Gerechtshof Amsterdam, 19-12-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3596, 23/125
Gerechtshof Amsterdam, 19-12-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3596, 23/125
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 19 december 2024
- Datum publicatie
- 31 januari 2025
- Annotator
- Zaaknummer
- 23/125
- Relevante informatie
- Art. 29 Iw 1990
Inhoudsindicatie
Anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, is het beroep tegen een ‘mededeling verrekening of terugbetaling’ niet gericht tegen een beschikking invorderingsrente, maar alleen tegen een verrekening. Eerder heeft belanghebbende al geprocedeerd over (het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar over) de beschikking invorderingsrente, die bij een latere mededeling is bekendgemaakt. In die procedure is bovendien vastgesteld dat die beschikking al in april 2020 is herroepen. Het beroep is daarom slechts op te vatten als gericht tegen een verrekening. De rechtbank had zich geheel en al onbevoegd moeten verklaren om te beslissen op het beroep, omdat tegen een verrekening geen beroep open staat bij de bestuursrechter. De veroordeling van de Staat tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn laat het Hof in stand, omdat de Staat geen hoger beroep heeft ingesteld, maar vanwege de onjuistheid ervan veroordeelt het Hof niet de Staat alsnog ook in proceskosten van belanghebbende.
Uitspraak
kenmerk 23/125
19 december 2024
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het incidenteel hoger beroep van
de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger,
tegen de uitspraak van 15 december 2022 in de zaak met kenmerk HAA 20/2616 van de rechtbank Noord-Holland (de rechtbank) in het geding tussen
[X] C.V., te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: G. Veldhuisen)
en
-
de ontvanger, en
-
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
1 Het geding in hoger beroep
De rechtbank heeft als volgt beslist op het beroep van belanghebbende betreffende twee kennisgevingen van verrekening en op haar verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn:
“De rechtbank:
- -
-
verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep betrekking heeft op de mededelingen verrekening;
- -
-
verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover een dwangsom wordt verzocht in verband met het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar tegen de beschikking inzake invorderingsrente van 31 oktober 2019;
- -
-
verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar tegen de beschikking inzake invorderingsrente van 31 oktober 2019;
- -
-
verklaart het bezwaar tegen de beschikking inzake invorderingsrente van 31 oktober 2019 gegrond;
- -
-
vernietigt de beschikking inzake invorderingsrente van 31 oktober 2019;
- -
-
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354 aan eiseres te vergoeden; en
- -
-
veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres, vastgesteld op een bedrag van € 1.500.”
Na toezending van de gronden in het door belanghebbende ingestelde principaal hoger beroep, heeft de ontvanger tijdig incidenteel hoger beroep ingesteld, voorzien van gronden.
Belanghebbende heeft bij nader stuk van 5 november 2024 het principaal hoger beroep ingetrokken.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2024. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2 Feiten
Mededeling 1
Met dagtekening 31 oktober 2019 is aan belanghebbende een ‘mededeling verrekening of terugbetaling’ bekendgemaakt. Daarin is vermeld dat een ‘teruggave kosten/interest loonheffing 2e per.2019’ ten bedrage van € 49 voor € 30 is verrekend met een aanslag motorrijtuigenbelasting 2015, voor € 15 met in rekening gebrachte kosten en voor € 4 met rente over de periode van 5 april 2016 tot en met 25 oktober 2019 (hierna: verrekening 1).
Met dagtekening 12 december 2019 heeft belanghebbende tegen de verrekening een bezwaarschrift ingediend bij de ontvanger. Vervolgens heeft belanghebbende beroep ingesteld, omdat de ontvanger haars inziens niet tijdig een uitspraak op dat bezwaarschrift heeft gedaan.
Mededeling 2
Met dagtekening 2 november 2019 is aan belanghebbende nog een ‘mededeling verrekening of terugbetaling’ bekendgemaakt. Daarin is vermeld dat ‘de teruggave kosten/interest motorrijtuigenbelasting 2019’ met een zeker nummer ten bedrage van € 7 is verrekend met een aanslag motorrijtuigenbelasting 2015 (hierna: verrekening 2).
Met dagtekening 16 december 2019 heeft belanghebbende tegen de verrekening een bezwaarschrift ingediend bij de ontvanger. Vervolgens heeft belanghebbende beroep ingesteld omdat de ontvanger haars inziens niet tijdig een uitspraak op dat bezwaarschrift heeft gedaan.
Bij geschrift met opschrift ‘uitspraak op bezwaar’ van 1 april 2020 heeft de inspecteur het bezwaar tegen verrekening 2 ‘kennelijk niet-ontvankelijk’ verklaard.
3 Geschil in hoger beroep
Het incidenteel hoger beroep houdt klachten in over de gegrondverklaring van het beroep met betrekking tot invorderingsrente en de veroordeling tot vergoeding van het betaalde griffierecht aan belanghebbende.