuurinkomsten (de IAH) weg te belasten en stelt feitelijk dat dat doel niet bereikt wordt doordat sommige verhuurders veel IAH kunnen genereren en anderen weinig, als gevolg van een scheve verdeling van de scheefhuurders die de IAH betalen. Net als box 3 faalt de verhuurderheffing in benadering van de feitelijke (IAH-)inkomsten.

1.7

Mijns inziens is de verhuurderheffing geen (bepaalde huur-)inkomstenbelasting, maar - ook in concept, vorm en techniek - een vermogensbelasting. Voor al hun inkomsten zijn de verhuurders daarnaast onderworpen aan de vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting. De grondslag van de verhuurderheffing is geen gemiddelde, maar exact individueel bepaalde waarde. Een – eveneens individueel bepaald – gemiddelde wordt alleen gebruikt om de hoogte van de voetvrijstelling van 50 WOZ-waarden per verhuurder te bepalen.

1.8

Wat het gestelde ‘bestaansvoorwaardelijke’ verband tussen de verhuurderheffing en de IAH betreft: de wetgever heeft steeds verklaard (zie de citaten in in 5.5, 5.29 5.8, 5.12, 5.15, 5.16, 5.20, 5.22, 5.25, 5.28 en 5.29) dat de verhuurderheffing niet gekoppeld is aan bepaalde huurinkomsten van verhuurders, ook niet ‘een-op-een’ aan IAH-inkomsten, laat staan individueel. Hij heeft verklaard dat (i) als de IAH en de verhuurderheffing 2014 e.v. tegelijk zouden worden ingevoerd, de verhuurderheffing deels of in sommige gevallen geheel uit die IAH opgebracht zou kunnen worden, en (ii) als de IAH niet tegelijk ingevoerd zou worden, of wel tegelijk ingevoerd zou worden maar de heffing niet (geheel) zou dekken, die heffing uit andere bron opgebracht zou moeten worden, zoals vermogenswinsten, kostenverlagingen, aanpassing van het investeringsprogramma en, wat inkomsten betreft, uit de reguliere huurverhoging van 1,5% boven inflatie. De heffing werd ook gerechtvaardigd geacht door de uit publieke middelen bekostigde (stijging van de) huurtoeslag en objectsubsidies, dus met het complete pakket van overheidsregulering, inclusief huurtoeslag, objectsubsidies, huurbeleidverruimingen en overige maatregelen. Dat wordt niet anders doordat de Eerste Kamer dat pakket ook samenhangend en tegelijk in zijn geheel beoordeeld en ingevoerd wilde zien.

1.9

Ten overvloede merk ik op dat de belanghebbende geen inzicht heeft gegeven in de gestelde structurele, vergaande mate waarin de heffing op individueel niveau niet zou zijn op te brengen uit de combinatie van alle financieringsmogelijkheden die de wetgever noemde.

1.10

Mijns inziens strandt ook middel (vi).

D. Was de IAH een financiële en juridische bestaansvoorwaarde voor de verhuurder-heffing? Middelen (i) t/m (v)

1.11

De resterende middelen (i) t/m (v) (corresponderende met de argumenten (i)(a) en (i)(b) in 1.2 hierboven) gaan ervan uit dat de wetgever, gegeven met name de motie-Essers, de verhuurderheffing bedoelde om de IAH weg te belasten of, andersom, de IAH bedoelde om de verhuurderheffing te financieren. De IAH was een financiële ‘bestaansvoorwaarde’ voor de verhuurderheffing en de wetgever moet geacht worden de verhuurderheffing onevenredig en daarom onbestaanbaar te hebben geacht zonder simultane IAH. De heffing schond het eigendomsgrondrecht omdat de IAH, die de verhuurderheffing moest financieren, (a) verboden staatssteun is en (b) het discriminatieverbod schendt. De IAH moet daarom buiten toepassing blijven, waardoor de alsdan ongefinancierde heffing niet meer aan de eis van een fair balance tussen algemeen en individueel belang voldoet, aldus de belanghebbende.

1.12

Mijns inziens volgt uit HvJEU, zaak C-174/02, Streekgewest Westelijk Noord-Brabant, recht-streeks dat dit betoog tot niets leidt (zie 1.20 hieronder). Of de IAH al dan niet verboden staatssteun is, doet ook niet ter zake als de IAH niet in rechtstreeks financieringsverband staat met de verhuurderheffing. De belanghebbende verwijt het Hof ten onrechte dat hij volstaan heeft met vaststelling dat dat gestelde verband niet bestond en daarom niet verder is ingegaan op haar argumenten (i)(a) en (i)(b) (zie 1.2). Die argumenten steunen immers beide op de stelling dat de IAH en de verhuurderheffing wél onlosmakelijk samenhangen en de IAH als onrechtmatig weggedacht moet worden, waardoor de balance niet meer fair is. Gezien deze strekking van de argumenten (i)(a) en (i)(b), heeft het Hof terecht geoordeeld dat als het gestelde verband niet bestaat, geen van beide argumenten nog ter zake doet. Is de IAH geen bestaansvoorwaarde voor de heffing, dan kan eventuele onrechtmatigheid van de IAH de heffing immers niet meeslepen in eventuele onverbindendheid van de IAH. Dit middel (i) lijkt mij daarom ongegrond of zelfs onbegrijpelijk, nu de belanghebbende bij het Hof zelf heeft verklaard dat als het gestelde onlosmakelijke financiële verband tussen IAH en verhuurderheffing niet bestaat, beide argumenten (i)(a) en (i)(b) falen. Het Hof zou dus juist ontoelaatbaar buiten het geschil zijn gegaan of zinloos werk hebben verricht als hij niet volstaan had met onderzoek van dat gestelde onlosmakelijke financiële verband.

1.13

Dat het Hof dat verband niet aanwezig achtte, noch in de bedoeling van de wetgever, noch in feite, noch op individueel niveau, noch ‘macro’, lijkt mij correct omdat het volgt uit de parlementaire geschiedenis geciteerd in 5.5, 5.8, 5.9, 5.11, 5.12, 5.16, 5.19 en 5.20 hieronder (voor de Wvh 2013) en uit de citaten in 5,21, 5.22, 5.25, 5.28 en 5.29 (voor de Wmw 2014 e.v.; dus van ná de motie-Essers). Met name de citaten in 5.8, 5.12, 5.16, 5.22, 5.25, 5.28 en 5.29 lijken mij onverenigbaar met belanghebbendes stellingen. Dat de twee maatregelen politiek gekoppeld werden – samen met nog diverse andere maatregelen in een volgens de wetgever evenwichtig totaal-woningmarktpakket – in de zin dat de Eerste Kamer vond dat al die maatregelen tegelijk en in samenhang moesten worden beoordeeld en ingevoerd, impliceert geenszins dat de verhuurderheffing een IAH-wegbelasting was of, andersom, de IAH diende om de verhuurderheffing te financieren. Juist omdat het om een evenwichtig totaalpakket ging, kan zelfs politiek niet selectief één huurbeleidverruimings-maatregel (en alleen financieel) tegenover de verhuurderheffing gesteld worden. De heffing was politiek evenzeer gekoppeld aan de gestegen uitgaven voor huurtoeslag, huurwoningmarkt-objectsubsidies, de reguliere huurverhogingen ad 1,5% boven inflatie, een heffingsvermindering voor krimpgebieden en voor investeringen in grootschalige (ver)bouw, efficiencyverbeteringen, realisering van grote stille reserves door woningverkoop en (overige) overheidsregulering van de huurwoningmarkt.

1.14

Nu de belanghebbende geen feitelijke, maar alleen rechtskundige stellingen aanvoert, kan zich geen motiveringsgebrek voordoen. Rechtsoordelen hoeven niet gemotiveerd te worden.

1.15

Ad middel (iii) merk ik nog op dat de belanghebbende haar stelling dat de parlementaire geschiedenis van de wetsvoorstellen 33 407 (Wvh) en 33 515 (novelle Wvh) niet relevant zou zijn voor de verhuurderheffing 2014 e.v. omdat die achterhaald zou zijn door de parlementaire geschiedenis van de wetsvoorstellen 33 756 (Wmw I) en 33 819 (Wmw II) niet heeft onderbouwd en niet heeft aangewezen welke concrete latere parlementaire uitlatingen welke eerdere uitlatingen in welk opzicht zouden hebben ontkracht. De MvT bij de Wmw I en Wmw II zegt volgens mij eerder het tegengestelde, nl. dat de verhuurderheffing 2014 e.v. in ‘vormgeving, achtergrond, reikwijdte én grondslag’ ‘voortbouwt’ op de Wvh 2013 en dat een groot aantal bepalingen uit de Wvh 2013 in de Wmw I is overgenomen. Dat ligt ook voor de hand, nu dat de ‘knip’ tussen 2013 en 2014 naar aanleiding van de motie-Essers slechts is aangebracht – volgens de regering en de Tweede Kamer onnodig – omdat de Eerste Kamer de in de Wvh-toelichting aangekondigde huurbeleidsverruimingen in samenhang met de voorstellen voor 2014 e.v. wilde beoordelen. De Wvh gold na die novelle/knip formeel alleen voor 2013, maar materieel leefde hij voort, zij het met hoger tarief en dus hogere opbrengst. In 1.13 wees ik al op parlementaire geschiedenis van ná de motie-Essers die mijns inziens even duidelijk als de parlementaire geschiedenis van vóór die motie aangeeft dat het gestelde financiële ‘bestaansvoorwaardelijke’ verband tussen de verhuurderheffing en de IAH niet bestaat. Het Hof heeft dus terecht ook de parlementaire geschiedenis van de voorstellen 33 407 en 33 515 van belang geacht, mede gezien de vele verwijzingen ernaar en herhalingen ervan in de parlementaire geschiedenis van de Wmw I en II.

1.16

Ook de middelen (i) t/m (v) stranden, zodat het cassatieberoep ongegrond is.

1.17

Zou het gestelde financiële ‘bestaansvoorwaardelijke’ verband tussen de verhuurderheffing en de IAH wél bestaan, én dat verband bovendien zou meebrengen dat de verhuurderheffing het eventuele EU-rechtelijke of EVRM-rechtelijke lot van de IAH zou moeten delen (ook dat lijkt mij geen gegeven), dan zou de vraag rijzen waartoe EU-rechtelijke of EVRM-rechtelijke beoordeling van de IAH dan leidt. Ik ga ten overvloede in op belanghebbendes stellingen dat de IAH verboden staatsteun c.q. verboden discriminatie zou zijn.

E. Ten overvloede: IAH staatssteun?

1.18

Volgens de belanghebbende zijn scheefhuurders ongelijk verdeeld over het land en over heffingsplichtige verhuurders en profiteerden daardoor sommige verhuurders meer van de IAH dan andere, niet alleen doordat zij de huren meer konden verhogen, maar ook doordat daardoor hun huurwoningen eerder geliberaliseerd werden en uit degrondslag van de verhuurderheffing verdwenen, nu alleen geheven werd ter zake van niet-geliberaliseerde huurwoningen. In dat gestelde effect (meer of eerdere liberalisering en daardoor minder verhuurderheffing) ziet de belanghebbende afzien, door de Staat, van belastingmiddelen die anders (zonder de IAH) wél geheven zou zijn, zulks ten gunste van de verhuurders bij wie dat liberaliseringseffect optrad. Die verhuurders werden aldus selectief begunstigd uit staatsmiddelen, aldus de belanghebbende.

1.19

Maar de IAH wordt niet uit staatsmiddelen bekostigd, maar volledig betaald door scheef-huurders. Zelfs als men een afzien van belastingopbrengst ziet in een heffingsgrondslag-versmalling als gevolg van een ongelijk verdeeld liberaliseringseffect van de IAH, dan nog zou alleen staatssteun kunnen bestaan in dat hypothetische niet-geheven bedrag dat zonder liberaliseringseffect beweerdelijk meer geheven zou zijn. Er zou niets veranderen aan het niet-staatssteunkarakter van het wel geheven bedrag aan verhuurderheffing en het zou de belanghebbende dus geen steek verder brengen. Ik zie het belang van het betoog dus niet.

1.20

Uit HvJ EU, zaak C-174/02, Streekgewest Westelijk Noord-Brabant blijkt bovendien dat een belasting alleen dan (onderdeel van) verboden staatsteun kan zijn als “noodzakelijkerwijs een dwingend bestemmingsverband bestaat tussen de heffing en de steun, in die zin dat de opbrengst (…) noodzakelijkerwijs voor de financiering van de steun wordt bestemd” waardoor “de heffing rechtstreekse invloed (heeft) op de omvang van de steun”. Het HvJ zag in Streekgewest geen dergelijk dwingend bestemmingsverband, nu de wet geen verband legde tussen de opbrengst van de afvalstoffenheffing en de vrijstelling ervan, en de toepassing en omvang van de vrijstelling ook overigens niet afhingen van de opbrengst. De opbrengst ging de algemene middelen in en daaruit werd de steun gefinancierd. Die route via de algemene middelen sloot een rechtstreeks bestemmingsverband tussen de belasting en de steun uit. In ons geval bestaat überhaupt geen ‘bestemmingsverband’, laat staan ‘dwingend’. Dee opbrengst van de verhuurderheffing ging volledig naar de algemene middelen en de IAH wordt volledig betaald door scheefhuurders. Van het vereiste dwingende bestemmingsverband kan dus geen sprake zijn. Ook uit HvJ EU, C-34/01 t/m C-38/0, Enirisorse, volgt dat een overheidsheffing alleen onrechtmatige staatsteun kan zijn voor zover de opbrengst rechtstreeks besteed wordt aan onrechtmatige staatssteun. Daarvan is geen sprake. De verhuurders hebben de IAH bovendien zelf in de hand: zij zijn niet verplicht om de huur van scheefhuurders te verhogen, maar kunnen eigen beleid voeren.

1.21

Als aan één staatssteunvoorwaarde niet is voldaan, hoeven wij niet verder na te denken, maar ook de vereiste selectiviteit ontbreekt mijns inziens. De IAH is algemeen en objectief gericht tegen scheefhuren en past algemeen en objectief de maximaal redelijke huur aan (tot aan de puntengrens) aan het inkomen van de huurder. Een verhuurder met veel scheefhuurders is, bezien vanuit doel en strekking van de IAH, feitelijk noch rechtens in dezelfde positie als een verhuurder met geen of weinig scheefwoners. Het criterium (de hoogte van het inkomen van de huurder in verhouding tot de maximaal redelijke huurprijs) is een horizontaal en objectief criterium dat direct noch indirect noch materieel selecteert. Dat verhuurders met veel scheefwoners meer huur kunnen vragen dan verhuurders met weinig scheefhuurders, vloeit rechtstreeks voort uit de logica van de IAH, die objectief, algemeen en kennelijk effectief een dringend maatschappelijk probleem bestrijdt.

1.22

Ten overvloede: de gemachtigde heeft niet aannemelijk gemaakt dat er zulke grote verschillen in scheefwonertal zijn tussen de verhuurders die zij vertegenwoordigt en andere, gunstiger behandelde heffingsplichtigen. Zij heeft niet haar feitelijke stelling bewezen dat IAH-inkomsten zeer ongelijk verdeeld zijn én – cruciaal in haar betoog – daardoor de liberaliseringskansen en -effecten zeer ongelijk verdeeld waren. Een partij die systemische selectieve begunstiging stelt, zal die selectiviteit op systeemniveau moeten bewijzen. Zij kan haar bewijslast niet ontlopen door het alleen over de regel te hebben op basis van (veronder) stellingen. Ik zie trouwens het belang niet bij de stelling dat de IAH verboden staatssteun is, nu de juistheid ervan meebrengt dat de IAH tot tien jaar terug moet worden teruggevorderd.

F. Ten overvloede: IAH discriminatie?

1.23

Als zich geen ongerechtvaardigde bevoordeling voordoet, doet zich in beginsel evenmin een ongerechtvaardigde benadeling (discriminatie) voor. Het HvJ ziet verboden staatssteun als verboden discriminatie van de niet-begunstigden. Gegeven de lawfulness en legitimate aim van de IAH (bestrijding van scheefhuren), volgt verder uit de rechtspraak van het EHRM dat de IAH niet ongerechtvaardigd discrimineert, nu ongelijke gevallen (veel of weinig scheefhuurders) naar de mate van die feitelijke ongelijkheid ongelijk worden behandeld. Zouden verhuurders met veel en weinig scheefhuurders vanuit het doel van de IAH toch als gelijke gevallen beschouwd moeten worden, dan bestaat voor de ongelijke behandeling een proportionele rechtvaardiging in het algemeen belang, nl. de noodzakelijke gezondmaking van de Nederlandse huurwoningmarkt. Het lijkt mij uitgesloten dat het EHRM, gegeven de toestand van de huurwoningmarkt, de IAH devoid of reasonable foundation zou achten.

1.24

Het is denkbaar dat de in 2023 afgeschafte verhuurderheffing niet heeft bijgedragen aan oplossing van de (huur)woningmarktproblemen. Maar ook als die heffing de (ver)bouw- of verduurzamingsprojecten van verhuurders al dan niet ernstig bemoeilijkte, zegt dat op zichzelf niets over haar (on)rechtmatigheid. Dat bepaald overheidsbeleid ineffectief, contraproductief of anderszins betreurenswaardig is, impliceert niet dat het daarmee ook onrechtmatig is. Het is niet in strijd met het eigendomsgrondrecht, het discriminatieverbod of het staatssteunverbod om slecht wet te geven. De derde staatsmacht heeft de taak noch de bevoegdheid om het product van de eerste te verbeteren.

1.25

Ik geef u in overweging belanghebbendes cassatieberoep ongegrond te verklaren.

2 Het geding in de feitelijke instanties

2.1

De belanghebbende is onderdeel van een ‘class action’ van 56 verhuurderheffingsplichtigen die allen worden vertegenwoordigd door dezelfde no cure no pay werkende gemachtigde.

2.2

In alle zaken worden alleen rechtskundige klachten aangevoerd, ertoe strekkende dat de verhuurderheffing onrechtmatig is en in haar geheel van tafel moet. Daardoor gaat geen van de zaken over feiten4 en hebben de Rechtbank en het Hof nauwelijks feiten vastgesteld. De zaken zijn in beroep en hoger beroep gezamenlijk maar niet gevoegd behandeld. Er zijn dus 56 uitspraken. Ik maak uit de dossiers op dat het in de drie betrokken jaren in totaal om meer dan € 74 miljoen aan verhuurderheffing gaat.5 Niet elke belanghebbende procedeert over alle drie de jaren 2019 t/m 2021, maar de belanghebbende in deze pilot-zaak wel.

Het – louter rechtskundige – geschil

2.3

In geschil is of rechtmatig verhuurderheffing 2019, 2020 en 2021 is geheven van de belanghebbende. Zij meent van niet en voerde daartoe uitsluitend vijf ook in cassatie nog aangevoerde rechtskundige argumenten aan:

(i) De verhuurderheffing schendt op regelniveau het eigendomsgrondrecht van art. 1 Protocol I EVRM, omdat:

a. de inkomensafhankelijke huurverhoging (IAH) waaruit de belanghebbende de verhuurderheffing zou moeten betalen, verboden staatssteun en dus onrechtmatig is en buiten toepassing moet blijven, waardoor de verhuurderheffing niet meer voldoet aan de fair balance-toets;

b. de IAH waaruit de belanghebbende de verhuurderheffing zou moeten betalen, het discriminatieverbod van de artt. 26 IVBPR en 14 EVRM en Protocol 12 EVRM schendt en dus buiten toepassing moet blijven, waardoor de verhuurderheffing niet meer voldoet aan de fair balance-toets;

c. (subsidiair) de verhuurderheffing tot systematische overbelasting leidt omdat de wetgever ten onrechte veronderstelde dat zij betaald kon worden uit de IAH, net zoals hij de box 3 heffing ten onrechte baseerde op verondersteld rendement. Gezien de conclusie van A-G Wattel inzake box 36, is zo’n ‘gemiddelde-belasting’ systemisch onverenigbaar met het discriminatieverbod en het eigendomsgrondrecht;7

(ii) de verhuurderheffing 2019 schendt het discriminatieverbod omdat na uw arrest HR BNB 2018/1448 alle mede-eigenaren in dat jaar zijn vrijgesteld van de verhuurderheffing, zulks ten nadele van alle volle eigenaren zoals de belanghebbende;

(iii) ook de verhoging van de voetvrijstelling van 10 naar 50 sociale huurwoningen in art. 1.4 Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (Wmw II) per 1 januari 2018 schendt het discriminatieverbod omdat zij zonder enige rechtvaardiging kleine verhuurders begunstigt en grote verhuurders zoals belanghebbende extra belast doordat ter compensatie het tarief per 1 januari 2018 is verhoogd met 0,007%.

2.4

Ik ga hieronder niet in op stelling (ii) omdat daarover genoeg gezegd is in de conclusie in de bij u aanhangige zaak met nr. 23/03524.9

De Rechtbank Gelderland 10

2.5

De Rechtbank heeft de stellingen (i)a en (i)b verworpen omdat zij zich niet bevoegd achtte ter zake van de IAH, en omdat zij onvoldoende onderbouwd achtte dat bij wegvallen van de IAH de fair balance tussen het algemene belang bij de verhuurderheffing en belanghebbendes individuele belang zodanig verstoord zou zijn dat haar eigendomsrecht geschonden zou zijn:

“12. Belanghebbende verzoekt de belastingrechter in de eerste twee gronden om de IAH buiten werking te stellen. De IAH is vanaf 2013 vastgelegd in de artikelen 7:252a en 7:252b van het BW. De rechtbank ziet zich daarom eerst voor de vraag gesteld of zij, als belastingrechter, bevoegd is om artikelen uit het BW buiten werking te stellen.

13. Belanghebbende betoogt expliciet dat de IAH in strijd is met het staatssteunrecht dan wel (…) het gelijkheidsbeginsel. Voor de vraag welke rechter bevoegd is, is naar het oordeel van de rechtbank doorslaggevend door middel van welke regeling een schending optreedt. Dit is in het door belanghebbende ingenomen standpunt dus de IAH en daarom is de burgerlijke rechter de bevoegde rechter. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de door belanghebbende aangehaalde uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 3 maart 201511. In die uitspraak heeft de burgerlijke rechter geoordeeld dat de civiele rechtsgang niet openstaat voor een vordering inhoudende dat de verhuurderheffing, een publieke regeling, buiten werking moet worden gesteld, omdat de verhuurderheffing verboden staatssteun is en in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Omdat daar het standpunt werd ingenomen dat de verhuurderheffing verboden staatssteun is, was in die zaak juist de belastingrechter bevoegd. Dit is de spiegelbeeldige situatie van hetgeen aan de orde is in de onderhavige zaak, namelijk een verzoek tot het buiten werking stellen van een civiele regeling.

14. De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat indien veronderstellenderwijs aan de IAH verbindende kracht moet worden ontzegd, belanghebbende dan onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in dat geval de verhuurderheffing niet meer voldoet aan de fair balance-toets van artikel 1 van het EP. Hoewel belanghebbende terecht heeft gesteld dat uit de parlementaire geschiedenis volgt dat sprake is van samenhang tussen de IAH en de verhuurderheffing, en dat bij de beoordeling door de wetgever van de fair balance-toets de IAH een belangrijk element is, betekent dat nog niet zonder meer dat enkel door het wegvallen van de IAH de rechtbank tot de conclusie zou moeten komen dat er ten aanzien van de verhuurderheffing geen sprake is van een fair balance in de zin van artikel 1 van het EP. Dat de wetgever dit niet heeft getoetst, hetgeen begrijpelijk is omdat werd uitgegaan van een rechtsgeldige IAH, betekent niet dat een rechterlijke toetsing in dat geval daartoe beperkt wordt. De rechtbank kan daarin een eigen afweging maken. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om het standpunt, dat door het wegvallen van de IAH geen sprake meer is van een fair balance, nader te onderbouwen, mede gelet op het feit dat de financiële inkomsten van de IAH ten opzichte van de verhuurderheffing beperkt zijn en de primaire doelstelling van de verhuurderheffing het realiseren van een budgettaire opbrengst is. Belanghebbende heeft hiervoor onvoldoende gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt.”

2.6

Stelling (i)(c) is pas bij het Hof ingenomen.

2.7

De Rechtbank heeft stelling (ii) verworpen omdat zij mede-eigenaren en volle eigenaren feitelijk en rechtens niet als gelijk beschouwde. Art. 1.3 Wmw II – dat ziet op de uitvoering van de heffing – ziet alleen op mede-eigenaren. Dat als gevolg van het arrest HR BNB 2018/144 en late reparatiewetgeving in 2019 niet van mede-eigenaren is geheven, berust volgens de Rechtbank op een verschil in subjectgebonden omstandigheden (r.o. 18).

2.8

De Rechtbank heeft ten slotte ook stelling (iii) verworpen omdat zij de voetvrijstelling niet selectief begunstigend acht, nu alle verhuurders recht hebben op vrijstelling van de eerste 50 sociale huurwoningen:

“21. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van selectieve begunstiging, omdat alle verhuurders recht hebben op de vrijstelling. Anders dan wellicht op basis van de letterlijke tekst van de wet zou worden vermoed, is tussen partijen niet in geschil dat de vrijstelling feitelijk werkt als een heffingsvrije voet. Bij verhuurders met meer dan 50 woningen wordt van de totale waarde van de woningen 50 keer de gemiddelde waarde afgetrokken, als een heffingsvrije voet of drempelbedrag. Dat in de parlementaire geschiedenis hofjes worden genoemd kan daar niet aan afdoen, aangezien de vrijstelling voor alle verhuurders geldt en niet alleen voor een specifieke groep. Daarbij heeft verweerder ter zitting terecht opgemerkt dat door de verhoogde vrijstelling 5.000 verhuurders niet langer in de heffing worden betrokken, maar dat er in Nederland geen 5.000 hofjesstichtingen zijn. De keuze om de vrijstelling te verhogen naar 50 woningen behoort naar het oordeel van de rechtbank tot de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever en is niet van iedere redelijke grond ontbloot.”

2.9

De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard.

2.10

De Redactie van V-N 2022/42.16) is het daarmee eens, maar bekritiseert de motivering van de verwerping van de stellingen (i)a en (i)b:

Samenhang met inkomensafhankelijke huurverhoging

De belanghebbende stelt allereerst dat de verhuurderheffing samenhangt met de inkomensafhankelijke huurverhoging (IAH). Verder stelt hij dat de IAH in strijd is met de staatssteunregels dan wel het gelijkheidsbeginsel. Om die reden zou de IAH en de verhuurderheffing buiten werking moeten worden gesteld.

Voor wat betreft de staatssteunregels is de gedachte kennelijk dat de IAH alleen geldt voor bepaalde huurders en huurcontracten en deze beperking zou leiden tot staatssteun voor de verhuurder die dankzij de IAH een hogere huur ontvangt. Omdat de IAH ten laste van de huurder en niet ten laste van de staatskas komt, zien wij niet hoe dan kan worden geconcludeerd tot staatssteun. Voor wat betreft de toepassing van het gelijkheidsbeginsel meent de wetgever dat geen sprake is van gelijke gevallen. Dat standpunt lijkt ons ook niet onjuist of evident onredelijk. Wel was de privacyregeling oorspronkelijk niet op orde (zie V-N 2016/15.8), maar dat was in 2020 al lang gerepareerd.

De rechtbank kiest als primaire grond voor afwijzing van dit argument van de belanghebbende een andere grond, namelijk dat de civiele rechter over de IAH moet oordelen. Dat argument kan ons niet overtuigen. Als de toepassing van de IAH een constitutief vereiste zou zijn voor de verhuurderheffing, dan dient de belastingrechter zich daarover uit te laten. In r.o. 14 voegt de rechtbank er echter gelukkig nog wel aan toe dat de verhuurderheffing ook in stand zou blijven als de IAH zou vervallen. Dat argument is in lijn met eerdere jurisprudentie en is onzes inziens wel overtuigend.

(…).

Voetvrijstelling

Het volgende argument dat de belanghebbende erin gooit, is de voetvrijstelling en dan in het bijzonder de verhoging daarvan. Ook hier stelt de belanghebbende dat dit leidt tot strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel. Als dit zou kloppen, zouden de meeste belastingen kunnen worden afgeschaft. Er is namelijk vrijwel altijd sprake van een soort voetvrijstelling of een heffingskorting met eenzelfde effect en deze zijn vaak ook om diverse politieke of andere redenen in de loop der tijd aangepast. Het oordeel van de rechtbank dat dit argument niet opgaat, is wat ons betreft terecht.”

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12

2.11

Ook het Hof heeft de stellingen (i)a en (i)b verworpen, maar op andere gronden. De koppeling van de IAH aan de verhuurderheffing waarop de belanghebbende die stellingen baseert, bestaat volgens het Hof niet. De primaire doelstelling van de verhuurderheffing was genereren van inkomsten (r.o. 3.7) en uit de parlementaire geschiedenis volgt niet dat de wetgever een voorwaardelijk of formeel verband tussen de IAH en de verhuurderheffing beoogde, aldus het Hof:

“3.8. Uit de volgende passages uit de parlementaire geschiedenis van de Wvh en Wmw II moet, naar het oordeel van het Hof, worden geconcludeerd dat de aanvaarding van de – onder 3.3 – genoemde wetten inzake de IAH geen voorwaarde was voor de invoering van de verhuurderheffing en dat de wetgever geen formeel verband tussen een eventuele (inkomensafhankelijke) huurverhoging en de verhuurderheffing heeft beoogd:

“Er is geen een-op-een-relatie tussen de voorliggende verhuurderheffing en de beide genoemde wetsvoorstellen. Wel is het zo dat de met de beide wetsvoorstellen gepaard gaande verruiming van de mogelijke verdiencapaciteit van corporaties de heffing kan worden gefinancierd. (…) De invoering van de verhuurderheffing staat verder op zich los van afwegingen rond de wetsvoorstellen op het terrein van de inkomensafhankelijke huurverhoging. Mochten deze wetsvoorstellen niet worden aangenomen, dan zullen verhuurders de heffing langs andere weg moeten financieren.”

(MvA van 7 december 2012, Kamerstukken I 2012/13, 33405, C, p. 30 [Hof: heeft ook betrekking op wetsvoorstel 33407])

“Formeel is er geen verband tussen de verhuurderheffing en deze twee wetsvoorstellen. Wel is in de beoordeling van de effecten van de verhuurderheffing, zoals bijvoorbeeld in de berekeningen van het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV), rekening gehouden met de mogelijkheid voor verhuurders om extra verdiencapaciteit te genereren uit de genoemde wetsvoorstellen. Zoals in de memorie van antwoord inzake het onderhavige wetsvoorstel is aangegeven, zullen verhuurders – mochten deze wetsvoorstellen onverhoopt niet worden aangenomen – de heffing langs andere weg moeten financieren.”

(Nota naar aanleiding van het verslag van 14 december 2012, Kamerstukken I 2012/13, 33405, E, p. 11)

“De leden van de SP-fractie vragen of er een verband bestaat tussen de huurverhogingen en de verhuurderheffing en zo nee, waarom niet. (…).

Er is – zoals eerder vermeld – geen formeel verband tussen de huurverhogingen en de verhuurderheffing. Wel is het zo dat verhuurders de extra verdiencapaciteit die met de ruimere mogelijkheden tot huurverhoging gepaard kunnen gaan kunnen benutten om de heffing te financieren. Het is echter niet noodzakelijk dat de heffing (volledig) uit deze huurverhogingen wordt gefinancierd; verhuurders hebben ook andere mogelijkheden om de heffing in te vullen (efficiencyverbetering, verkoop van woningen).”

(MvA van 27 mei 2013, Kamerstukken I 2012/13, 33515, B, p. 3)”

2.12

De wetgever achtte het volgens het Hof niet noodzakelijk dat de verhuurderheffing uit huurverhogingen zou worden gefinancierd. De wetgever bezag de vraag of de verhuurderheffing zou kunnen worden gefinancierd uit verruiming van het huurbeleid volgens hem ook meer op macroniveau dan op het niveau van individuele verhuurders:

“3.9. Ook volgt, naar het oordeel van het Hof, uit bovenstaande en de hierna genoemde parlementaire geschiedenis bij het wetsvoorstel maatregelen woningmarkt 2014, waarnaar voor de toelichting op het wetsvoorstel maatregelen woningmarkt 2014 II wordt verwezen (zie Kamerstukken II 2013/14, 33819, nr. 3, p. 2) dat de samenhang tussen de verhuurderheffing en de mogelijkheid die heffing door middel van huurverhoging te compenseren, minder direct is dan belanghebbende stelt. Zo kan daaruit worden afgeleid dat de wetgever het niet noodzakelijk achtte dat de verhuurderheffing (volledig) uit de huurverhogingen wordt gefinancierd, mede gelet op de andere mogelijkheden die er zijn, en dat verhuurders generiek gezien in staat zijn de verhuurderheffing te betalen uit huuropbrengsten en andere mogelijkheden om te sturen op hun opbrengsten en uitgaven, zoals verkoop van onroerende zaken en efficiencyverbeteringen in de bedrijfsvoering. De vraag of de verhuurderheffing kan worden opgebracht uit verhoging van huren (verruiming huurbeleid) is door de wetgever ook meer bezien op macroniveau dan op het niveau van individuele verhuurders. Het Hof acht – onder meer – de volgende passages uit de parlementaire geschiedenis relevant:

“In de brief van 28 februari 2013 is voorts nader ingegaan op de effecten van de huurbeleids-maatregelen en de verhuurderheffing zoals die in dat akkoord [Hof: het zogenoemde woonakkoord] zijn opgenomen. In laatstgenoemde brief is aangegeven dat generiek gezien verhuurders in staat zijn de verhuurderheffing te betalen uit huuropbrengsten en andere mogelijkheden om te sturen op hun opbrengsten en uitgaven, zoals verkoop van onroerende zaken en efficiencyverbeteringen in de bedrijfsvoering.”

(MvT van 25 september 2013, Kamerstukken II, 2013/14, 33756, nr. 3, p. 5)

“De regering is van mening dat het gezond maken van de overheidsfinanciën en het feit dat de verhuurderheffing een belangrijk element vormt in het streven de woningmarkt beter te laten functioneren via een evenwichtig pakket van maatregelen voor zowel het koop- als het gereguleerde huursegment, zwaarder weegt dan het individuele belang van verhuurders.”

(MvT, Kamerstukken II 2013/14, 33756, nr. 3, p. 7)”

2.13

Het Hof zag evenmin koppeling van de verhuurderheffing aan de IAH in de motie-Essers13 omdat aanvaarding van een motie niet impliceert dat de wetgever er integraal uitvoering aan geeft op de wijze die de indiener mogelijk beoogde, nog daargelaten de vraag of de belanghebbende de motie-Essers correct interpreteert:

“3.12. Naar het Hof begrijpt, leidt belanghebbende uit het aannemen van deze motie door de Eerste Kamer af dat de wetgever het noodzakelijk achtte te borgen dat bij de invoering van de verhuurderheffing vanaf 2014 de beoogde opbrengst daarvan en de (extra) inkomsten die verhuurders uit de IAH zouden ontvangen, geen afbreuk zouden doen aan de volkshuisvestelijke opgaven van de verhuurders en de betaalbaarheid van de huren. Daargelaten of belanghebbende de (tekst van de) motie hiermee wel juist heeft geïnterpreteerd, betekent het enkele aannemen van een motie niet dat de wetgever integraal uitvoering geeft aan de motie op de wijze die de indiener van de motie heeft beoogd. Als een motie is aangenomen, is het aan de regering om te beslissen wat zij met die motie doet. In de parlementaire geschiedenis is, naar het oordeel van het Hof, niet uitdrukkelijk aandacht besteed aan de uitleg die aan de motie Essers wordt gegeven en de wijze waarop uitvoering aan de motie is gegeven. Het Hof leest in de door belanghebbende in de gedingstukken geciteerde wetsgeschiedenis niet dat de wetgever de in de motie genoemde ‘randvoorwaarden’ heeft overgenomen. Dat in de parlementaire geschiedenis is vermeld dat verhuurders de extra verdiencapaciteit die met de ruimere mogelijkheden tot huurverhoging gepaard gaan, kunnen benutten om de verhuurderheffing te financieren en dat sprake is van een evenwichtig pakket aan maatregelen, leidt niet tot deze conclusie. Ook leidt het Hof uit de door de wetgever in de parlementaire geschiedenis verrichte toetsing aan artikel 1 EP niet af dat de wetgever de in de motie Essers genoemde randvoorwaarden, althans op de door belanghebbende voorgestane wijze, heeft overgenomen. Ook kan hieruit, naar het oordeel van het Hof, niet worden afgeleid dat de wetgever de verhuurderheffing niet mogelijk en niet verantwoord achtte, indien de verhuurders geen inkomsten uit de IAH hadden. Uit de hiervoor – onder 3.8 – geciteerde parlementaire geschiedenis volgt dat de IAH, ook na de motie Essers, geen voorwaarde was voor de invoering van de verhuurderheffing en dat de wetgever geen formeel verband tussen een eventuele huurverhoging en de verhuurderheffing heeft beoogd. Dat de wetgever daarvan is teruggekomen, volgt, naar het oordeel van het Hof, niet uit de parlementaire geschiedenis, ook niet uit Kamerstukken II 2012/13, 32847, nr. 42 [het Woonakkoord, zie 5.18 hieronder; PJW].”

2.14

Nu invoering van de IAH geen voorwaarde was voor de verhuurderheffing, falen de stellingen (i)(a) en (i)(b), aldus het Hof (r.o. 3.13). Hij heeft vervolgens ook grond (i)c verworpen, omdat zijns inziens een vergelijking met box 3 mank gaat, nog daargelaten dat de wetgever – zoals bleek – niet veronderstelde dat de verhuurderheffing (geheel) zou worden bekostigd uit de IAH. Anders dan de box 3-heffing, wordt de verhuurderheffing niet geheven naar al dan niet fictieve huurinkomsten, noch naar enig gemiddeld inkomen, maar per individuele belastingplichtige naar de WOZ-waarde van diens sociale huurwoningen (r.o. 3.15). Ten overvloede meende het Hof dat op regelniveau een fair balance bestaat tussen de gevolgen van de verhuurderheffing en het doel ervan (r.o. 3.16). De verhuurderheffing en de veronderstellingen die de wetgever eraan ten grondslag heeft gelegd zijn niet evident van redelijke grond ontbloot, zodat de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid op fiscaal gebied is gebleven, aldus het Hof.

2.15

Het Hof heeft stelling (ii) verworpen omdat de wetgever zijns inziens voldoende voortvarendheid reparatiewetgeving heeft ingevoerd, ook al trad die pas per 1 januari 2020 in plaats van 1 januari 2019 in werking (r.o. 3.19). Tussen het wijzen van HR BNB 2018/144 (8 juni 2018) tot aan het eerstvolgende heffingsmoment (1 januari 2019) zaten (slechts) 6,5 maanden en de wetgever moet enige tijd worden gegund om een geconstateerd gebrek te beëindigen. Dat het de wetgever pas in november 2019 duidelijk werd dat HR BNB 2018/144 potentieel een substantiëler derving tot gevolg kon hebben, maakt dat niet anders. Belanghebbendes opvatting dat de wetgever de reparatie als spoedwet met terugwerkende kracht naar 1 januari 2019 had kunnen invoeren, leidt het Hof niet tot een ander oordeel.14

2.16

Het Hof heeft ook stelling (iii) verworpen omdat ook hij geen selectieve begunstiging zag, gegeven dat alle verhuurders recht hebben op de voetvrijstelling (r.o. 3.22-3.23). Die vrijstelling werkt als een drempelbedrag doordat bij verhuurders met meer dan 50 woningen van de totale WOZ-waarde 50 keer de gemiddelde WOZ-waarde wordt afgetrokken. Mede uit een oogpunt van administratieve lasten en uitvoeringskosten acht het Hof dat niet evident van redelijke grond ontbloot. De tariefverhoging die de wetgever (mede) ter compensatie van de verhoging van de voetvrijstelling heeft ingevoerd, is volgens het Hof zo gering dat zij niet kan worden beschouwd als onredelijke benadeling van de overige verhuurders.

2.17

Het Hof heeft belanghebbendes hoger beroep ongegrond verklaard.

3 Het geding in cassatie

3.1

Belanghebbende heeft tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. De partijen hebben hun zaak en de zaken van de overige 55 verhuurders die zich bij de ‘class action’ hebben gevoegd, ter zitting van 12 februari 2025 doen bepleiten door hun advocaten.

3.2

Ook in cassatie bestrijdt de belanghebbende de verhuurderheffing met de vijf stellingen weergegeven in 2.6 hierboven. Zij stelt tien cassatiemiddelen voor. De middelen (i) t/m (v) zien op de stellingen (i)a en (i)(b) (IAH was bestaansvoorwaarde voor de verhuurderheffing), middel (vi) op stelling (i)c (box 3-achtige willekeur), de middelen (vii) t/m (ix) op stelling (ii) (discriminatie van volle eigenaren in 2019) en middel (x) op stelling (iii) (de verhoging van de voetvrijstelling isdiscriminatoir). Volgens de belanghebbende heeft het Hof miskend dat:

(i) separaat beoordeeld had moeten worden (a) of de IAH staatssteun of discriminerend oplevert (‘eerste trap’) en (b) of de verhuurderheffing zonder flankerende IAH in strijd komt met art. 1 Protocol I EVRM doordat de IAH bestaansvoorwaarde was voor de verhuurderheffing (‘tweede trap’). Het Hof heeft slechts beoordeeld of een koppeling tussen de IAH en de verhuurderheffing bestaat (‘tweede trap’), wat volgens de belanghebbende ook een motiveringsgebrek is;15

(ii) ook het ‘afromen’ van de IAH een – secundaire – doel van de verhuurderheffing was, gezien de wetsgeschiedenis (r.o. 3.7). Reeds daaruit blijkt volgens de belanghebbende de koppeling van de verhuurderheffing aan de IAH;

(iii) de IAH wel degelijk voorwaarde was voor invoering van de verhuurderheffing en wel degelijk een formeel verband tussen de twee maatregelen is beoogd (r.o. 3.8). Het Hof heeft zich ten onrechte gebaseerd op parlementaire uitlatingen ter zake van de wetsvoorstellen 33407 (Wvh) en 33515 (novelle Wvh), die niet zien op de verhuurderheffing 2014 en latere jaren en bovendien achterhaald zijn door latere parlementaire uitlatingen over de wetsvoorstellen 33 756 (Wmw I) en 33 819 (Wmw II);16 De belanghebbende geeft niet concreet aan welke latere parlementaire uitlatingen welke eerdere uitlatingen hebben achterhaald;

(iv) de wetgever de motie-Essers integraal heeft uitgevoerd, die inhoudt dat de verhuurderheffing 2014 en later pas wordt ingevoerd als óók de IAH wordt ingevoerd (r.o. 3.12);

(v) de IAH als voorwaarde voor de Wmw II is gaan gelden (r.o. 3.12);

(vi) de verhuurderheffing wel degelijk het eigendomsgrondrecht schendt (r.o. 3.15 - 3.16) omdat de verhuurderheffing als doel heeft de IAH-inkomsten te belasten, op basis van veronderstelde IAH-inkomsten berekend naar WOZ-waarden, terwijl verhuurders in feite zeer wisselende inkomsten uit de IAH hebben.17 Net als bij box 3 ontbreekt daarom een fair balance op regelniveau;

(vii) volle en mede-eigenaren al vóór HR BNB 2018/144 ongelijk werden behandeld en de wetgever dus al vóór dat arrest had moeten ingrijpen;

(viii) de wetgever de reparatiewetgeving naar aanleiding van HR BNB 2018/144 onvoldoende voortvarend heeft ingevoerd;

(ix) voor de ongelijke behandeling van volle eigenaren in 2019 geen objectieve of redelijke rechtvaardiging bestaat; en

(x) de wetgever met de verhoging van de voetvrijstelling naar 50 woningen wel degelijk zijn beoordelingsruimte te buiten is gegaan, zodat het verdragsrechtelijke discriminatieverbod wel degelijk is geschonden (r.o. 3.22-3.23).

3.3

Alle middelen zien op alle drie de geschiljaren, behalve de middelen (vii) t/m (ix) (discriminatie van volle eigenaren), die alleen 2019 betreffen.18 Die middelen (vii) t/m (ix) zijn mijns inziens ongegrond; ik verwijs daartoe naar mijn conclusie19 in de bij u aanhangige zaak met nr. 23/03524. De belanghebbende stelt nog dat volle eigenaren ook vóór HR BNB 2018/144 al zouden zijn gediscrimineerd, namelijk ten opzichte van de mede-eigenaren die geen WOZ-beschikking ontvingen en dus onbelast bleven hoewel zij wél deels eigenaar waren. In de eerste plaats zie ik niet hoe deze stelling, die ziet op de periode vóór 8 juni 2018 (datum arrest HR BNB 2018/144), de belanghebbende dienstig kan zijn voor 2019. In de tweede plaats is ook die stelling in wezen al aangevoerd in de aanhangige zaak 23/03524 en in wezen al als ongegrond beoordeeld in de conclusie in die zaak:

“3.3 Ad (i) wijst de belanghebbende erop dat de wetgever tijdens de parlementaire behandeling van de WMW is gewezen op de ongelijke behandeling van mede-eigenaren onderling die uiteindelijk door u is gewraakt in HR BNB 2018/144, maar desondanks de discriminerende bepaling ongewijzigd heeft ingevoerd. Daarmee heeft de wetgever volgens haar ook bewust de daaruit uiteindelijk voortvloeiende en thans gewraakte ongelijke behandeling van volle eigenaren ten opzichte van mede-eigenaren aanvaard.

(…).

8.4

Belanghebbendes stelling dat het tijdelijk ongemoeid laten van mede-eigenaren niet zou volgen uit HR BNB 2018/144, lijkt mij onjuist. Zonder dat arrest zouden mede-eigenaren net als volle eigenaren belast zijn gebleven voor de waarde van de volle eigendom, zij het volgens een bij die mede-eigenaren willekeurige en daarmee discriminatoire aanwijsregel van één mede-eigenaar alsof hij volle eigenaar zou zijn, zonder regresregeling. Dat de medewetgever Kamervragen over een mogelijk willekeurig en daarmee discriminatoir effect van het desbetreffende art. 1.3 WMW op de heffing ten laste van mede-eigenaren tijdens de parlementaire behandeling ten onrechte heeft weggewuifd en die bepaling desondanks heeft ingevoerd, maakt dat niet anders. Anders dan de belanghebbende stelt, gaat het bij die bepaling immers uitsluitend om – bezien vanuit het doel van de heffing – ongelijke en willekeurige behandeling van mede-eigenaren onderling, die evenredig naar waarde-aandeel in de heffing betrokken zouden hebben moeten worden, net zoals volle eigenaren naar de volle waarde van hun eigendom belast werden. De willekeurige en daarmee onrechtmatige heffingsverdeling tussen mede-eigenaren had geen enkele invloed op de positie van volle eigenaren. Zij kunnen niet meeliften op onrechtmatigheid die uitsluitend jegens bepaalde mede-eigenaren bestond. Ik meen daarom dat klacht (i) doel mist. Discriminatie (ongerecht-vaardigde begunstiging) kan hoogstens zitten in het te lang laten lopen van mede-eigenaren.”

3.4

Gegeven de conclusie in de aanhangige zaak 23/03524 laat ik de - mijns inziens ongegronde - middelen (vii) t/m (ix) en het verweer daartegen hier onbesproken.

3.5

Bij verweer meent de Staatssecretaris ad argumenten (i)(a) en (i)(b) dat het Hof de juiste maatstaf heeft gebruikt en dat, nu er daardoor geen noodzakelijk verband bestaat tussen de IAH en de verhuurderheffing, de stellingen over staatssteun en discriminatie irrelevant zijn. Voor zover de middelen motiveringsklachten behelzen, miskent de belanghebbende dat het om een zuiver rechtsoordeel gaat. Ad stelling (i)c wijst de Staatssecretaris op twee arresten waarin uw eerste en derde kamer al hebben geoordeeld dat de verhuurderheffing de fair balance van het eigendomsgrondrecht niet schendt.20 Ook ad argument (iii) acht de Staatssecretaris ’s Hofs oordeel juist. De keuze van de wetgever om de voetvrijstelling te verhogen van 10 naar 50 woningen is niet van elke redelijke grond ontbloot en valt binnen de ruime beoordelingsvrijheid die de nationale wetgever in belastingzaken toekomt.

Pleidooi namens de belanghebbende

3.6

Op uw zitting van 12 februari 2025 heeft mr. Z.H. van Dorth tot Medler namens de belanghebbende en de 55 andere belanghebbenden een pleitnota overgelegd en voorgedragen. Hij persisteerde bij de eerder in deze ‘class action’ ingenomen standpunten en lichtte die toe aan de hand van een graphic met tijdlijn/stroomschema van de parlementaire geschiedenis(sen) van de verhuurderheffing. Desgevraagd heeft hij verklaard dat de staatssteun er vooral in zit dat verhuurders met veel scheefwoners versneld woningen kunnen liberaliseren en daarmee hun belastingplicht verminderen omdat geliberaliseerde woningen uit de heffingsgrondslag verdwijnen, maar niet alleen daarin: verhuurders met veel scheefhuurders ontvangen hoe dan ook extra huurinkomsten.

Op de vraag wat het beoogde gevolg van het staatssteunargument is, gegeven dat staatssteun tot tien jaar terug teruggevorderd moet worden, antwoordde hij dat de rechter de staatssteun zou moeten ‘opschorten’.

Pleidooi namens de Staatssecretaris

3.7

Namens de Staatssecretaris heeft mr. M.E.A. Möhring een pleitnota overgelegd en voor-gedragen. De IAH was volgens haar geen voorwaarde voor de verhuurderheffing, zoals haars inziens volgt uit de verwerping van een amendement dat een verhuurder die geen verhuurderheffing betaalt, zou verbieden om de huurverhoging aan scheefwoners op te leggen.21 Waar de wetsgeschiedenis huurprijsverhoging noemt, gaat het volgens haar niet alleen om IAH, maar ook om de reguliere huurverhoging van 1,5% boven inflatie. Zij wees op parlementaire uitlatingen van zowel vóór als na de motie-Essers en benadrukte dat niet alle partijen die die motie steunden ook instemden met de ‘randvoorwaarden’ in de motie. Voor de SP, GroenLinks en de PVV was de essentie dat 2014 e.v. werd ontkoppeld van 2013. Het ging vooral om de investeringskracht van verhuurders en de regering heeft dan ook geen randvoorwaarden opgenomen in de Wmw II.

De IAH kan volgens haar niet door de belastingrechter worden getoetst, laat staan buiten toepassing worden verklaard, omdat de IAH niet ten grondslag ligt aan de heffing en de belanghebbende ook geen belang heeft bij buitentoepassinglating. Op de vraag, waarom Financiën zo lang deed over reparatie na HR BNB 2018/144, antwoordde zij dat meer opties zijn onderzocht en het heffingsgat niet groter dan € 1 miljoen per jaar leek.

3.8

In reactie op het pleidooi namens de Staatssecretaris repliceerde mr. Z.H. van Dorth tot Medler dat de belastingrechter wel degelijk een oordeel over de IAH kan geven omdat ook de Belastingdienst ‘betrokken’ is bij de IAH.22

4 Wet- en regelgeving (tekst 2019, 2020 en 2021)

5 De parlementaire geschiedenis van de verhuurderheffing

6 Rechtspraak

7 Beoordeling

8 Conclusie