Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12-01-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:104, 19/3968 tot en met 19/3970

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12-01-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:104, 19/3968 tot en met 19/3970

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12 januari 2022
Datum publicatie
25 januari 2022
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2022:104
Zaaknummer
19/3968 tot en met 19/3970

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is niet voorzien van een samenvatting.

Uitspraak

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 19/3968 tot en met 19/3970

uitspraak van 18 januari 2022

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] [land] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Bij brief van 9 november 2018 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de ingehouden loonheffing over de tijdvakken van 1 september 2017 tot en met 31 oktober 2018 (de tijdvakken). Bij uitspraak op bezwaar van 21 juni 2019 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de ingehouden loonheffing over 1 september 2018 tot en met 31 oktober 2018 afgewezen. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de ingehouden loonheffing over 1 september 2017 tot en met 31 augustus 2018 niet-ontvankelijk verklaard, ambtshalve beoordeeld en ook afgewezen.

1.2.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 13 juli 2019, ontvangen bij de rechtbank op 30 juli 2019, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 47.

1.3.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2021.

Aldaar zijn belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] , verschenen en gehoord.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende, geboren op [geboortedatum] en inwoner van België, is buitenlands belastingplichtig in Nederland.

2.2.

Belanghebbende geniet sinds 1 september 2004 maandelijks pensioen van de Nederlandse Stichting Pensioenfonds van de ABN AMRO Bank (het pensioen). Het pensioen bedroeg in 2017 € 59.986 en in 2018 € 61.057.

2.3.

De opbouw van het pensioen heeft fiscaal gefacilieerd plaatsgevonden in Nederland; de omkeerregel is van toepassing op het pensioen.

2.4.

Voorafgaand aan de uitkering van het pensioen heeft belanghebbende bij brief van 31 mei 2004 (onder meer) het volgende aan de inspecteur geschreven:

‘Per 1 september a.s. stopt mijn VUT-uitkering en gaat mijn ouderdomspensioen in. Volgens het reglement van het pensioenfonds kan ik, als buitenlands ingezetene, kiezen tussen een periodieke uitkering of een afkoopsom.

Zoals blijkt uit bijgaande door de gemeente [woonplaats] gewaarmerkte verklaring t.b.v. de Stichting Pensioenfonds van de ABN AMRO Bank N.V., ben ik nog steeds Belgisch ingezetene (bijlage 1). De heffing op pensioenen komt aan het woonland toe. In het Belgisch fiscaal systeem wordt niet zoals in Nederland de maandelijkse uitkering maar het pensioenkapitaal als grondslag gebruikt voor het berekenen van de belasting op pensioenen, ook als deze in periodieke betalingen worden uitgekeerd. De alsdan geheven belasting bestaat uit een eenmalig forfaitair geheven percentage van het pensioenkapitaal vermeerderd met een jaarlijkse heffing op de fictieve opbrengst van datzelfde kapitaal. Voorwaarde is dat het pensioenreglement afkoop toestaat. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Van de Belgische inspectie zowel als van Uw cliëntendesk heb ik echter begrepen, dat het nieuwe belastingverdrag bepaalt dat Nederland alsnog bevoegd is indien

- fiscale faciliëring heeft plaats gehad;

- het pensioen hoger is dan € 25000

- niet het gewone tarief voor arbeidsinkomsten wordt toegepast.

Aan deze voorwaarden wordt mijns inziens voldaan.’

2.5.

Op 15 juli 2004 heeft een telefoongesprek tussen belanghebbende en [inspecteur 3] , namens de inspecteur, plaatsgevonden. De verslaglegging van dit gesprek door belanghebbende luidt als volgt:

Heden gebeld door [inspecteur 3] van de Belastingdienst buitenlanders in [plaats] . Deze weerspreekt de mededeling van de Belgische inspecteur en de Nederlandse informatiedesk dat mijn inkomen in Nederland belastbaar is. Naar zijn mening is de Nederlandse fiscus bij een periodieke uitkering niet bevoegd. De wijze waarop met de Belgische fiscus wordt afgerekend is zijns inziens niet interessant. Hij heeft daarover ook geen instructies ("u mag met de Belgische fiscus regelen wat u wilt, dat interesseert ons niet”). Hij vermeldt nog dat de Nederlandse Pensioenwet uitkering in de vorm van kapitaal verbiedt, ook al wordt dat in de statuten van het pensioenfonds toegestaan. De Nederlandse fiscus gaat ervan uit dat bij een periodieke uitkering het "normale" tarief van de Belgische loonheffing wordt toegepast. Op ministerieel niveau is overeengekomen dat de Nederlandse fiscus bij periodieke uitkeringen niet bevoegd is. Over nieuwe Belgische wetgeving, waarbij bepaald is dat ook in geval van een periodieke uitkering forfaitair mag worden afgerekend heeft hij nog geen instructies. Indien de praktijk is dat ook bij Nederlandse periodiek uitgekeerde pensioenen forfaitair wordt afgerekend moet op ministerieel niveau worden overlegd over de gevolgen daarvan voor de bevoegdheidskwestie. Omdat de uitkerende instelling van het pensioen een andere is dan die van de vut zal hij alsnog een verklaring van vrijstelling van loon- en inkomstenbelasting en sociale premies toezenden aan het pensioenfonds.’

2.6.

In de loop van 2004 heeft in België een forfaitaire afrekening plaatsgevonden over het pensioenkapitaal.

2.7.

De inspecteur heeft met ingang van 1 september 2004 aan belanghebbende vrijstelling verleend voor de inhouding van loonheffing op zijn pensioenuitkering. Deze vrijstelling is (telkens bij beschikking per tijdvak) verlengd tot 1 september 2017. In de brief van 31 augustus 2012 is onder meer het volgende opgenomen:

Geachte [belanghebbende] ,

Op 4 juli 2012 heb ik van u een verzoek om vrijstelling voor de inhouding van loonheffingen ontvangen.

Samenvatting van uw verzoek.

U heeft verzocht om een verklaring waarbij op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting de inhouding van loonbelasting is vrijgesteld. De door u aangedragen informatie geeft aanleiding tot de volgende beoordeling.

Beoordeling van uw verzoek .

Ik ben van mening dat uw verzoek terecht is.

Beslissing op uw verzoek .

Ik kom tegemoet aan uw verzoek.

Ik verklaar dat Stg. Pensioenfonds ABN AMRO bank N.V, loonbelastingnummer [loonbelastingnummer] , met ingang van 1 september 2012, mag afzien van de inhouding van loonbelasting op de (het) door haar uit te betalen pensioen.

(…)

Deze verklaring wordt afgegeven voor de periode dat [belanghebbende] bij Stg. Pensioenfonds ABN AMRO bank N.V (een) pensioen ontvangt. Als de gegevens op basis waarvan deze verklaring is afgegeven wijzigen, dient u dit direct aan mij door te geven. Dit kan er toe leiden dat de geldigheid van de verklaring eindigt. De geldigheid van deze verklaring eindigt in ieder geval uiterlijk 1 september 2017.

Als de geldigheid van deze verklaring eindigt, bestaat de mogelijkheid een nieuwe verklaring aan te vragen.’

2.8.

De vrijstelling was gebaseerd op een gepubliceerde Belgische Circulaire,1 waarin België aangaf op welke wijze om te gaan met artikel 18 van Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en België (het Verdrag). In de circulaire werd aangegeven dat de pensioenuitkeringen uit Nederland in de Belgische heffing werden betrokken.

2.9.

Belanghebbende heeft op 2 augustus 2017 en 1 december 2017 verzoeken tot verdere verlenging van de vrijstelling ingediend. Deze verzoeken zijn bij beschikkingen van de inspecteur van 4 december 2017, 14 augustus 2018 en 15 augustus 2018 afgewezen.

Vanaf 1 september 2017 is loonheffing ingehouden op de uitkering van het pensioen.

2.10.

Uit gegevensuitwisseling met België is gebleken dat belanghebbende in de tijdvakken niet conform de voorwaarden van de overeenkomst2 van 5 maart 2018 tussen Nederland en België over de toepassing van artikel 18 van het Verdrag (de overeenkomst) belast is over zijn pensioenuitkeringen in België.

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of Nederland heffingsrecht had over de pensioenuitkeringen in de tijdvakken.

3.2.

Belanghebbende stelt dat dit niet het geval is en beroept zich op het vertrouwensbeginsel. Volgens belanghebbende heeft door de belastingheffing over het pensioenkapitaal in België een bevrijdende heffing plaatsgevonden. De inspecteur stelt dat Nederland mocht heffen.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vrijstelling voor de inhouding van loonheffing op zijn pensioenuitkering. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing