Rechtbank Breda, 28-05-2001, AB2002 AH8427, 01 / 826 VV
Rechtbank Breda, 28-05-2001, AB2002 AH8427, 01 / 826 VV
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Breda
- Datum uitspraak
- 28 mei 2001
- Datum publicatie
- 4 juli 2001
- Annotator
- ECLI
- ECLI:NL:RBBRE:2001:AB2002
- Zaaknummer
- 01 / 826 VV
Inhoudsindicatie
-
Uitspraak
President van de Arrondissementsrechtbank te Breda
UITSPRAAK
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
in het geding tussen:
A. [verzoekers], tezamen h.o.d.n. V.O.F. Koffiehuis "Afrika", te Bergen op Zoom, verzoekers,
mr. drs. G.A.C. Beckers, te Maastricht, gemachtigde,
en
de burgemeester van de gemeente Bergen op Zoom, verweerder.
1. Procesverloop:
Bij besluit van 4 mei 2001 (het bestreden besluit) heeft verweerder het pand Auvergnestraat 34 te Bergen op Zoom met onmiddellijke ingang voor onbepaalde tijd gesloten verklaard op grond van artikel 13b Opiumwet.
Tegen dat besluit hebben verzoekers op 14 mei 2001 een bezwaar-schrift bij ver-weerder ingediend. Op dezelfde datum hebben verzoekers per fax de president van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 mei 2001.
Namens verzoekers was aanwezig hun gemachtigde mr. drs. G.A.C. Beckers.
Van de zijde van verweerder waren aanwezig P.A.C.M. van der Velden (verweer-der), J. Weijdt (ambtenaar bij de gemeente Bergen op Zoom) en A. Krak (politie).
2. Beoordeling:
2.1 Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt de presi-dent de volgende feiten als vaststaand aan.
Het pand Auvergnestraat 34 is eigendom van [verzoeker 1]. Op de benedenverdieping is gevestigd coffeeshop Africa, die wordt geëxploiteerd door de vennootschap onder firma Koffiehuis "Afrika" (hierna: de vennootschap); de vennoten zijn [verzoeker 2],
[verzoker 3] en [verzoeker 1]. Deze coffeeshop is eerder door verweerder voor zes maan-den gesloten (van 8 september 2000 tot en met 7 maart 2001) op grond van artikel 13b Opiumwet, omdat aldaar, in strijd met het gemeente-lijk coffeeshop- en softdrugs-beleid, softdrugs werden verkocht.
In de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens van de gemeente Bergen op Zoom (verder: GBA) staan [verzoker 3] vanaf 8 april 1998 en [verzoeker 2] sinds
14 september 2000 ingeschreven op het onderhavige adres. De heer [verzoker 3] verblijft in detentie. Bij besluit van 12 september 2000 heeft verweerder de woning, deel uitmakende van het pand, tot en met 7 maart 2001 gesloten verklaard op grond van artikel 174a Gemeentewet, omdat na sluiting van de coffeeshop de verkoop van softdrugs op de bovenverdieping werd voortgezet. Dit besluit is door de fungerend president van deze rechtbank geschorst en nadien door verweerder ingetrokken.
Bij het bestreden besluit d.d. 4 mei 2001 heeft verweerder op grond van artikel 13b Opiumwet het gehele pand met onmiddellijke ingang en voor onbe-paalde tijd gesloten verklaard wegens structurele handel in softdrugs. Ver-weerder stelt zich op het stand-punt dat de bovenverdieping, waar de verkoop plaatsvond, niet als woning in gebruik was en dat deze een organisatori-sche eenheid vormt met het op de beneden-verdie-ping gevestigde horecabedrijf. De sluiting is op dezelfde dag feitelijk gerealiseerd door het pand dicht te timmeren.
Het verzoek is ingediend namens [verzoeker 2] en [verzoker 3] persoonlijk als ook namens de vennootschap. Verzoekers hebben, kort samengevat, aangevoerd dat de boven-verdieping in gebruik is als woning en dat de verkoop van softdrugs daar niet aan afdoet. Verder hebben zij gesteld dat in de horecagelegenheid geen drugs worden verkocht. Verzoekers voeren voorts aan dat verweerder ten onrechte de zienswijze-proce-dure van artikel 4:8 van de Awb achterwege heeft gelaten. Verzocht is bij wege van voorlopige voorziening het bestreden besluit te schorsen tot zes weken nadat ver-weerder heeft beslist op het bezwaar-schrift.
De president overweegt als volgt.
2.2 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de president van de rechtbank, die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voor-lopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De president stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een derge-lijk ver-zoek een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, in die zin dat in casu moet worden bezien of, en zo ja in hoeverre, uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekers een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.
Voorzover de beoordeling van dit verzoek meebrengt dat het geschil in de bodem-procedure wordt beoordeeld heeft het oordeel van de president een voor-lopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.
2.3 Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toeganke-lijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
Verzoekers hebben erkend dat in het pand, op de bovenverdieping, softdrugs werden verkocht, zodat verweerder in beginsel bevoegd is over te gaan tot sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet, mits sprake is van een voor het publiek toeganke-lijk lokaal. Vast staat dat het horecabedrijf voor het publiek toeganke-lijk is.
2.4 Verzoekers stellen zich op het standpunt dat in het horecabedrijf op de beneden-verdieping geen drugs werden verkocht, zodat er geen grond is voor sluiting van het horec-abedrijf. Verweerder stelt daar tegenover dat het horeca-bedrijf en de verkoop-ruim-te op de bovenverdieping als een organisato-rische eenheid moeten worden beschouwd.
De president kan verweerder hierin volgen. Vast staat dat de verkoop op de bovenver-die-ping is gestart na sluiting van de coffeeshop in september 2000. Aangezien ver-zoekers zowel de exploitanten zijn van het horecab-edrijf, als de eigenaar van het pand en de (naar zij stellen) bewoners daarvan, acht de president voldoende aanne-melijk dat verzoekers, actief dan wel passief, betrokken waren bij de verkoop van softdrugs op de bovenverdie-ping en dat zij daarmee de sluiting van de coffee-shop feitelijk hebben willen omzeilen.
Voorts blijkt uit de door verweerder overgelegde verklaringen van [X en Y] dat klanten van het horecab-edri-jf de verkoop---ruimte boven bezochten via de tussendeur tussen het horecagedeelte en de gang met de trap naar boven. Daar-bij kan in het midden worden gelaten of klanten door het per-soneel van het horecab-edrijf voor de verkoop van soft-drugs werden verwezen naar de bovenverdie-ping. Dat de verkoopruimte ook buitenom bereikbaar is en dat andere kopers van soft-drugs het horec-abedrijf niet bezochten doet aan het voorgaande niet wezenlijk af.
Verder kent de president gewicht toe aan het feit dat het horecabedri-jf sinds de her-opening, na de eerdere sluiting, de oude naam "coffeeshop Africa" is blijven gebruiken (onder meer op de buitenzijde van het pand), een naam die met softdrugsge-bruik wordt geassocieerd en ongetwijfeld een aantrekken-de werking uitoefent op zowel oude als potentiële nieuwe klanten voor de verkoop van softdrugs.
De president is dan ook van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het horecabedrijf en de verkoopruimte op de bovenverdieping als een organisatorische eenheid moeten worden beschouwd. Mitsdien is verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd het horecabedrijf te sluiten. Nu dit reeds eerder om dezelfde reden voor zes maanden gesloten is geweest, is sluiting voor onbepaalde tijd in overeenstem-ming met het gemeente-lijke coffee-shop- en drugs-beleid. De president ziet in hetgeen van de zijde van verzoekers is aan-gevoerd geen aanleiding om deze maatregel anderszins onrechtmatig te achten.
2.5 Bij het bestreden besluit is het gehele pand gesloten verklaard op grond van artikel 13b Opi-um-wet. De werking van dit artikel strekt zich evenwel niet uit tot wonin-gen; daarvoor is artikel 174a Gemeentewet bedoeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer 28 augustus 1995, AB 1996/204) behoort een woning die als zodanig in gebruik is naar haar aard tot de persoonlijke levenssfeer van haar bewo-ners. Hieraan kan niet afdoen de om-standigheid dat die woning daarnaast nog een andere functie vervult. De president concludeert dat, indien sprake is van een woning die tevens wordt gebruikt als ver-kooppunt voor (soft)drugs, sluiting op basis van artikel 13b Opium-wet niet mogelijk is. Ter zitting heeft verweerder deze conclusie onderschreven.
Verzoekers stellen dat de bovenverdieping als woning moet worden aangemerkt. De vraag die derhalve dient te worden beantwoord is: is in casu sprake van een woning die als zodanig in gebruik is?
Nu twee personen als bewoner in het GBA staan inge-schre-ven, is het aan verweerder om aan te tonen dat de bovenverdie-ping niet als woning in gebruik is. Verweerder heeft daartoe, samengevat, het volgende aange-voerd:
- het grootste deel van de bovenverdieping (de voorste ruimte) is ingericht als ver-koop-ruimte voor softdrugs en wordt ook als zodanig gebruikt;
- in de achterste ruimte ligt alleen rommel en er staat een onverzorgd bed;
- de bovenverdieping heeft geen toilet, daarvoor moet gebruik worden gemaakt van het toilet van de horecagelegeheid op de benedenverdieping;
- de douche op de benedenverdieping wordt gebruikt als opslagruimte voor het horecabedrijf;
- 's avonds na 20.15 uur is nimmer enig teken van leven in het pand waargenomen.
Deze argumenten zijn naar het oordeel van de president weliswaar aanwijzingen dat de bovenverdieping niet daadwerkelijk als woning in gebruik is, maar vormen op zich onvoldoende bewijs daarvoor. Het door verweerder tot nu toe verrichte onderzoek en de motivering van het bestreden besluit moeten naar het oordeel van de president als onvoldoende worden aangemerkt.
Zo is er bijvoorbeeld geen enkel zicht op de (volgens verweerder) daadwerke-lijke verblijf-plaats van de heer [verzoeker 2] en op de aanwezig-heid van persoonlijke bezit-tingen van beide beweerdelijke bewoners. Met betrekking tot de situatie in de
achterste kamer van de bovenverdie-ping is in het proces-verbaal van de politie-con-trole op 23 maart 2001 niet meer vermeld dan "In de tweede ruimte staat een bed. Verder staat er in deze ruimte nogal wat rommel." Deze be-schrijving rechtvaardigt geenszins de door verweerder getrokken con-clusie dat in die kamer niet wordt ge-slapen. Van de feitelijke situatie in die kamer ontbreekt ieder verder bewijsstuk, be-houdens een ter zitting getoonde, onduidelijke foto van het bed ten tijde van de politiecontrole. Voorts heeft verweerder de bewering ter zitting dat 's avonds na 20.15 uur nimmer enig teken van leven in het pand is gezien, niet gestaafd met bijvoorbeeld ver-klaringen van de politie of omwonenden.
Het voorgaande leidt de president tot de conclusie dat verweerder vooralsnog onvol-doen-de heeft aangetoond dat de bovenverdieping niet als woning in gebruik is. De president acht het evenwel niet op voorhand uitgesloten dat verweerder er in de bezwaarfase alsnog in slaagt zijn standpunt hierover voldoende te onderbouwen.
2.6 Verzoekers hebben nog aangevoerd dat verweerder hen ten onrechte niet vooraf in de gele-gen-heid heeft gesteld zienswijzen in te brengen, conform artikel 4:8 van de Awb. Verweerder beroept zich in dit verband op artikel 4:11, aanhef en onder c, van de Awb, waar is bepaald dat toepassing van artikel 4:8 achterwege kan worden gelaten voor zover het met de beschikking beoogde doel slechts kan worden bereikt indien de belanghebben-de daarvan niet reeds tevoren in kennis is gesteld.
De president ziet evenwel niet in dat het doel van de beschikking (het staken van de verkoop van softdrugs in het pand) niet zou kunnen worden bereikt indien verzoekers vooraf hun zienswijze hadden mogen geven. Naar het voorlopig oordeel van de presi-dent beroept verweerder zich dan ook ten onrechte op artikel 4:11, sub c, van de Awb. Het afzien van de zienswijze-procedure klemt in casu te meer daar de grond-wettelijk gewaarborgde eerbie-diging van de persoonlijke levens-sfeer in het geding is, nu volgens verzoekers sprake is van een woning. Het enkele feit dat verweerder deze mening niet deelt maakt dit niet anders. Integendeel, de zienswijzeprocedure is onder andere bedoeld om in geval van verschil van mening over de feitelijke situatie, voor-afgaand aan een besluit daarover helderheid te verkrijgen.
Wat hier verder ook van zij, dit gebrek in de voorbereiding van het bestreden besluit kan volgens vaste jurisprudentie in de bezwaarfase worden hersteld, zodat dit op zich geen grond is voor schorsing van het bestreden besluit.
2.7 Zoals onder 2.2 is overwogen, speelt bij een verzoek om voorlopige voorziening, naast een voorlopig oordeel over de recht-matigheid van het bestreden besluit, ook de belangenafweging een rol.
Daarbij stelt de president voorop dat zwaarwegend belang moet worden gehecht aan het doel van de sluiting van het pand, namelijk het tegengaan van de verkoop van softdrugs ter plaatse. Dit klemt te meer nu, zoals onder 2.4 is overwogen, verzoekers hebben getracht de eerdere sluiting van de coffeeshop te omzeilen door de verkoop te verplaatsen naar de bovenverdieping.
Wat betreft de benedenverdieping is de president van oordeel dat, gelet met name op hetgeen onder 2.4 is overwogen over de rechtmatigheid van de sluiting van het horecabedrijf, aan het belang van de vennootschap bij voortzet-ting van de exploi-tatie thans geen betekenis toekomt. Voor het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de benedenver-dieping is dan ook geen aanleiding.
Gelet op hetgeen onder 2.5 is overwogen over de rechtmatigheid van de sluiting van de bovenverdieping, speelt bij de vraag of op dit onderdeel een voorlopige voorziening moet worden getroffen de belangen-afweging een belang-rijke rol.
Tegenover voornoemd zwaarwegend belang bij sluiting staat het door verzoekers gestelde belang bij het gebruik van de bovenver-dieping als woning, alsmede de eer-bie-diging van hun persoonlijke levens-sfeer.
Nu verzoeker [verzoker 3] voor langere tijd in detentie verblijft, valt niet in te zien welk spoedeisend belang hij thans heeft bij schorsing van het bestre-den besluit.
Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers verklaard dat verzoeker [verzoeker 2] thans afwisselend verblijft bij zijn vriendin, zijn moeder en bij vrienden. Hij beschikt derhalve feitelijk over onderdak.
In dit verband komt ook betekenis toe aan het feit dat op korte termijn een beslissing op het bezwaarschrift van verzoekers is te verwachten, aangezien de behandeling in de gemeentelijke bezwaarschriften-commissie is voorzien op 6 juni 2001 en ver-weer-der uitdrukkelijk heeft toegezegd kort daarna een beslis--sing op bezwaar te nemen.
Gelet op het voorgaande is de president van oordeel dat uitvoering van het bestreden besluit op dit moment voor verzoekers geen onevenredig nadeel met zich brengt in verhouding tot het zwaarwegende belang bij sluiting van het pand. De president ziet derhalve ook ten aanzien van de bovenverdieping onvol-doende aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening hangende de bezwaarprocedure. Het verzoek daartoe zal dan ook worden afgewezen.
3. Beslissing:
De president:
wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar door mr. Janssen, in tegenwoordigheid van mr. Breeman als griffier, op 28 mei 2001.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.