Gerechtshof Den Haag, 05-02-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:100, bK-23/1153
Gerechtshof Den Haag, 05-02-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:100, bK-23/1153
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 5 februari 2025
- Datum publicatie
- 24 februari 2025
- Annotator
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2023:16455, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- bK-23/1153
- Relevante informatie
- Art. 26b Wet LB, Art. 52 AWR, Art. 27e AWR, Art. 6 EVRM
Inhoudsindicatie
Art. 25 AWR. Art. 27e AWR. Art. 67f AWR. Art. 6 EVRM. Werkgever betaalt werknemers en uitzendkrachten overwerkuren zwart (buiten uitzendbureaus om). Werkgever inhoudingsplichtig. Vereiste aangiften loonheffingen niet gedaan. Redelijke schatting. Naheffingsaanslag loonheffingen niet te hoog vastgesteld. Verzoek oproepen van een aantal getuigen afgewezen omdat zij (arbeidsmigranten) niet binnen afzienbare tijd aanwezig kunnen zijn. Ook zonder deze getuigen voldoende bewijs aanwezig afkomstig uit rittenregistraties en andere verklaringen. Eerlijk proces.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-23/1153
in het geding tussen:
(gemachtigde: M. Hendriks)
en
(vertegenwoordiger: […] )
inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 oktober 2023, nummer SGR 22/1405.
Procesverloop
De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 een naheffingsaanslag loonheffingen (de naheffingsaanslag 2015) ten bedrage van € 619.869 opgelegd, alsmede bij gelijktijdig genomen beschikkingen een vergrijpboete opgelegd van € 247.947 en € 99.867 aan belastingrente in rekening gebracht.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag 2015, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is samen met het beroep SGR 22/1404, dat zag op de naheffingsaanslag loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 en de daarbij genomen boetebeschikking en belastingrentebeschikking, € 365 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft als volgt beslist, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Zaaknummer SGR 22/1404 (Naheffingsaanslag LH 2014)
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond:
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag alsmede de vergrijpboete;
- vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.900;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 100;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.970;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden;
Zaaknummer SGR 22/1405 (Naheffingsaanslag LH 2015)
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond ten aanzien van de naheffingsaanslag en gegrond ten aanzien van de vergrijpboete;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de vergrijpboete;
- vermindert de vergrijpboete tot een bedrag van € 223.153.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is samen met het hoger beroep BK-23/1152 een griffierecht van € 548 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van belanghebbende bij bericht van 22 oktober 2024 het Hof verzocht getuigen te doen oproepen. Het Hof heeft bij bericht van 24 oktober 2024 de gemachtigde meegedeeld daartoe geen aanleiding te zien.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 november 2024. Partijen zijn verschenen. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting het hoger beroep betreffende het tijdvak 2014 (BK-23/1152) ingetrokken. De gemachtigde heeft een pleitnota en een productie overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.