Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 03-12-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7514, 22/689 t/m 22/693
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 03-12-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7514, 22/689 t/m 22/693
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 3 december 2024
- Datum publicatie
- 13 december 2024
- Annotator
- Zaaknummer
- 22/689 t/m 22/693
- Relevante informatie
- Art. 3.90 Wet IB 2001
Inhoudsindicatie
IB/PVV. WUO of ROW? Vermogensetikettering woning. Kostenaftrek.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 22/689 t/m 22/693
uitspraakdatum: 3 december 2024
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 25 februari 2022, nummers AWB 20/3139, 20/3140, 20/3489, 21/3013 en 21/3124, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)
1 Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2015, 2016 en 2017 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd naar de volgende bedragen:
‐ voor het jaar 2015 een aanslag IB/PVV berekend over een inkomen uit werk en woning van € 28.018 en een aanslag Zvw naar een bijdrage-inkomen van € 20.507;
‐ voor het jaar 2016 een aanslag IB/PVV berekend over een inkomen uit werk en woning van € 37.559;
‐ voor het jaar 2017 een aanslag IB/PVV berekend over een inkomen uit werk en woning van € 29.276 en een aanslag Zvw naar een bijdrage-inkomen van € 21.503.
Bij beschikkingen is belastingrente berekend.
De Inspecteur heeft bij verschillende uitspraken op bezwaar de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV 2015 en 2016 en Zvw 2015 ongegrond verklaard en het het bezwaar tegen aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 gegrond verklaard en die aanslagen verminderd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen tegen de aanslagen IB/PVV 2015 en 2016 gegrond verklaard en de aanslagen en bijbehorende beschikkingen belastingrente verminderd, de beroepen tegen de aanslagen IB/PVV 2017 en Zvw 2015 en 2017 ongegrond verklaard en beslissingen genomen over de proceskosten en het griffierecht.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft voorafgaande aan de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] , de gemachtigde van belanghebbende, en namens de Inspecteur [naam2] , [naam3] en [naam4] .
Gelijktijdig zijn op de zitting de zaken BK-ARN 23/114 t/m 23/119 van de gemachtigde [naam1] , tevens de ex-partner van belanghebbende, behandeld. Hiervan is één proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende staat in de Basisregistratie Personen sinds 5 oktober 2011 ingeschreven op het adres van de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). Belanghebbende heeft, samen met haar gemachtigde en ex-partner, de eigendom van de woning, ieder voor de (onverdeelde) helft.
Belanghebbende heeft in 2015 onder de naam " [naam5] " en in 2016 en 2017 onder de naam " [naam6] " projectondersteuningsactiviteiten verricht. Deze activiteiten zijn uitsluitend verricht voor de onderneming van de ex-partner die wordt gedreven onder de naam [naam7] . De ex-partner is actief als interim-manager bij overheden en ongeveer 80% van de door hem gewerkte uren worden daaraan besteed. De overige uren besteedt de ex-partner aan permanente educatie om de registratie in het Register Belastingadviseurs te behouden. Daadwerkelijke fiscale advisering aan klanten wordt niet gedaan. De resultaten die belanghebbende met de projectondersteuning behaalt heeft zij in haar aangiften aangegeven als winst uit onderneming. Daarnaast heeft zij haar aandeel in de woning als ondernemingsvermogen geëtiketteerd en met de woning samenhangende kosten als zakelijk in aftrek gebracht.
Belanghebbende heeft op 2 augustus 2016 de aangifte IB/PVV 2015 ingediend naar een inkomen uit werk en woning van € 9.041, waarvan een winst uit onderneming van € 1.530 en een inkomen uit vroegere dienstbetrekking van € 7.511. De Inspecteur heeft, ter behoud van rechten, de aanslag IB/PVV 2015 met dagtekening 8 februari 2019 in afwijking van de aangifte vastgesteld. De Inspecteur heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een onderneming maar van resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: row) en dat (het aandeel in) de eigen woning niet als ondernemingsvermogen kan worden geëtiketteerd. Het inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 28.018, waarvan row € 20.507 en inkomen uit vroegere dienstbetrekking van € 7.511. De aanslag Zvw 2015 is vastgesteld naar een bijdrage-inkomen van € 20.507.
Belanghebbende heeft op 13 augustus 2017 de aangifte IB/PVV 2016 ingediend naar een inkomen uit werk en woning van € 14.409, waarvan winst uit onderneming van € 6.771, inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking van € 2.333 en inkomen uit vroegere dienstbetrekking van € 5.305. De Inspecteur heeft, ter behoud van rechten, de aanslag IB/PVV 2016 met dagtekening 31 januari 2020 in afwijking van de aangifte vastgesteld. De Inspecteur heeft net als voor het jaar 2015 het resultaat als row aangemerkt en de woning als privévermogen. Het inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 37.559, waarvan row € 29.921 en inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking van € 2.333 en inkomen uit vroegere dienstbetrekking van € 5.305.
Belanghebbende heeft op 27 april 2018 de aangifte IB/PVV 2017 ingediend naar een inkomen uit werk en woning van € 11.860, waarvan een winst uit onderneming van € 4.087 en inkomen uit vroegere dienstbetrekking van € 7.773. De Inspecteur heeft, nadat hij om informatie had verzocht, de aanslag IB/PVV 2017 met dagtekening 6 oktober 2020 in afwijking van de aangifte vastgesteld. De Inspecteur heeft net als voor het jaar 2015 en 2016 het resultaat als row aangemerkt en de woning als privévermogen. Het inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 29.276, waarvan row € 21.503 en inkomen uit vroegere dienstbetrekking van € 7.773. De aanslag Zvw 2015 is vastgesteld naar een bijdrage-inkomen van € 21.503.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV 2015 t/m 2017 en Zvw 2015 en 2017. De Inspecteur heeft de bezwaren over de jaren 2015 en 2016 ongegrond verklaard. Het bezwaar over 2017 heeft de Inspecteur gegrond verklaard. Het inkomen uit row is verminderd met € 62, waardoor de aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 dienovereenkomstig lager zijn vastgesteld. Hiertegen heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank.
De Rechtbank heeft de beroepen met betrekking tot de aanslagen IB/PVV 2015 en 2016 gegrond verklaard omdat ter zitting overeenstemming is bereikt over de aftrek eigenwoningregeling (2015) respectievelijk de aftrek van ziektekosten (2016). De Rechtbank heeft de uitspraken op bezwaar in zoverre vernietigd en de belastbare inkomens verminderd tot € 26.651 (2015) en € 37.188 (2016) en de beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Voor het overige zijn de beroepen ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft verder beslist dat het griffierecht van in totaal € 97 dient te worden vergoed.
3 Geschil
In geschil is de vraag of de aanslagen IB/PVV 2015 t/m 2017 en Zvw 2015 en 2017 tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Meer in het bijzonder is in geschil of sprake is van winst uit onderneming, of de eigen woning als zakelijk kan worden geëtiketteerd en of de zakelijkheid van de in aftrek te brengen kosten aannemelijk is gemaakt. Belanghebbende meent dat de aanslagen te hoog zijn. De Inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.