Parket bij de Hoge Raad, 28-02-2025, ECLI:NL:PHR:2025:266, 24/01229
Parket bij de Hoge Raad, 28-02-2025, ECLI:NL:PHR:2025:266, 24/01229
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 28 februari 2025
- Datum publicatie
- 14 maart 2025
- Annotator
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:266
- Zaaknummer
- 24/01229
Inhoudsindicatie
Laattijdig ingediende stukken, buiten beschouwing laten, gedingstukken, naheffingsaanslag accijns, onschuldpresumptie
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01229
Datum 28 februari 2025
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Accijns 2011 - 2013
Nr. Gerechtshof 22/489
Nr. Rechtbank 18/2042
CONCLUSIE
R.J. Koopman
In de zaak van
[X]
tegen
staatssecretaris van Financiën c.s.
1 Inleiding
Deze zaak gaat over een schipper van een viskotter die onveraccijnsde sigaretten als proviand aan boord heeft genomen. Volgens de Inspecteur zijn die sigaretten weer aan land gebracht en doorverkocht. Daarom is van deze schipper (de belanghebbende) tabaksaccijns nageheven.
Tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoort een FIOD-dossier. De Inspecteur had bij de Rechtbank eerst alleen een selectie van stukken uit dat FIOD-dossier overgelegd. Kort voor de zitting overlegde hij het gehele FIOD-dossier. Dat was volgens de Rechtbank te laat en daarom liet de Rechtbank de te laat overgelegde delen van het FIOD-dossier buiten beschouwing.
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. Daarop heeft de griffier van de Rechtbank het procesdossier, inclusief het FIOD-dossier, toegezonden aan de griffier van het Hof. De Inspecteur heeft het FIOD-dossier in hoger beroep niet opnieuw ingebracht. Het Hof heeft geoordeeld dat het FIOD-dossier tot de gedingstukken behoort en terecht door de Rechtbank aan het Hof is gezonden. Belanghebbende klaagt hierover in cassatie.
Ik neem in deze zaak conclusie vanwege de manier waarop met het FIOD-dossier is omgegaan. De vraag rijst namelijk of een door de rechtbank buiten beschouwing gelaten stuk een gedingstuk is dat door de griffier van de rechtbank ter beschikking gesteld moet worden aan de griffier van de hogerberoepsrechter.
De rechter kan op grond van art. 8:31 Awb uit het niet voldoen aan een verplichting om (tijdig) stukken te overleggen de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. Op basis van deze wetsbepaling kan de rechter (te) laat ingediende stukken buiten beschouwing laten of weigeren (4.2 tot en met 4.10).
De begrippen weigeren en buiten beschouwing laten hebben naar mijn gevoel in het spraakgebruik niet precies dezelfde betekenis. Als de rechter stukken weigert lijkt dit te impliceren dat hij de stukken niet in ontvangst neemt en dat die stukken dus ook niet in het dossier terecht komen. Wanneer de rechter echter zegt dat hij stukken buiten beschouwing laat, wordt naar mijn gevoel de indruk gewekt dat hij de stukken wel in ontvangst neemt en dus ook (in fysieke zin) in het dossier legt. Hij kijkt er alleen niet naar. Juridisch gezien is echter niet klip-en-klaar of geweigerde en buiten beschouwing gelaten stukken gerekend moeten of mogen worden tot de gedingstukken in de in de zin van art. 8:107(2) Awb. De Hoge Raad zal daarover in deze zaak kunnen beslissen.
Mijn voorkeur gaat ernaar de rechter de vrijheid te laten stukken die worden geweigerd of buiten beschouwing worden gelaten toch tot de gedingstukken te rekenen die op grond van art. 8:107(2) Awb naar de hogerberoepsrechter worden gezonden. Het is wel wenselijk dat de rechter partijen duidelijk maakt welk besluit hij heeft genomen met betrekking tot de stuken waar hij niet meer naar lijkt: legt hij ze wel of niet in het procesdossier? Proceseconomisch heeft het wel in het dossier leggen van die stukken als voordeel dat zij in hoger beroep niet opnieuw hoeven te worden ingediend. Zij worden door de griffier doorgezonden aan de volgende instantie. Met name voor art. 8:42 Awb-stukken heeft dit tot gevolg dat de hogerberoepsrechter de inspecteur niet (opnieuw) om toezending van deze stukken hoeft te verzoeken (hoofdstuk 4). Het weigeren of buiten beschouwing laten van de in art. 8:42 Awb bedoelde op de zaak betrekking hebbende stukken lijkt mij overigens in het algemeen niet de aangewezen reactie op overschrijding van de indieningstermijn (4.32 tot en met 4.35).
Middel I bestrijdt het oordeel van het Hof dat de Rechtbank de te laat ingediende FIOD-stukken terecht naar het Hof heeft doorgezonden omdat de Rechtbank alleen heeft beslist dat zij die stukken niet in haar beoordeling van de zaak betrekt en zij niet heeft beslist het dat zij die stukken niet tot de gedingstukken rekent. Dit oordeel van het Hof geeft mijns inziens niet blijk van een verkeerde rechtsopvatting. Het oordeel is naar ik meen ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Ik ben daarom van mening dat middel I faalt (5.1 tot en met 5.8).
In het tweede middel van cassatie klaagt belanghebbende dat de onschuldpresumptie wordt geschonden. Dit middel is gericht tegen de overweging van het Hof dat het Hof niet heeft geoordeeld dat belanghebbende opzettelijk in strijd met een verbod uit de Wet op de accijns (WA) heeft gehandeld, zoals in de strafzaak aan hem ten laste is gelegd. Het Hof overwoog dat opzet in deze fiscale zaak ook niet aan de orde is, omdat dit irrelevant is voor de verschuldigdheid van accijns. Het Hof heeft geoordeeld dat reeds daarom zijn uitspraak geen twijfel kan oproepen over de onschuld van belanghebbende ten aanzien van hetgeen waarvan hij in de strafzaak is vrijgesproken. Ik zie niet in op welke wijze de uitspraken van de Rechtbank en het Hof in de fiscale procedure twijfel zouden oproepen over de vrijspraak van deelname aan een criminele organisatie. Van vrijspraak ten aanzien van het opzettelijk voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten en/of rooktabak is geen sprake. Er is naar mijn mening geen door de onschuldpresumptie en het arrest Melo Tadeu verboden discrepantie tussen de fiscale uitspraken en de strafrechtelijke beslissingen. Mijns inziens falen ook de overige klachten opgenomen in de toelichting op middel II (5.9 tot en met 5.17).
Ik geef de Hoge Raad daarom in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.
2 De feiten en het geding in feitelijke instanties
Belanghebbende is visser en schipper/gezagvoerder van de viskotter [A] (viskotter). De viskotter is ondergebracht in [J] GmbH. Belanghebbende is samen met [C] (broer) en [D] (vader) firmant van V.O.F. [B] (vof).1
De strafzaak
De Dienst Nationale Recherche (DNR) heeft vanaf maart 2011 een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd onder de naam ‘Higgins’. Dit onderzoek was gericht op de vermoede invoer van verdovende middelen waarbij onder anderen belanghebbende en zijn broer betrokken zouden zijn. Binnen het onderzoek was het vermoeden gerezen dat belanghebbende en zijn broer zich (ook) schuldig maakten aan (grootschalige) handel in illegale sigaretten. Bij brief van 6 maart 2013 heeft de Officier van Justitie het proces-verbaal van bevindingen van de DNR ter beschikking gesteld aan de FIOD. Hij heeft daarbij toestemming gegeven voor het gebruik van de relevante gegevens uit het proces-verbaal, aangezien mogelijk strafbare feiten worden gepleegd die niet passen binnen de doelstelling van het onderzoek ‘Higgins’.
Naar aanleiding van het onder 2.2 genoemde proces-verbaal is de FIOD op 28 maart 2013 een onderzoek gestart onder de naam ‘Kastanje’ naar de vermoedelijke smokkel van, en handel in, onveraccijnsde sigaretten, rooktabak en alcoholhoudende dranken.
Belanghebbende is door het Openbaar Ministerie strafrechtelijk vervolgd. Hem werd ten laste gelegd – voor zover relevant voor deze fiscale procedure, en zeer kort samengevat – deelname aan een criminele organisatie in de periode 1 augustus 2010 tot en met 14 januari 2014 (feit 6), en het opzettelijk voorhanden hebben van een grote hoeveelheid onveraccijnsde sigaretten en/of rooktabak op een op meer tijdstippen in of omstreeks de periode 25 oktober 2012 tot en met 21 mei 2013 (Zaak C). De tenlasteleggingen luidden:2
“feit 6
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2010 tot en met 14 januari 2014, te [Q] en/of [R] en/of [S] en/of [T] en/of [U] en/of [V] en/of [W] en/of [QQ] en/of [RR], althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit (onder meer) hem zelf, verdachte, en/of [X] en/of [C] en/of [D] en/of [E] en/of VOF [B] en/of één of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het opzettelijk plegen van misdrijven, te weten:
- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder A en/of onder B en/of onder C van de Opiumwet gegeven verbod, en/of
- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder A en/of onder B en/of onder C van de Opiumwet gegeven verbod en/of
- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 420bis van het wetboek van strafrecht gegeven verbod en/of
- opzettelijk handelen in strijd met artikel 10:1 lid 1 en 2 van de Algemene Douanewet en/of
- opzettelijk handelen in strijd met artikel art. 5 en 97 van de Wet op de accijns en/of
- opzettelijke voorbereiding van en/of uitlokking van en/of poging tot en/of medeplichtigheid aan en/of tot eerdergenoemde misdrijven;”
“Zaak C
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 oktober 2012 tot en met 21 mei 2013 te [TT] en/of [Q] , gemeente [...] en/of [SS], gemeente [...], en/of [T] , in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander of anderen, en/of alleen, opzettelijk een accijnsgoed, te weten een grote hoeveelheid sigaretten en/of rooktabak, voorhanden heeft gehad, dat niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was betrokken.”
De rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis van 31 mei 2016 belanghebbende vrijgesproken van het ten laste gelegde onder feit 6.3 Hiertoe heeft zij onder meer overwogen:
“Feit 6
Bij de beoordeling van de vraag of verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, hanteert de rechtbank de volgende uitgangspunten.
(…)
Deelneming aan de organisatie is hier de strafbaar gestelde gedraging. (…).
(…)
De vraag die met inachtneming van deze algemene uitgangspunten en criteria in casu beantwoord moet worden is of uit de verzameling van gegevens die als de resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het strafdossier alsmede uit de informatie die het onderzoek ter terechtzitting heeft opgeleverd, in voldoende mate onderbouwd kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband van een aard en duur, dat voldaan wordt aan de hierboven voor het bestaan van een criminele organisatie gestelde voorwaarden. Onderzocht en vastgesteld zal moeten worden of sprake is geweest van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven.
(…)
Kastanje
[C] en verdachte hebben zich binnen de ten laste gelegde periode schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en invoeren van tabak, zonder daarover accijns af te dragen. Uit het dossier blijkt niet dat zij dit in een nauwe en bewuste samenwerking met elkaar of de overige medeverdachten hebben gedaan. Weliswaar zullen zij als medevennoten van VOF [B] en als broers, gebruik makend van dezelfde leveranciers ( [G] en [H] ) en afnemer ( [F] ), het feit niet geheel onafhankelijk van elkaar hebben gepleegd, maar dat is niet voldoende om een dergelijke samenwerking uit te kunnen construeren. De VOF heeft in zoverre een rol van betekenis, dat de tabak op naam van de VOF wordt besteld en aan haar viskotters wordt geleverd, maar dat komt weinig zelfstandige betekenis toe. [D] beheert de financiën van de VOF en beschikt uit dien hoofde over een aantal facturen van de leveranciers, maar voor verdergaande betrokkenheid bij dit delict biedt het dossier onvoldoende grondslag.
(…)
Slotsom
Resumerend stelt de rechtbank het volgende vast.
(…)
Dat er sprake is van een structurele samenwerking tussen verdachte, [D] en [C] - als vennoten van VOF [B] - en [E] , is op zichzelf juist.
Genoemde vennoten oefenen een visserijbedrijf uit en [E] is daar gedurende geruime tijd minstens zijdelings bij betrokken geweest. Daaruit volgt evenwel niet dat er sprake is van een organisatie die als oogmerk heeft het plegen van strafbare feiten. Met name verdachte heeft in de ten laste gelegde periode meerdere misdrijven gepleegd (Andromeda, Kastanje en BMW), maar daar zijn telkens verschillende personen bij betrokken geweest, al dan niet als medeplegers. Er kan dan ook niet worden gesproken van een voortdurende coördinatie en afstemming tussen verdachte en medeverdachten met het oog op het bereiken van een gemeenschappelijk verboden doel, zodat verdachte van deelneming aan een criminele organisatie moet worden vrijgesproken.”
Het gerechtshof kwam tot een bewezenverklaring van hetgeen belanghebbende in Zaak C ten laste gelegd was:
“(…)
Het voorgaande laat geen andere conclusie toe dan dat de verdachte in de ten laste gelegde periode meermalen grote hoeveelheden sigaretten en overige rookwaar heeft besteld. Deze onveraccijnsde sigaretten en overige rookwaar heeft hij – zo heeft [F] verklaard en dit vindt ook bevestiging in de observaties en de telefoongesprekken – aan [F] of aan onbekend gebleven derden overgedragen/geleverd. Daarnaast heeft de verdachte geleverd aan [K] en [L] , in de periode 25 oktober 2012 – 30 oktober 2012 en op 6 november 2012. Dit waren steeds onveraccijnsde sigaretten hetgeen het hof afleidt uit de gesprekken in combinatie met de observaties waaruit blijkt dat de sigaretten van boord gingen zonder dat eerst het douanekantoor werd aangedaan en in het geval van 21 mei 2013 uit het feit dat de sigaretten in het geheel niet aan boord van het schip zijn geweest. In dit verband komt eveneens betekenis toe aan het feit dat bij [F] onveraccijnsde sigaretten en overige rookwaar zijn aangetroffen.
Eindconclusie
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak C ten laste gelegde heeft begaan, een en ander op een wijze zoals hierna bewezen is verklaard.”
In hoger beroep in de strafprocedure heeft gerechtshof Amsterdam verschillende ten laste gelegde feiten, waaronder hetgeen in Zaak C ten laste gelegd was, bewezen verklaard, belanghebbende strafbaar verklaard en aan belanghebbende als straf een gevangenisstraf opgelegd van 40 maanden.
De Hoge Raad heeft het tegen dit arrest van het gerechtshof Amsterdam ingestelde cassatieberoep op 16 februari 2021 verworpen.4
De naheffingsaanslag en het bezwaar
Nadat de (strafkamer van de) rechtbank Noord-Holland haar vonnis van 31 mei 2016 had gewezen, heeft de Inspecteur op 24 november 2016 belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag accijns. Bij brief van 8 december 2016 heeft belanghebbende hierop gereageerd. Op zijn beurt heeft de Inspecteur bij brief van 22 december 2016 gereageerd op de brief van belanghebbende. Vervolgens heeft hij op 29 december 2018 aan belanghebbende een naheffingsaanslag accijns van € 245.845 opgelegd over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013.5 Dat is de naheffingsaanslag waarover deze procedure gaat.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag.
De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank.
Rechtbank Noord-Holland 6
Voor de Rechtbank was in geschil of alle op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van art. 8:42 Awb (tijdig) zijn overgelegd. Voorts was in geschil of belanghebbende de in de naheffingsaanslag betrokken sigaretten en rooktabak voorhanden heeft gehad, dan wel of hij betrokken is geweest bij dit voorhanden hebben.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
De Rechtbank heeft overwogen dat de Inspecteur bij brief van 23 februari 2022 zonder enige toelichting het gehele FIOD-dossier heeft overgelegd. Ter zitting, op 10 maart 2022, heeft de Inspecteur ter toelichting op de gang van zaken opgemerkt dat het gehele FIOD-dossier bij het verweerschrift overgelegd had moeten worden en dat hij bij het opleggen van de naheffingsaanslag en gedurende de bezwaarprocedure reeds de beschikking had over het gehele FIOD-dossier.
De Rechtbank heeft partijen ter zitting als tussenbeslissing medegedeeld dat het door de Inspecteur in eerste instantie overleggen van enkel een selectie van de op de zaak betrekking hebbende stukken in strijd is met het bepaalde in art. 8:42(1) Awb. Niet is in geschil dat het gehele FIOD-dossier een op de zaak betrekking hebbend stuk is. Door het eerst overleggen van het gehele FIOD-dossier vlak voor de zitting, terwijl de Inspecteur daarover al veel eerder beschikking had, is de goede procesorde geschonden. Hieraan heeft de Rechtbank het gevolg verbonden dat de stukken van het FIOD-dossier die eerst op 23 februari 2022 zijn overgelegd buiten beschouwing zullen worden gelaten en heeft de Rechtbank aan partijen medegedeeld dat de betreffende stukken niet in de beoordeling worden betrokken.
Naheffingsaanslag
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het door hem gestelde belastbare feit zich heeft voorgedaan. Het gaat daarbij om het voorhanden hebben, dan wel het betrokken zijn bij het voorhanden hebben, van onveraccijnsde accijnsgoederen. Uit de administratie van de leveranciers van belanghebbende komt naar voren dat aan belanghebbende grote hoeveelheden sigaretten en rooktabak zijn geleverd waarover geen belastingen en accijnzen zijn afgedragen. Deze hoeveelheden gingen ver boven de hoeveelheid aan sigaretten en rooktabak die volgens de provianderingsregels voor uitgaande vissersschepen vrij van onder meer accijns per bemanningslid van 17 jaar of ouder mag worden geproviandeerd.7 De Rechtbank heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
Gerechtshof Amsterdam 8
Voor het Hof was in geschil of het FIOD-dossier tot de gedingstukken behoorde, of de Inspecteur de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en of de naheffingsaanslag accijns en de rentebeschikkingen terecht zijn opgelegd.
FIOD-dossier en de op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende heeft op zitting betoogd dat het FIOD-dossier door de beslissing van de Rechtbank niet tot de stukken van het geding behoort. Voorts meent belanghebbende dat door ontbreken van inzage in de stukken en door ‘cherry picking’ het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel geschonden. Belanghebbende heeft desgevraagd verklaard wel over het FIOD-dossier te beschikken.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende eraan voorbij gaat dat de Rechtbank niet meer heeft beslist dan dat zij het FIOD-dossier niet in haar beoordeling van de zaak betrekt voor zover dat laattijdig is ingediend. De Rechtbank heeft niet beslist het dossier niet tot de gedingstukken te rekenen. De Rechtbank heeft daarom volgens het Hof terecht het gehele FIOD-dossier aan het Hof gezonden, als onderdeel van de gedingstukken in eerste aanleg.
Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende niet in zijn verdedigingsrechten is geschaad. Belanghebbende had beschikking over het FIOD-dossier, waardoor er geen grond bestaat om het FIOD-dossier buiten beschouwing te laten.
Naheffingsaanslag
Naar oordeel van het Hof kan het op basis van de vaststaande feiten en de stukken die de Rechtbank bij haar beoordeling heeft betrokken aannemelijk worden geacht dat belanghebbende onveraccijnsde tabakswaren voorhanden heeft gehad of althans daarbij betrokken is geweest. Het Hof heeft het oordeel van de Rechtbank onderschreven.
Het Hof heeft voorts ten aanzien van de naheffingsaanslag overwogen dat het niet heeft geoordeeld dat belanghebbende opzettelijk in strijd met een verbod uit de WA heeft gehandeld, zoals in de strafzaak aan hem ten laste is gelegd. Opzet is in deze fiscale zaak niet aan de orde, dit is irrelevant voor de verschuldigdheid van accijns. De uitspraak kan daarom volgens het Hof geen twijfel oproepen over de onschuld van belanghebbende ten aanzien van hetgeen waarvan hij in de strafzaak is vrijgesproken. Ditzelfde geldt volgens het Hof voor de uitspraak van de Rechtbank.
3 Het geding in cassatie
Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Ook de minister van Justitie en Veiligheid (de minister van J&V) heeft een verweerschrift ingediend.
Beroep in cassatie van belanghebbende
Belanghebbende komt in cassatie met twee middelen op tegen de uitspraak van het Hof.
Met het eerste middel bestrijdt belanghebbende het oordeel van het Hof (overweging 4.1.3) dat de Rechtbank niet heeft beslist het FIOD-dossier niet tot de gedingstukken te rekenen en dat daarom terecht het gehele FIOD-dossier aan het Hof is toegezonden. Belanghebbende wijst er op dat de Rechtbank het FIOD-dossier wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing heeft gelaten. In de toelichting op het middel voert belanghebbende aan dat de Awb geen antwoord geeft op de vraag welk rechtsgevolg kleeft aan het buiten beschouwing laten van laattijdig ingediende stukken. Belanghebbende meent dat die stukken niet tot de gedingstukken behoren. Volgens belanghebbende valt steun voor die opvatting te ontlenen aan het Wetboek van rechtsvordering en aan het burgerlijk procesrecht.9 Het doorsturen van het gehele dossier door de Rechtbank naar het Hof is volgens belanghebbende voorts in strijd met art. 8:107(2) Awb.
Voor zover het Hof het FIOD-dossier wel tot de gedingstukken mocht rekenen, klaagt belanghebbende dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om inhoudelijk te reageren op het FIOD-dossier. Voorts meent belanghebbende dat het onbegrijpelijk is dat het Hof heeft overwogen dat hij niet in zijn verdedigingsbelangen is geschaad. In de samenvatting waarmee belanghebbende de toelichting afsluit, neemt belanghebbende de stelling in dat het oordeel van het Hof dat het op basis van de vaststaande feiten en de stukken die de Rechtbank bij haar beoordeling heeft betrokken wel degelijk aannemelijk kan worden geacht dat belanghebbende onveraccijnsde tabakswaren voorhanden heeft gehad (of daarbij betrokken is geweest) volstrekt onjuist en onbegrijpelijk is.
Het tweede middel richt zich tegen het oordeel van het Hof (overweging 4.12) dat de uitspraak geen twijfel kan oproepen over de onschuld van belanghebbende ten aanzien van hetgeen waarvan hij in de strafzaak is vrijgesproken. In de toelichting op het middel voert belanghebbende aan dat de veroordeling in de strafzaak is gebaseerd op het FIOD-dossier en is beperkt tot een aantal specifieke momenten gedurende de periode 25 oktober 2012 tot en met 21 mei 2013. De naheffingsaanslag is gebaseerd op een veel ruimere periode. Voorts lijkt het Hof volgens belanghebbende de vrijspraak in eerste aanleg in de strafprocedure te negeren.
In de toelichting op het tweede middel klaagt belanghebbende voorts over het oordeel van het Hof dat het op basis van de vaststaande feiten en de stukken die de Rechtbank bij haar beoordeling heeft betrokken aannemelijk is dat belanghebbende onveraccijnsde tabakswaren voorhanden heeft gehad (of daarbij betrokken is geweest). Volgens belanghebbende is dit oordeel onjuist en onbegrijpelijk. Belanghebbende betoogt daartoe dat het Hof ter onderbouwing verwijst naar het oordeel van de Rechtbank en de Rechtbank haar oordeel slechts op drie stukken heeft gebaseerd. Volgens belanghebbende heeft het Hof voorts onjuist en onbegrijpelijk geoordeeld over de hoeveelheid sigaretten en rooktabak. Die hoeveelheden worden volgens belanghebbende niet door de gedingstukken in hoger beroep onderbouwd. Belanghebbende klaagt daarnaast dat uit de uitspraak niet blijkt dat zijn stellingen zijn beoordeeld.
Verweer van de Staatssecretaris
Ten aanzien van het eerste middel verweert de Staatssecretaris zich met de stelling dat vaststaat dat het FIOD-dossier behoort tot de op de zaak betrekking hebbende stukken en dat het daarom ook, op grond van titel 8.2 Awb, onderdeel dient uit te maken van de behandeling in beroep en hoger beroep. Voorts voert de Staatssecretaris aan dat de Rechtbank er niet voor heeft gekozen te weigeren om het gedingstuk in behandeling te nemen. Uit proceseconomisch oogpunt is van belang dat hiermee voorkomen wordt dat het Hof om het FIOD-dossier moest verzoeken, gelet op de status van het FIOD-dossier als op de zaak betrekking hebbend stuk. De Staatssecretaris meent dat belanghebbende hierdoor niet in zijn verdediging wordt geschaad. Belanghebbende had beschikking over het FIOD-dossier; van overrompeling in de hogerberoepsfase kan geen sprake zijn.
De Staatssecretaris voert ten aanzien van het tweede middel aan dat voor de accijnsprocedure de aan- of afwezigheid van (voorwaardelijk) opzet in het geheel geen relevant gegeven is, terwijl een strafrechtelijke vrijspraak kan zijn terug te voeren op het ontbreken daarvan. Volgens de Staatssecretaris geeft het oordeel van het Hof geen blijk van onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.
Verweer van de minister van J&V
De minister van J&V (de Minister) heeft, na daartoe in gelegenheid te zijn gesteld, een verweerschrift ingediend. De inhoud van dit verweerschrift geeft mij geen aanleiding om daarop in deze conclusie in te gaan, behalve dan dat de Minister belanghebbende aanduidt als ‘cassant’. Dat woord kende ik nog niet. In Van Dale staat het woord cassant omschreven als een bijvoeglijk naamwoord met de betekenis “BE10 overmatig kritisch, bits, ≈ scherp”. Ik zou dit begrip daarom niet willen aanbevelen als neutrale aanduiding van degene die beroep in cassatie instelt.