Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-07-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4871, 21/1830
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-07-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4871, 21/1830
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 23 juli 2024
- Datum publicatie
- 9 augustus 2024
- Annotator
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2021:4797, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 21/1830
- Relevante informatie
- Art. 15 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968, Art. 67f AWR
Inhoudsindicatie
OB. Boekenonderzoek. Voorbelasting. Vergrijpboete.
Uitspraak
locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 21/1830
uitspraakdatum: 23 juli 2024
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 5 november 2021, nummer LEE 20/1616, ECLI:NL:RBNNE:2021:4797, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)
1 Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 73.301. Bij beschikkingen is belastingrente berekend en is een vergrijpboete opgelegd van € 36.650.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken de bezwaren gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 55.161, de belastingrente dienovereenkomstig verminderd en de vergrijpboete verminderd tot een bedrag van € 13.790. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar een kostenvergoeding van € 508 toegekend.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur inzake de boetebeschikking vernietigd, de vergrijpboete verminderd tot een bedrag van € 11.721, de Inspecteur gelast aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 1.496.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingezonden.
Voor de zitting heeft de Inspecteur een nader stuk ingestuurd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens de Inspecteur [naam1] , [naam2] en [naam3] . Belanghebbende is, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
Bij een bericht van 6 maart 2024 van de griffier van het Hof is belanghebbende uitgenodigd voor de zitting van 16 april 2024 om 13.30 uur te Leeuwarden. De uitnodiging is op 6 maart 2024 om 12:45 uur aan het digitale dossier toegevoegd en tevens is op die dag hiervan een notificatie aan belanghebbende gezonden. Belanghebbende is daarnaast bij aangetekende brief van 6 maart 2024 uitgenodigd voor de zitting. Deze brief is door PostNL retour gezonden aan het Hof. Op 25 maart 2024 is de uitnodiging nogmaals per gewone post verzonden naar het adres waarop belanghebbende in de basisregistratie personen staat ingeschreven ( [adres1] te [woonplaats] ). Omdat de uitnodiging voor de zitting tijdig en op de juiste wijze aan belanghebbende is verzonden, heeft het Hof het onderzoek ter zitting doorgang laten vinden.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is ondernemer voor de omzetbelasting en exploiteert een slijterij in een winkelpand aan de [adres2] te [plaats1] (het winkelpand).
Belanghebbende verzorgt zelf de administratie en de aangiften omzetbelasting van zijn onderneming. Belanghebbende heeft in de periode 2013 – 2017, met uitzondering van het derde en vierde kwartaal van 2015, elk kwartaal een aangifte omzetbelasting ingediend en de aangegeven omzetbelasting op aangifte voldaan.
Tot 1 juni 2016 huurde belanghebbende als onderhuurder het winkelpand van slijterijketen [naam4] (hierna: [naam4] ), die het op zijn beurt weer huurde van [naam5] . Belanghebbende heeft met ingangsdatum 1 augustus 2016 als hoofdhuurder een huurovereenkomst gesloten met mevrouw [naam5] voor het winkelpand.
Belanghebbende heeft van [naam4] maandelijks facturen ontvangen voor de huur van het winkelpand. De facturen vermelden geen omzetbelasting.
De Inspecteur heeft op 3 juli 2017 een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende, waarvan de uitkomsten in een rapport van 27 juni 2018 (hierna: het rapport) zijn vastgelegd.
De Inspecteur heeft in het rapport geconcludeerd dat belanghebbende in zijn (kwartaal)aangiften omzetbelasting voor de jaren 2013 tot en met 2017 een bedrag van € 340.523 aan voorbelasting in aftrek heeft gebracht, terwijl volgens de door hem overgelegde administratie belanghebbende recht heeft op een aftrek van in totaal € 280.896 aan voorbelasting. Dit leidt tot een aansluitverschil van in totaal € 59.627.
De Inspecteur heeft in het rapport tevens geconcludeerd dat belanghebbende vanwege de huur van het winkelpand in de jaren 2013 tot en met 2016 ten onrechte een bedrag van in totaal € 22.785 aan voorbelasting in aftrek heeft gebracht.
Volgens het rapport moeten de correcties vanwege het aansluitverschil van € 59.627 en de ten onrechte afgetrokken omzetbelasting vanwege de huur van het winkelpand van € 22.785 worden verminderd met een teruggaaf van omzetbelasting voor 2016 van € 9.111. De Inspecteur heeft in het rapport aangekondigd voornemens te zijn daarom een naheffingsaanslag omzetbelasting op te leggen van € 73.301. De Inspecteur heeft in het rapport tevens aangekondigd voornemens te zijn een vergrijpboete op te leggen tot een bedrag van 50% van de na te heffen omzetbelasting.
Belanghebbende heeft op 26 oktober 2018 met betrekking tot de aangiften over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 een suppletie gedaan tot een te betalen bedrag van € 6.584.
Overeenkomstig de conclusies van het rapport heeft de Inspecteur met dagtekening 27 oktober 2018 de onder het procesverloop genoemde naheffingsaanslag en vergrijpboete opgelegd.
Bij uitspraak op bezwaar van 10 april 2020 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 55.161 (bedragen in €):
2013 |
2014 |
2015 |
2016 |
2017 |
Totaal |
|
Aansluitverschillen |
18.694 |
8.124 |
11.252 |
6.584 |
1.393 |
|
OB inzake huur |
4.557 |
4.557 |
||||
Totaal |
18.694 |
12.681 |
15.809 |
6.584 |
1.393 |
55.161 |
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur eveneens de vergrijpboete verminderd, in verband met de vermindering van de naheffingsaanslag (boetegrondslag) en omdat de Inspecteur het boetepercentage heeft verlaagd van 50 naar 25, tot een bedrag van € 13.790 (0,25 x € 55.161). Volgens de Inspecteur is sprake van grove schuld.
Tot de gedingstukken behoort een brief van de Inspecteur van 4 september 2018, geadresseerd aan belanghebbende, waarin – voor zover hier van belang – het volgende is geschreven:
“Zoals afgesproken ontvangt u van mij de administratie over het belastingjaar 2013 retour. De administratie over de jaren 2014 tot en met 2016 heeft u reeds op 10 april 2018 op uw bedrijfsadres in [plaats1] in ontvangst genomen. Op 27 juni 2018 heb ik u het controlerapport toegezonden dat werd opgemaakt naar aanleiding van het ingestelde boekenonderzoek. U heeft mij op 4 september 2018 telefonisch laten weten deze niet te hebben ontvangen. Door deze brief te ondertekenen verklaart u bovengenoemde stukken in goede orde te hebben ontvangen.”
Deze brief is voorzien van de handtekening van de Inspecteur en er is een handtekening geplaatst bij de naam van belanghebbende.
De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 5 november 2021 het beroep voor zover dit ziet op de vergrijpboete gegrond verklaard en de vergrijpboete wegens overschrijding van de redelijke termijn (undue delay) verminderd met 15% tot € 11.721 (0,85 x € 13.790). De Rechtbank is daarbij ervan uitgegaan dat met de ontvangst van het rapport van het boekenonderzoek op 4 september 2018 de vergrijpboete is aangekondigd en dat de redelijke termijn van twee jaar (voor de periode tot aan de rechtbankuitspraak) op 5 november 2021 met één jaar en twee maanden is overschreden. Voor het overige heeft de Rechtbank het beroep ongegrond bevonden.
3 Geschil
In geschil is of de naheffingsaanslag omzetbelasting en de vergrijpboete, zoals deze luiden na de uitspraken op bezwaar, terecht en tot de juiste hoogte zijn opgelegd.
Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en stelt zich, naar het Hof begrijpt, op het standpunt dat de naheffingsaanslag omzetbelasting en de vergrijpboete dienen te worden vernietigd.
De Inspecteur heeft zich ter zitting van het Hof op het nadere standpunt gesteld dat de vergrijpboete dient te worden verminderd, in die zin dat de boetegrondslag dient te worden verlaagd met het – onder 2.9 – genoemde bedrag van de suppletie van € 6.584. In zoverre dienen de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur te worden vernietigd. Voor het overige concludeert de Inspecteur tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.