Home

Gerechtshof Amsterdam, 19-12-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3595, 23/124

Gerechtshof Amsterdam, 19-12-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3595, 23/124

cassatie ingesteld (rolnr HR: 25/00371)

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19 december 2024
Datum publicatie
31 januari 2025
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2024:3595
Zaaknummer
23/124
Relevante informatie
Art. 8:74 Awb

Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding. Toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv) in een ongegrond beroep rechtvaardigt enkel de vergoeding van extra kosten in verband met het isv-verzoek. Kosten die ongeacht het isv-verzoek voor de behandeling van het beroep zijn gemaakt en die vanwege de ongegrondheid van het beroep in beginsel ‘verloren’ zijn, blijven buiten beschouwing. Anders wordt in wezen onder de vlag van een kostenvergoeding een aanvullende schadevergoeding toegekend. Afwijzing BOBOG-verzoek in beroep en hoger beroep.

Uitspraak

kenmerk 23/124

19 december 2024

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] C.V., te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: [Persoon 1] )

tegen de uitspraak van 15 december 2022 in de zaak met kenmerk HAA 20/5142 van de rechtbank Noord-Holland (de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

1 de inspecteur van de Belastingdienst,de inspecteur, en

2. de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

De rechtbank heeft als volgt beslist op het beroep van belanghebbende betreffende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting van 12 juni 2019 over het tijdvak 15 februari 2019 tot en met 7 mei 2019 en een besluit tot afwijzing van een dwangsom en op haar verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn:

“De rechtbank:

-

verklaart het beroep ongegrond;

-

veroordeelt [de inspecteur] tot vergoeding van immateriële schade aan [belanghebbende], vastgesteld op een bedrag van € 666,67;

-

veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade aan [belanghebbende], vastgesteld op een bedrag van € 833,33; en

-

draagt [de inspecteur] en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op het betaalde griffierecht aan [belanghebbende] te vergoeden, elk tot een bedrag van € 177.”

1.2.

Belanghebbende heeft met een beroepschrift zonder gronden het hoger beroep ingesteld en heeft later de gronden aangevuld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3.

Belanghebbende heeft bij brief van 29 maart 2023 een verzoek gedaan tot ontheffing van de verplichting tot betaling van het griffierecht. Dat verzoek heeft de griffier op 21 november 2023 (voorlopig) afgewezen, op de grond dat de bij het verzoek verstrekte gegevens niet volledig zijn. Daarna heeft belanghebbende het griffierecht voldaan.

1.4.

Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend met dagtekening 5 november 2024.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2024, gelijktijdig met dat in de zaken 23/121 tot en met 23/123 en 23/125. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is in het handelsregister ingeschreven als commanditaire vennootschap. Zij heeft één parttime (0,4 fte) werknemer in dienst in de persoon van [Persoon 1] (hierna ook: [Persoon 1] ) en verricht sinds 2006 geen economische activiteiten meer. Haar beherend vennoot is [Stichting] , wier enig bestuurder [Persoon 1] is.

2.2.

Naar aanleiding van een verzoek om nadere informatie van de griffier van het Hof in verband met het verzoek tot ontheffing van de verschuldigdheid van het griffierecht vanwege betalingsonmacht, heeft belanghebbende een loonstrook overgelegd van [Persoon 1] over de periode van 30 januari 2023 tot en met 26 februari 2023. Belanghebbende is als werkgever vermeld en het vermelde netto loon is € 794,48.

3 Geschil in hoger beroep

4 De overwegingen van de rechtbank

5 Beoordeling

6 Kosten

7 Beslissing