Home

Gerechtshof Den Haag, 29-10-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2635, BK-23/306 en BK-23/307

Gerechtshof Den Haag, 29-10-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2635, BK-23/306 en BK-23/307

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29 oktober 2024
Datum publicatie
5 maart 2025
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:2635
Zaaknummer
BK-23/306 en BK-23/307
Relevante informatie
Art. 8:42 Awb, Verdrag Nederland – Duitsland

Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslagen IB/PVV 2010 en 2011. Op de zaak betrekking hebbende stukken. Voortvarendheid. Geen dubbeltelling reeds aangegeven inkomen voor werkzaamheden in Duitsland in navorderingsaanslag IB/PVV 2010. Art. 10, lid 2, onder 3, van het Belastingverdrag Nederland-Duitsland van 16 juni 1959. Art. 2, lid 1, onder 2, letter a, onder gg, van het Verdrag. Geen loon ten laste van vaste inrichting in Duitsland (uitvoering van een bouwwerk of constructiewerkzaamheden). Terecht geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Geen vrijstelling van PVV voor werkzaamheden in Rusland; PVV geheven bij onherroepelijke aanslag IB/PVV 2011 kan niet worden gecompenseerd door vermindering IB begrepen in navorderingsaanslag IB/PVV 2011.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-23/306 en BK-23/307

Uitspraak van 29 oktober 2024

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: M.B. Weijers)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 2 maart 2023, nummers SGR 21/5313 en SGR 21/5314.

Procesverloop

1.1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2010 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 129.083 (de navorderingsaanslag 2010). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur € 4.722 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2010).

1.1.2. Aan belanghebbende is over het jaar 2011 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 116.112 (de navorderingsaanslag 2011). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur € 7.279 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2011).

1.2. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen 2010 en 2011 en de beschikkingen belastingrente 2010 en 2011 afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 49. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser:

“De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 500;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837;

- draagt de Staat op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiser te vergoeden.”

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 136. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft op 24 juli 2024 en 30 juli 2024 nadere stukken ingediend. De Inspecteur heeft op 5 augustus 2024 een nader stuk ingediend.

1.6. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van 6 augustus 2024. Partijen zijn verschenen. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.7. Partijen hebben op 29 augustus 2024 een gezamenlijk nader stuk ingediend. Het Hof heeft het onderzoek heropend en heeft bij bericht van 13 september 2024 partijen geïnformeerd dat het Hof in de inhoud van dit stuk geen aanleiding ziet om partijen op te roepen om in persoon of bij gemachtigde te verschijnen voor een tweede mondelinge behandeling, maar heeft partijen hiertoe wel in de gelegenheid gesteld. Partijen hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Feiten

2.1. Belanghebbende woonde in de onderhavige jaren in Nederland.

2.2. Belanghebbende is werkzaam in de olie- en gasindustrie. Belanghebbende is in de onderhavige jaren werkzaam geweest voor de Maleisische vennootschap [A-1 Ltd.] . [A-1 Ltd.] is een technisch detacheringsbureau in de olie- en gasindustrie dat behoort tot het [A] -concern. Tot dit concern behoort onder meer ook [A-2 B.V.] (de Holding).

2.3. Belanghebbende en [A-1 Ltd.] , handelend onder de naam [A-3] , hebben op 16 maart 2010 een overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst staat onder meer het volgende vermeld:

“Reference is made to your application with [A-3] . We hereby confirm that we are in a position to offer you a binding contract under the following terms and conditions.

(…)

Date of commencement

Start date of commencing work under the conditions of this contract: 29 March 2010.

Assignment

Your Contract Assignment will be with our Client, [B S.A.]

(…)

Position/Classification

Your position with [A-3] will be that of Mechanical Supervisor which is representative of the knowledge and skills you have expressly indicated you are qualified and capable of performing.

(…)

Location of Assignment

Contract Remuneration

Taxation

Date of commencement

Assignment

Position/Classification

Location of Assignment

Contract Remuneration

Taxation