Home

Parket bij de Hoge Raad, 14-03-2025, ECLI:NL:PHR:2025:323, 24/02365, 24/02364

Parket bij de Hoge Raad, 14-03-2025, ECLI:NL:PHR:2025:323, 24/02365, 24/02364

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14 maart 2025
Datum publicatie
28 maart 2025
Annotator
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:323
Zaaknummer
24/02365

Inhoudsindicatie

Loonheffing. Besluit noodmaatregelen coronacrisis. Uitleg beleid. Objectieve-beschouwingmaatstaf. Geldt goedkeurend corona-beleid voor reiskostenvergoedingen alleen voor reiskostenvergoedingen die zijn toegekend vóór 13 maart 2020, hoewel de goedkeuring niet met zoveel woorden die afbakening kent?

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummers 24/02364 en 24/02365

Datum 14 maart 2025

Belastingkamer B

Onderwerp/tijdvak Loonheffing 2020

Nrs. Gerechtshof 23/484 en 23/485

Nrs. Rechtbank HAA 22/3133 en 22/3779

CONCLUSIE

M.R.T. Pauwels

In de zaken van

Gemeente [X1] (belanghebbende 1), en

Gemeente [X2] (belanghebbende 2)

(hierna tezamen ook: belanghebbenden)

tegen

staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris)

1 Inleiding en overzicht

1.1

In dit document neem ik conclusie in twee zaken, namelijk de zaak van belanghebbende 1 en de zaak van belanghebbende 2, beiden tegen de Staatssecretaris. Aanleiding om de zaken in één conclusie te behandelen is dat de zaken gedurende het bezwaar, het beroep en het hoger beroep steeds gezamenlijk zijn behandeld. Verder zijn de geschilpunten in cassatie hetzelfde, met dien verstande dat in de zaak van belanghebbende 1 één cassatiemiddel meer is voorgesteld. Ook is het relevante feitencomplex hetzelfde. Voorts zijn de bestreden uitspraken van het Hof inhoudelijk gelijkluidend alsook de stukken in cassatie (afgezien van het extra middel). Gezamenlijke behandeling ontmoet bovendien geen bezwaar van partijen, althans de gemachtigde van belanghebbenden verzoekt zelfs om samenvoeging en uit de verweerschriften in cassatie kan ik niet opmaken dat de Staatssecretaris daar bezwaar tegen heeft.

1.2

In deze conclusie neem ik – tenzij anders vermeld of uit de context anders blijkt – als uitgangspunt de zaak van belanghebbende 1. Voor de leesbaarheid spreek ik hierna over ‘belanghebbende’. Her en der neem ik in een voetnoot informatie op over de zaak van belanghebbende 2 indien dat relevant is.

De kern

1.3

Het belangrijkste geschilpunt in deze zaak betreft de uitleg van een goedkeuring in een (beleids)besluit van 14 april 2020 in verband met de coronacrisis.

1.4

Het geschil gaat over de loonheffing die van belanghebbende is geheven over een deel van de reiskostenvergoedingen die belanghebbende aan haar werknemers heeft betaald in 2020. De reiskostenvergoedingen waarover het geschil gaat, zijn (aanvullende) vaste reiskostenvergoedingen waarvoor werknemers de keuze in het kader van een IKB-regeling ná 12 maart 2020 hebben gemaakt.

1.5

Niet in geschil is dat op grond van de Wet LB geen aanspraak kan worden gemaakt op de gerichte vrijstelling voor die reiskostenvergoedingen, omdat niet is voldaan aan de 128-dagenvoorwaarde. In geschil is of belanghebbende voor die reiskostenvergoedingen een beroep kan doen op een goedkeuring in het besluit van 14 april 2020 (met terugwerkende kracht tot en met 12 maart 2020) inhoudende “dat een werkgever gedurende de werking van dit besluit voor een vaste reiskostenvergoeding geen gevolgen verbindt aan een wijziging in het reispatroon van een werknemer”. Bij een (beleids)besluit van 16 juni 2020 is de goedkeuring ‘verduidelijkt’, onder meer door in de toelichting te vermelden dat de goedkeuring alleen ziet op vaste vergoedingen waarop de werknemer uiterlijk op 12 maart 2020 een onvoorwaardelijk recht kreeg.

1.6

De feitenrechtspraak is verdeeld over de wijze waarop de goedkeuring in het besluit van 14 april 2020 moet worden uitgelegd. De Rechtbank en het Hof hebben in deze zaak de uitleg die de Inspecteur voorstaat juist geacht. Het Hof heeft geoordeeld dat de goedkeuring alleen ziet op (het ongewijzigd door laten lopen van) vaste reiskostenvergoedingen die reeds vóór 13 maart 2020 waren toegekend.

1.7

Hoewel ik de uitleg van het Hof zeker verdedigbaar vind, kom ik tot een andere uitleg. Daarbij weegt zwaar mee dat noch in de goedkeuring als zodanig noch in de tekst eromheen met zoveel woorden de afbakening tot vaste reiskostenvergoedingen die reeds vóór 13 maart 2020 waren toegekend, tot uitdrukking is gebracht. Het is bovendien verenigbaar met passages in de tekst eromheen indien de goedkeuring zo wordt opgevat dat zij ook betrekking heeft op reiskostenvergoedingen die na 12 maart 2020 zijn toegekend.

1.8

Wel meen ik dat na het – op 18 juni 2020 gepubliceerde – besluit van 16 juni 2020 duidelijk is dat de goedkeuring is beperkt. Dat besluit kan weliswaar niet het gerechtvaardigde vertrouwen wegnemen dat aan het besluit van 14 april 2020 mocht worden ontleend, maar het besluit brengt wel mee dat belanghebbende ter zake van reiskostenvergoedingen waarvoor haar werknemers de keuze hebben gemaakt na 18 juni 2020, niet met succes een beroep op de goedkeuring kan doen.

1.9

Dit een en ander betekent dat middel I van het beroep in cassatie van belanghebbende slaagt voor zover het gaat om reiskostenvergoedingen waarvoor haar werknemers de keuze hebben gemaakt vóór 19 juni 2020.

1.10

De overige middelen hoeven geen behandeling of falen.

Zaaksoverstijgend belang?

1.11

Het zaaksoverstijgend belang van de uitleg van de onderhavige besluiten is beperkt. De goedkeuring is namelijk inmiddels vervallen. Wel zijn er nog enige andere procedures aanhangig. Deze zaak kan niettemin nog een zaaksoverstijgend belang hebben wat betreft de wijze van uitleg van een beleidsregel.

Opbouw

1.12

Onderdeel 3 gaat in op de onderhavige goedkeurig in de verschillende versies van het Besluit noodmaatregelen coronacrisis, waaronder het besluit van 14 april 2020 en het besluit van 16 juni 2020 (3.1-3.7), de ontvangst van die goedkeuring en de verduidelijking daarvan in de praktijk (3.8-3.11), en feitenrechtspraak over de uitleg van de goedkeuring (3.12-3.20).

1.13

Onderdeel 4behandelt rechtspraak over uitleg van beleid. Aan de orde komen de taak van de Hoge Raad (4.1-4.3), de maatstaf voor uitleg (4.4-4.10), enige casuïstiek (4.11-4.22) en de parallel met uitleg van overeenkomsten volgens de CAO-norm (4.23-4.25).

1.14

In onderdeel 5 volgt mijn beschouwing. Ik start met twee meer algemene thema’s, te weten de vraag wat nu het objectieve is bij de objectieve-beschouwingmaatstaf (5.2-5.7) en de vraag wat de relevantie is van de ‘in dubio’-uitlegregel van HR BNB 1980/218 voor de onderhavige uitlegkwestie (5.8-5.11). Daarna volgt de kern: de uitleg van de goedkeuring in het besluit van 14 april 2020 (5.12-5.23) en de betekenis van het besluit van 16 juni 2020 voor deze zaak (5.24-5.32), afgesloten met een conclusie met betrekking tot middel I (5.33). Tot slot komen de overige middelen aan bod (5.34-5.43).

1.15

In onderdeel 6 volgt een beoordeling van de middelen aan de hand van mijn beschouwing.

Conclusie

1.16

Het beroep in cassatie van ieder van belanghebbenden is gegrond.

2 Het geschil, de oordelen in feitelijke instanties en het geschil in cassatie

2.1

Voor het gehele feitencomplex verwijs ik naar onderdeel 2 van de uitspraak van het Hof. Ik zie ervan af om de zaakspecifieke feiten hier weer te geven, omdat die niet direct relevant zijn voor het zwaartepunt in deze zaak namelijk de uitleg van een beleidsregel. In plaats daarvan introduceer ik direct het geschil en de context ervan.

Het geschil in zijn context

2.2

Het geschil gaat over de loonheffing die bij wijze van eindheffing van belanghebbende is geheven over een deel van de reiskostenvergoedingen die belanghebbende aan haar werknemers heeft betaald in 2020. Het geschil heeft te maken met de gedeeltelijke lockdown vanaf 12 maart 2020 in verband met coronacrisis.

2.3

Op basis van de CAO gemeenten 2020 hebben werknemers van belanghebbende recht op een Individueel Keuze Budget (IKB). Het IKB is een bedrag per maand dat een werknemer kan besteden voor nader genoemde doelen. In het geval van belanghebbende kan een werknemer onder meer kiezen het IKB in te zetten voor vergoeding van reiskosten van woon-werkverkeer, waaronder een (aanvullende) vaste reiskostenvergoeding die wordt berekend op basis van de zogenoemde 214-dagenregeling. Een werknemer moet de keuze voor een dergelijke reiskostenvergoeding kenbaar maken door het plaatsen van een vinkje in een systeem van Youforce. De reiskostenvergoedingen waarover het geschil gaat, zijn (aanvullende) vaste reiskostenvergoedingen waarvoor werknemers de keuze ná 12 maart 2020 hebben gemaakt. Dat geschil heeft te maken met het volgende.

2.4

Reiskostenvergoedingen die door de inhoudingsplichtige op grond van art. 31(1)(f) Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) als eindheffingsbestanddelen zijn aangewezen, worden in de heffing van de inhoudingsplichtige betrokken volgens het regime van de werkkostenregeling zoals uitgewerkt in art. 31a(2) Wet LB. Voor vergoedingen van kosten in verband met woon-werkverkeer geldt een zogenoemde gerichte vrijstelling op grond van art. 31a(2)(a) Wet LB. In dat kader geldt als voorwaarde voor het vrijgesteld kunnen verstrekken van een vaste reiskostenvergoeding op basis van de 214-dagenregeling dat de werknemer op ten minste 128 dagen per kalenderjaar naar een vaste plaats van werkzaamheden reist (de 128-dagenvoorwaarde).

2.5

Niet in geschil is dat ter zake van de (aanvullende) vaste reiskostenvergoedingen waarover het geschil gaat, op grond van de wet geen aanspraak kan worden gemaakt op de gerichte vrijstelling voor die reiskostenvergoedingen, omdat niet aan de 128-dagenvoorwaarde is voldaan.

2.6

In verband met de coronacrisis heeft de staatssecretaris van Financiën (de staatssecretaris) bij besluit van 14 april 2020 (hierna: het besluit van 14 april 2020) een goedkeuring gegeven die betrekking heeft op de gevolgen van een wijziging in het reispatroon van een werknemer voor de regeling van een onbelaste vaste reiskostenvergoeding (zie 3.1 hierna). Nadat bij opvolgende beleidsbesluiten de tekst van de passage waarin de goedkeuring is opgenomen niet is gewijzigd (3.5), is bij besluit van 16 juni 2020 (hierna: het besluit van 16 juni 2020) de tekst van de desbetreffende passage aangepast onder de noemer van een verduidelijking (3.6). De goedkeuring is uiteindelijk van toepassing geweest voor de jaren 2020 en 2021 (3.7).

2.7

Niet in geschil is dat de goedkeuring in deze besluiten meebrengt dat in elk geval over een vaste reiskostenvergoeding waarvoor de werknemer het in 2.3 bedoelde vinkje heeft geplaatst vóór of op 12 maart 2020 geen loonheffing verschuldigd is, ook als niet voldaan wordt aan de 128-dagenvoorwaarde.

2.8

In geschil is of de goedkeuring ook betrekking heeft op de in geschil zijnde vaste reiskostenvergoedingen, dus reiskostenvergoedingen waarvoor de werknemer het vinkje heeft geplaatst ná 12 maart 2020. Belanghebbende meent van wel, de Inspecteur van niet.

Rechtbank Noord-Holland 1

2.9

De Rechtbank stelt belanghebbende in het ongelijk. De kern van haar oordeel is dat de goedkeuring van 14 april 2020 enkel ziet op reiskostenvergoedingen die reeds vóór 13 maart 2020 zijn toegekend, en dat reiskostenvergoedingen die nadien zijn toegekend dus niet onder de goedkeuring vallen:

“18. Voor veel werknemers leidden de maatregelen rondom de coronacrisis wat betreft kosten van vervoer tot een verandering van hun reispatroon. Die verandering zou meebrengen dat een werkgever de vaste reiskostenvergoeding moest aanpassen of geheel of gedeeltelijk tot het loon moest rekenen. De staatssecretaris van Financiën vond dit niet doelmatig en ongewenst en heeft daarom in het Besluit noodmaatregelen coronacrisis van 14 april 2020 goedgekeurd dat voor vaste reiskostenvergoedingen geen gevolgen zouden worden verbonden aan een wijziging in het reispatroon van een werknemer. Gedurende de werking van het besluit mocht de werkgever blijven uitgaan van de aangenomen feiten waarop de vergoeding gebaseerd was. Door deze goedkeuring hoefden vaste reiskostenvergoedingen niet tot het loon te worden gerekend, ook al werd als gevolg van de coronamaatregelen (gedeeltelijke lockdown) niet voldaan aan de wettelijke eis dat de werknemer op ten minste 128 dagen per kalenderjaar naar een vaste plaats van werkzaamheden reist.

19. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de goedkeuring van 14 april 2020, ziet op destijds bestaande vaste reiskostenvergoedingen, dat wil zeggen dat de goedkeuring ziet op reiskostenvergoedingen die reeds vóór 13 maart 2020 waren toegekend. Vergoedingen die ná 12 maart 2020 zijn toegekend vallen niet onder de goedkeuring. Voor die vergoedingen kon immers - als gevolg van het feit dat Nederland vanaf 12 maart 2020 gedeeltelijk in lockdown ging - rekening worden gehouden met de mate van thuiswerken vanaf het moment van toekenning. Bij toekenning van vaste reiskostenvergoedingen na die datum kon rekening worden gehouden met het veranderde reispatroon van werknemers. Alsdan is geen sprake van de volgens het besluit onwenselijk of ondoelmatig geachte situatie waarbij de werkgever de reiskostenvergoeding moet aanpassen of geheel of gedeeltelijk tot het loon moet rekenen.”

2.10

De Rechtbank (rov. 20-29) verwerpt ook de andere argumenten van belanghebbende. Niettemin is het beroep gegrond omdat bij uitspraak op bezwaar ten onrechte een kostenvergoeding achterwege is gebleven (rov. 30).2

Gerechtshof Amsterdam 3

2.11

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard.

2.12

Het Hof plaatst het geschil over de reikwijdte van de goedkeuring in de sleutel van het vertrouwensbeginsel (rov. 5.4). Nadat het de maatstaf voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel heeft uiteengezet (rov. 5.5), komt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende aan de goedkeuring in het besluit van 14 april 2020 geen gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen dat zij geen loonheffingen verschuldigd was over de door haar ná 12 maart 2020 toegekende vaste reiskostenvergoedingen:

“5.6. In het Besluit noodmaatregelen coronacrisis van 14 april 2020 is een goedkeuring (met terugwerkende kracht tot en met 12 maart 2020) opgenomen voor het ‘ongewijzigd door lopen’ van vaste reiskostenvergoedingen. Met een verwijzing naar het besluit van 20 maart 2015, nr. BLKB2015/0188M wordt vooropgesteld dat het voor reiskosten met een vast en gelijkmatig karakter mogelijk is een vaste onbelaste reiskostenvergoeding af te spreken. Voorts wordt vastgesteld dat de maatregelen rondom de coronacrisis voor veel werknemers leiden tot een verandering is hun reispatroon; die verandering zou kunnen meebrengen dat de (doorlopende) vaste reiskostenvergoeding moet worden aangepast of geheel of gedeeltelijk tot het loon moet worden gerekend. In dat verband wordt goedgekeurd dat een werkgever gedurende de werking van dit besluit voor een (doorlopende) vaste reiskostenvergoeding geen gevolgen verbindt aan een wijziging in het reispatroon van een werknemer.

Aldus worden vaste reiskostenvergoedingen (welke op 12 maart 2020 reeds overeenkomstig een gemaakte afspraak zijn toegekend, hierna ook: toegekende vaste reiskostenvergoedingen) niet tot het loon te worden gerekend, ook al wordt als gevolg van de coronamaatregelen (gedeeltelijke lockdown) niet voldaan aan de wettelijke eis dat de werknemer op ten minste 128 dagen per kalenderjaar naar een vaste plaats van werkzaamheden reist.

5.7.

Het Hof is van oordeel dat de onder 5.6 genoemde goedkeuring (alleen) ziet op het ongewijzigd door laten lopen van vaste reiskostenvergoedingen die reeds vóór 13 maart 2020 toegekend waren en dat belanghebbende op grond van het besluit niet redelijkerwijs kon menen dat ná 12 maart 2020 toegekende vaste reiskostenvergoedingen ook onder de goedkeuring vielen. Dat die goedkeuring alleen ziet op vaste reiskostenvergoedingen die reeds vóór 13 maart 2020 waren toegekend ligt ook in de rede nu bij het laten ingaan van vaste reiskostenvergoedingen ná 12 maart 2020 immers rekening kon worden gehouden met het alsdan geldende reispatroon van de betreffende werknemer. Er is dan geen sprake van een wijziging waardoor een reeds op basis van het vóór 13 maart 2020 geldende reispatroon toegekende lopende vergoeding niet kan doorlopen en moest worden aangepast of – deels – tot het loon moest worden gerekend, hetgeen de staatssecretaris ondoelmatig en ongewenst vond. Anders dan belanghebbende betoogt kan de goedkeuring redelijkerwijs niet zo worden opgevat dat een werkgever helemaal niets in de administratie hoefde aan te passen, in die zin dat een werkgever na 12 maart 2020 kon doorgaan met het aanbieden aan haar werknemers om te kiezen (via het zetten van het vinkje) voor een vaste onbelaste (aanvullende) reiskostenvergoeding, terwijl daar gezien het reispatroon geen recht op bestond. Het Besluit heeft niet de strekking om iets goed te keuren voor de periode waarin werkgevers wel rekening konden houden met de gewijzigde reispatronen, in situaties waarin het gevolg van het alsnog tot het loon moeten rekenen van een toegekende reeds lopende vergoeding niet aan de orde is. Hieraan voegt het Hof toe dat op grond van de geldende arbeidsvoorwaarden werknemers van belanghebbende in die situaties ook geen aanspraak kunnen maken op inzet van IKB voor een (aanvullende) reiskostenvergoeding - en die vergoedingen dus ook niet uit dien hoofde reeds waren toegekend - omdat het daarbij blijkens die voorwaarden (zie overweging 3 van de rechtbankuitspraak) moet gaan om een ‘onbelaste reiskostenvergoeding op basis van de 214-dagenregeling’ en aan de voorwaarden voor toepassing van die regeling niet is voldaan. Belanghebbende kon dan ook aan de in 5.6. beschreven goedkeuring geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat zij geen loonheffingen verschuldigd was over de door haar ná 12 maart 2020 toegekende vaste reiskostenvergoedingen.”

2.13

Het Hof (rov. 5.8) overweegt verder dat daaropvolgende besluiten (waaronder het besluit van 16 juni 2020) geen ruimere of andere goedkeuring bevatten ten aanzien van de reiskostenvergoedingen, zodat belanghebbende evenmin met succes een beroep op die besluiten kan doen.

2.14

Het Hof is daarnaast van oordeel dat de omstandigheid dat een werknemer vóór 13 maart 2020 een onvoorwaardelijk recht op IKB had, de conclusie niet anders maakt. Het motiveert dat als volgt:

“5.10. (…) Ook in een situatie waarin recht op IKB bestaat dient loonheffing te worden afgedragen over na deze datum aan werknemers toegekende vaste reiskostenvergoedingen. Aangezien het bij de (aanvullende) vaste reiskostenvergoedingen ter zake waarvan de in geschil zijnde belasting is afgedragen niet gaat om lopende vergoedingen die zijn toegekend vóór 13 mei 2020, mist betekenis of – zoals belanghebbende stelt - in feite altijd wordt gekozen voor het besteden van het IKB aan een (aanvullende) vaste reiskostenvergoeding.

Hetzelfde heeft te gelden voor de stelling van belanghebbende omtrent de wijze van administreren van het IKB: het enkele reserveren van bedoelde bedragen door belanghebbende in haar salarisadministratie betekent niet dat sprake is van een daadwerkelijk lopende vaste reiskostenvergoeding of toekenning ervan.

Rechtsoverweging 28 van de rechtbankuitspraak ziet op werknemers die op 12 maart 2020 weliswaar een (doorlopende) vaste reiskostenvergoeding maar geen aanvullende reiskostenvergoeding hadden. Ook het Hof is van oordeel dat voor de aan deze werknemers na 12 maart 2020 toegekende aanvullende reiskostenvergoedingen het besluit niet van toepassing is.”

2.15

Het Hof oordeelt verder dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur. Een werkgever die vóór 13 maart 2020 aan bepaalde werknemers een vaste (aanvullende) reiskostenvergoeding toekent, bevindt zich – in het licht van het doel van de regeling – niet in een vergelijkbare situatie als een werkgever die op 12 maart 2020 aan een zelfde groep werknemers geen vaste (aanvullende) reiskostenvergoeding heeft toegekend en dat eerst na 12 maart 2020 doet.

Het geding in cassatie

2.16

Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.17

Belanghebbenden stelt vier middelen voor:

- Het eerste middel komt met een rechtsklacht op tegen rov. 5.7 over het vertrouwensbeginsel.

- Het tweede middel is gericht tegen rov. 5.8 en rov. 5.10 (al noemt het ook rov. 5.7, maar ik ontwaar geen zelfstandige klacht daartegen, althans geen klacht die niet reeds onderdeel is van het eerste middel).

- Het derde middel stelt rov. 5.11 over het gelijkheidsbeginsel aan de orde.

- Het vierde middel is gericht tegen de laatste alinea van rov. 5.10 over na 12 maart 2020 toegekende aanvullende reiskostenvergoedingen aan werknemers die op 12 maart 2020 wel reeds een (doorlopende) vaste reiskostenvergoeding hadden.4

3 De onderhavige beleidsbesluiten, reacties daarop, en rechtspraak daarover

3.1

Bij het besluit van 14 april 2020 heeft de staatssecretaris via enkele concrete goedkeuringen voorzien in tijdelijke versoepelingen van enige fiscale regelingen in verband met de bijzondere omstandigheden als gevolg van de coronacrisis.5 Dit besluit wordt aangehaald als het Besluit noodmaatregelen coronacrisis. Ik gebruik die term verder niet, omdat zij voor deze conclusie te weinig onderscheidend vermogen heeft, omdat het besluit van 16 juni 2020 (en andere besluiten waarbij een ‘actualisatie’ heeft plaatsgevonden) ook zo worden aangehaald. Een van de goedkeuringen in het besluit van 14 april 2020 ziet op de behandeling van reiskostenvergoeding voor de loonheffingen. Aan die goedkeuring is terugwerkende kracht verleend tot en met 12 maart 2020. Het besluit van 14 april 2020 luidt voor zover van belang als volgt:

1. Inleiding

De bijzondere omstandigheden als gevolg van de coronacrisis zijn voor het kabinet aanleiding voor het treffen van economische en fiscale maatregelen. Deze maatregelen zijn aangekondigd als onderdeel van het noodpakket economie en banen dat is beschreven in de brieven van het kabinet aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 12, 17, 19 en 27 maart en 2 april 2020.

In dit beleidsbesluit geef ik uitvoering aan deze fiscale maatregelen in de vorm van concrete goedkeuringen. Daarnaast geef ik een aantal nog niet eerder gecommuniceerde goedkeuringen. (…)

De goedkeuringen zien op de volgende onderwerpen:

(…)

– Reiskostenvergoeding in de loonheffingen;

(….)

De goedkeuringen zijn gebaseerd op een redelijke wetstoepassing gegeven de bijzondere omstandigheden veroorzaakt door de coronacrisis en waar nodig op de artikelen 62 tot en met 64 Algemene wet inzake rijksbelastingen.

De beleidsmaatregelen hebben een tijdelijk karakter en zullen daarom worden ingetrokken zodra de omstandigheden dit mogelijk maken.

(…)

4 Loonheffingen

11 Inwerkingtreding

14 Inwerkingtreding en vervaldatum

4 Uitleg beleid

5 Beschouwing

6 Beoordeling van de middelen

7 Conclusie