Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-03-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1594, 23/1579

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-03-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1594, 23/1579

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18 maart 2025
Datum publicatie
28 maart 2025
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:1594
Formele relaties
Zaaknummer
23/1579
Relevante informatie
Art. 231 Gemw, Art. 11 Iw 1990, Art. 6:20 Awb

Inhoudsindicatie

Aanmaningskosten. Beroep niet tijdig beslissen. Procesbelang. Proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 23/1579

uitspraakdatum: 18 maart 2025

Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 11 mei 2023, nummer AWB 22/5782, in het geding tussen belanghebbende en

de invorderingsambtenaar van de gemeente Renkum (hierna: de invorderingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De invorderingsambtenaar heeft op 28 mei 2022 een aanmaning gestuurd ter zake van het uitblijven van de betaling van de aanslag gemeentelijke belastingen van de gemeente Renkum voor het jaar 2021. Daarbij is een bedrag van € 8 aan aanmaningskosten in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de kosten van aanmaning op 30 mei 2022 een bezwaarschrift ingediend.

1.3.

Belanghebbende heeft de invorderingsambtenaar op 8 september 2022 in gebreke gesteld omdat nog geen uitspraak op bezwaar was gedaan.

1.4.

Na het uitblijven van de uitspraak op bezwaar is belanghebbende op 26 september 2022 in beroep gekomen bij de Rechtbank.

1.5.

De invorderingsambtenaar heeft vervolgens bij de uitspraak van 7 oktober 2022 het bezwaar gegrond verklaard en de aanmaningskosten vernietigd. De invorderingsambtenaar heeft een proceskostenvergoeding voor de bezwaarprocedure toegekend van € 269.

1.6.

De invorderingsambtenaar heeft bij beschikking van 10 oktober 2022 een verschuldigde dwangsom vastgesteld van € 322.

1.7.

De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van enig procesbelang, en vergoedingen van proceskosten en griffierecht toegekend van € 418,50 en € 50.

1.8.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2025. Namens belanghebbende is verschenen [naam1] . Namens de invorderingsambtenaar is niemand verschenen. De invorderingsambtenaar is bij aangetekende brief van 12 februari 2025 uitgenodigd voor de zitting. Deze brief is op 13 februari 2025 afgehaald bij een PostNL-punt. Het Hof gaat daarom ervan uit dat de invorderingsambtenaar op regelmatige wijze is uitgenodigd voor de zitting.

2 Overwegingen

2.1.

Op grond van artikel 231, lid 1 Gemeentewet, geschiedt de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen, als waren die belastingen rijksbelastingen.

2.2.

Indien de belastingschuldige een aanslag gemeentelijke belastingen niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de invorderingsambtenaar hem schriftelijk aan om alsnog binnen twee weken na de dagtekening van de aanmaning te betalen (artikel 11 Invorderingswet 1990).

2.3.

Aan het verzenden van een aanmaning tot betaling zijn kosten verbonden, namelijk een bedrag van € 8 bij een gevorderde som tot € 454 (artikel 2 Kostenwet invordering rijksbelastingen; tekst 2022).

2.4.

Tegen de door de invorderingsambtenaar in rekening gebrachte kosten kan bezwaar worden gemaakt bij de invorderingsambtenaar en nadien beroep worden ingesteld bij de belastingrechter (artikel 7, lid 1 Kostenwet invordering rijksbelastingen).

2.5.

Belanghebbende heeft tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten van € 8 bezwaar ingesteld. Op dit bezwaar is niet tijdig beslist.

2.6.

Nadat belanghebbende de invorderingsambtenaar in gebreke heeft gesteld, is beroep bij de Rechtbank ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.

2.7.

Hangende de beroepsprocedure heeft de invorderingsambtenaar op 7 oktober 2022 alsnog uitspraak op bezwaar gedaan, de aanmaningskosten vernietigd en een bezwaarkostenvergoeding toegekend van € 269. Voorts heeft de invorderingsambtenaar een verschuldigde dwangsom vastgesteld van € 322.

2.8.

Belanghebbende heeft op 25 november 2022 beroep bij de Rechtbank ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 7 oktober 2022. Dit beroep is niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn.

2.9.

Op grond van artikel 6:20, lid 3 Awb hoeft evenwel niet altijd opnieuw beroep te worden ingesteld. Uit deze bepaling volgt namelijk dat het door belanghebbende ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen, ook geacht wordt te zijn gericht tegen de reële uitspraak op bezwaar van 7 oktober 2022, tenzij deze uitspraak geheel aan het beroep tegemoet komt.

2.10.

De invorderingsambtenaar is in de uitspraak van 7 oktober 2022 – zonder dat hij verplicht was om belanghebbende te horen1 – geheel aan het bezwaar van belanghebbende tegemoetgekomen door over te gaan tot vernietiging van de aanmaningskosten. De uitspraak van 7 oktober 2022, en de daarin toegekende bezwaarkostenvergoeding, is daarom niet mede onderwerp van het beroep gaan uitmaken op grond van artikel 6:20, lid 3 Awb.

2.11.

Het beroep bij de Rechtbank had betrekking op het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Bij de beoordeling van dit beroep had belanghebbende geen belang meer. Belanghebbende kon namelijk niet meer in een betere positie komen te verkeren nu het voor belanghebbende gunstigste resultaat, te weten een beslissing door de invorderingsambtenaar op het ingestelde bezwaar, reeds was bereikt. Vanwege gebrek aan procesbelang is het beroep tegen het niet tijdig beslissen dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.12.

De Rechtbank heeft terecht een vergoeding toegekend voor de proceskosten die zijn gemaakt voor het beroep tegen het niet tijdig nemen van de uitspraak op bezwaar.2 Deze vergoeding is vastgesteld op een bedrag van 418,50 (1 punt voor beroepschrift, wegingsfactor 0,5, waarde per punt € 837). Anders dan belanghebbende voorstaat, ziet het Hof geen aanleiding om af te wijken van de door de Rechtbank toegekende wegingsfactor3 en vergoeding. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende de kosten voor het bijwonen van de zitting van de Rechtbank in het kader van het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet redelijkerwijs hoeven maken, omdat de invorderingsambtenaar reeds maanden daarvoor alsnog een reële uitspraak op bezwaar had genomen. Deze kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. In dit verband wordt nog opgemerkt dat de zitting bij de Rechtbank mede betrekking had op het beroep tegen de reële uitspraak op bezwaar (zie 2.8), maar in die zaak is vanwege overschrijding van de beroepstermijn een vergoeding van de proceskosten niet aan de orde.

Slotsom

2.13.

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

3 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing