Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-04-2017, ECLI:NL:GHARL:2017:3062, WAHV 200.169.115
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-04-2017, ECLI:NL:GHARL:2017:3062, WAHV 200.169.115
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 10 april 2017
- Datum publicatie
- 20 april 2017
- Annotator
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2017:3062
- Zaaknummer
- WAHV 200.169.115
Inhoudsindicatie
Meervoudig arrest. Moet de officier van justitie gelegenheid bieden tot het indienen van gronden als het beroepschrift geen gronden bevat en niet wordt verzocht om daarvoor een termijn te verlenen? Als de officier van justitie niet de weg van artikel 6:6 Awb volgt, waartoe hij niet verplicht is, maar de weg van ongegrondverklaring van het beroep kiest, hoeft dat niet ingeval van professionele rechtsbijstand als die voorafgaand aan de beslissing op het beroep voldoende gelegenheid heeft gehad om uit eigen beweging gronden in te dienen of daarvoor een termijn te verzoeken.
Uitspraak
WAHV 200.169.115
10 april 2017
CJIB 182071566
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland
van 23 april 2015
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats] ,
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] ,
kantoorhoudend te [plaats] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.
Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De gemachtigde heeft allereerst aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de officier van justitie niet gehouden was om een gelegenheid te geven de beroepsgronden in te dienen. De officier van justitie had volgens de gemachtigde de gelegenheid moeten bieden de gronden in te dienen op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 6:5 van de Awb. De kantonrechter had de beslissing van de officier van justitie moeten vernietigen, aldus de gemachtigde.
2. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het bezwaar- of beroepschrift ten minste de gronden van het bezwaar of beroep.
3. Artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb luidt als volgt:
‘Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, (…) mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.’
4. De gemachtigde van de betrokkene heeft bij brief d.d. 11 juli 2014 beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking. Het beroepschrift bevat geen gronden tegen de inleidende beschikking. Er wordt niet gevraagd om een termijn te verlenen voor het indienen van gronden. De officier van justitie heeft het beroep op 22 augustus 2014 ongegrond verklaard.
5. De stelling van de gemachtigde dat de officier van justitie de gemachtigde hier een termijn had moeten geven om de gronden aan te vullen, vindt geen steun in het recht.
6. De officier van justitie heeft in onderhavige zaak het beroep tegen de inleidende beschikking niet niet-ontvankelijk verklaard, maar ongegrond. Artikel 6:6 van de Awb verplicht de officier van justitie niet om bij het ontbreken van beroepsgronden tot een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep over te gaan. Voornoemde bepaling geeft de officier van justitie slechts de bevoegdheid om bij een verzuim in het beroepschrift - en nadat de betrokkene in de gelegenheid is gesteld om het geconstateerde verzuim te herstellen - tot niet-ontvankelijkverklaring over te gaan (vgl. HR 17 maart 1999, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:1999:AA2698). Nu het administratief beroep ongegrond is verklaard, is artikel 6:6 Awb niet van toepassing en bestond er op grond van dit artikel geen verplichting voor de officier van justitie om de gemachtigde een termijn te geven om de gronden aan te vullen. Het afzien van gebruik maken van de bevoegdheid ex artikel 6:6 Awb betekent dat de beoordeling door de kantonrechter (en in hoger beroep) niet beperkt is tot toetsing van de juistheid van de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen de inleidende beschikking maar dat (ook) daar inhoudelijke bezwaren tegen die beschikking aan de orde kunnen komen.
7. Geen rechtsregel schrijft voor dat in een geval als dit, waarin in het -door een professioneel rechtsbijstandverlener ingediende- administratief beroepschrift niet (uitdrukkelijk en zonder voorbehoud) daarom is verzocht, door de officier een termijn moet worden gegeven voor het indienen van gronden (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 december 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:10365, rechtsoverwegingen 11 en 12). Van de gemachtigde als professioneel rechtsbijstandverlener mag worden verwacht dat hij in staat is om binnen een redelijke termijn alsnog de gronden van het beroep in te dienen dan wel, indien dat niet mocht blijken te lukken, om een nadere termijn daarvoor te verzoeken. De gemachtigde heeft ruim de tijd gehad om voorafgaand aan de beslissing van de officier van justitie d.d. 22 augustus 2014 gronden in te dienen of zodanig verzoek te doen, maar heeft dit nagelaten. Het hof concludeert dat de gemachtigde aldus voldoende gelegenheid had tot indiening van de gronden, maar er zelf voor heeft gekozen om daarvan geen gebruik te maken.
8. Gelet op het hiervoor overwogene heeft de kantonrechter terecht overwogen dat de officier van justitie niet gehouden was om een gelegenheid te geven de beroepsgronden in te dienen. Dit bezwaar treft dan ook geen doel.
9. De gemachtigde voert verder aan dat de maximumsnelheid ter plaatse 100 km per uur bedraagt en niet de (ongebruikelijke) 90 km per uur zoals de kantonrechter heeft overwogen.
10. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 115,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 12 km/h (verkeersbord A1 + wegwerkzaamheden)”, welke gedraging zou zijn verricht op 2 juni 2014 om 10.38 uur op de Rijksweg A6 te Lelystad met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
11. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
12. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:
“ Pleeglocatie De Rijksweg A6 rechts de handhavingsborden stonden bij hmp (het hof leest: hectometerpaal) 62.0 links (…)
De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel.
Gemeten (afgelezen) snelheid: 106 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 102 km per uur.
Toegestane snelheid: 90 km per uur.
Overschrijding met: 12 km per uur.
Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer: 62.5.”
13. Voorts bevat het dossier een tweetal foto's van de gedraging. Hierop is een voertuig zichtbaar, voorzien van kenteken 93-DT-LL. Uit de gegevens in het kader boven de foto's volgt dat het voertuig op 2 juni 2014 om 10.38 uur heeft gereden met een (gemeten) snelheid van 106 km per uur, alwaar de bordsnelheid 90 km per uur was.
14. Gelet op de verklaring van de verbalisant, de foto's van de gedraging en in aanmerking genomen dat door de gemachtigde van de betrokkene niet is betwist dat de betrokkene op voornoemde locatie en tijdstip 102 km per uur heeft gereden, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof merkt hierbij op dat een maximumsnelheid van 90 km per uur geen ongebruikelijke snelheid is bij wegwerkzaamheden.
15. Nu de door de gemachtigde van de betrokkene aangevoerde gronden geen doel treffen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
16. De betrokkene wordt niet in het gelijk gesteld. Het hof zal daarom het verzoek om een kostenvergoeding afwijzen.
Beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schuijlenburg, De Witt en Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.