Rechtbank Zwolle, 19-02-1999, AA3412, WW 98/4609
Rechtbank Zwolle, 19-02-1999, AA3412, WW 98/4609
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Zwolle
- Datum uitspraak
- 19 februari 1999
- Datum publicatie
- 19 februari 1999
- Annotator
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWO:1999:AA3412
- Zaaknummer
- WW 98/4609
Inhoudsindicatie
-
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige Kamer
Reg.nr.: WW 98/4609
UITSPRAAK
in het geschil tussen:
A te B, eiser,
gemachtigde: mr A. Boessenkool, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Zwolle,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam
(uitvoeringsinstelling: Gak Nederland bv, dk Zwolle), verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 23 juli 1998.
2. Zitting
Datum: 4 februari 1999.
Eiser is verschenen bij gemachtigde mr A. Boessenkool.
Verweerder is niet verschenen.
3. Feiten welke de rechtbank als vaststaande aanneemt
Eiser heeft verweerder op 10 februari 1998 verzocht om toekenning van een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Verweerder heeft op 23 april 1998 afwijzend op dat verzoek beslist.
Namens eiser is bij brief van 4 juni 1998 bezwaar aangetekend tegen dit besluit en verzocht om toezending van de aan het besluit van 23 april 1998 ten grondslag liggende stukken. In deze brief van 4 juni 1998 is voorts medegedeeld dat na ontvangst van de stukken verweerder nader zou worden bericht omtrent de gronden van het bezwaar.
Verweerder heeft eiser bij brief van 15 juni 1998 afschriften van de gevraagde stukken toegezonden en de voormalig gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na dagtekening van deze brief de gronden van het bezwaar aan te voeren.
Verweerder heeft op 23 juli 1998 besloten het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren omdat de gronden voor het bezwaarschrift niet binnen de gestelde vier weken zijn ingediend. Van het horen van eiser is op grond van het bepaalde in artikel 7:3 van de Awb afgezien aangezien het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is geacht.
Gemachtigde van eiser heeft bij brief van 1 september 1998 beroep ingesteld tegen dit besluit en bij brief van 27 september 1998 de beroepsgronden ingezonden. Verweerder heeft bij brief van 9 november 1998 verweer gevoerd.
4. Bewijsmiddelen
De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.
5. Motivering
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of verweerder terecht heeft besloten eiser
niet-ontvankelijk te verklaren in zijn bezwaar.
Niet in geschil is dat eiser in verzuim is door het bezwaarschrift niet van gronden te voorzien en dat hij dit verzuim niet heeft hersteld binnen de door verweerder gestelde termijn.
Gemachtigde van eiser is van oordeel dat verweerder desondanks niet heeft kunnen besluiten eiser niet-ontvankelijk te verklaren in zijn bezwaar nu eiser er niet op is gewezen wat de gevolgen zouden (kunnen) zijn van het niet indienen van de gronden van bezwaar binnen de bij brief van 15 juni 1998 gegunde termijn.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser de beroepsgronden nader uitgewerkt door te stellen dat de toepassing van artikel 6:6 van de Awb niet een verplichting maar een bevoegdheid is. Indien verweerder terzake van de uitoefening van deze bevoegdheid als beleid heeft dat daarvan in beginsel gebruik gemaakt wordt indien een verzuim niet (tijdig) wordt hersteld, dan had dat beleid bekend behoren te worden gemaakt, zodat de belanghebbende daarmee rekening kan houden. Nu dit beleid niet bekend is gemaakt kan het niet aan eiser worden tegengeworpen en heeft hij er geen rekening mee behoeven te houden dat bij overschrijding van de hersteltermijn niet-ontvankelijk verklaring zou volgen.
Verweerder heeft in het verweerschrift uiteengezet waarom de zienswijze van gemachtigde van eiser geen doel kan treffen en daarbij met name gewezen op het feit dat noch de wet noch de jurisprudentie de eis stelt dat in de brief, waarbij de gelegenheid wordt geboden een verzuim te herstellen, melding moet worden gemaakt van het risico van niet-ontvankelijkverklaring in geval het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld.
De rechtbank overweegt terzake als volgt.
Niet-ontvankelijkverklaring met toepassing van artikel 6:6 van de Awb wegens een geconstateerd verzuim is een bevoegdheid die eerst kan worden uitgeoefend nadat de indiener van het bezwaarschrift de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen. Het beleid van verweerder om als regel op het niet tijdig herstellen van het verzuim niet-ontvankelijkverklaring te laten volgen komt de rechtbank niet onredelijk voor.
De wet stelt voor de uitoefening van deze bevoegdheid naast de herstelmogelijkheid niet ook nog als voorwaarde dat moet worden gewezen op het risico van niet-ontvankelijkverklaring in geval het verzuim niet tijdig wordt hersteld.
Dat betekent dat het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring alleen in rechte kan worden aangetast indien dat besluit in strijd zou zijn met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
De door de gemachtigde van eiser aangehaalde jurisprudentie kan de rechtbank hier niet als richtinggevend aanmerken. Het betrof daar gevallen waarin niet-ontvankelijkverklaring als reactie op een niet hersteld verzuim juist werd bevonden, in situaties waarin wel op het risico van niet-ontvankelijkverklaring was gewezen.
De vraag is echter of het ontbreken van zodanige mededeling in verband met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur met zich brengt dat van niet-ontvankelijkverklaring moet worden afgezien.
Daarvan zou sprake kunnen zijn indien eiser door het ontbreken van enige mededeling over het gevolgde beleid redelijkerwijs in de veronderstelling kon verkeren dat de gestelde termijn kon worden overschreden zonder dat zulks niet-ontvankelijkverklaring tot gevolg zou hebben.
Dat is echter naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Immers ook wanneer niet bekend is gemaakt op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de in artikel 6:6 van de Awb neergelegde bevoegdheid blijft onverkort gelden dat het bestuursorgaan in geval van het niet tijdig herstellen van het verzuim tot niet-ontvankelijkheid kan besluiten. Anders gezegd: uit het ontbreken van de mededeling dat op het in gebreke blijven standaard wordt gereageerd met niet-ontvankelijkverklaring heeft eiser in redelijkheid niet kunnen afleiden dat als regel niet-ontvankelijkverklaring in die situatie achterwege zou blijven. Hij heeft derhalve, conform het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb, rekening moeten houden met de mogelijkheid dat het niet tijdig herstellen van het verzuim zou leiden tot niet-ontvankelijkverklaring. Dat die mogelijkheid bestaat is kenbaar uit de wet en aan de toenmalige gemachtigde van eiser, medewerker van het Buro voor rechtshulp te Zwolle, naar moet worden aangenomen niet onbekend.
Van bijzondere omstandigheden die het (niet tijdig herstellen van het) verzuim zouden kunnen rechtvaardigen, is de rechtbank niet gebleken.
De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat terecht is besloten eiser niet-ontvankelijk te verklaren in zijn bezwaar. Het beroep treft dan ook geen doel.
Mitsdien wordt beslist als volgt.
6. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Gewezen door mr H.C. Moorman en in het openbaar uitgesproken op 19 fewbruari 1999 in tegenwoordigheid van mw J. Steenbergen als griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
afschrift verzonden op