Gerechtshof Den Haag, 09-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:127, BK-23/681 en BK-23/683
Gerechtshof Den Haag, 09-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:127, BK-23/681 en BK-23/683
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 9 januari 2025
- Datum publicatie
- 26 februari 2025
- Annotator
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2023:10342, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2023:10344, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- BK-23/681 en BK-23/683
- Relevante informatie
- Art. 9 Wet OB 1968, Tabel II post a.6 Wet OB 1968
Inhoudsindicatie
Tabel II, post a.6 Wet op de omzetbelasting 1968. Aannemelijk dat afnemers van belanghebbenden in het Verenigd Koninkrijk btw-fraude hebben gepleegd. Belanghebbenden hebben onvoldoende zorgvuldig gehandeld om betrokkenheid bij de btw-fraude te voorkomen. Het nultarief op de intracommunautaire leveringen aan de afnemers in het Verenigd Koninkrijk is terecht geweigerd.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-23/681 en BK-23/683
in het geding tussen:
[X] B.V. en fiscale eenheid [X-1] B.V., c.s. te [Z] , belanghebbenden,
(gemachtigde: F.H.H. Sijbers)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraken van Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 27 juni 2023, nummers SGR 22/3350 en SGR 22/3376.
Procesverloop
Aan [B.V. 1] is voor de maanden januari tot en met november 2016 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 840.675 (de naheffingsaanslag 1). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 158.074 aan belastingrente in rekening gebracht.
Aan de fiscale eenheid [de fiscale eenheid] is voor de maand december 2016 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 81.159 (de naheffingsaanslag 2). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 15.260 aan belastingrente in rekening gebracht.
Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de naheffingsaanslagen ongegrond verklaard.
Belanghebbenden hebben tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van tweemaal € 365. De Rechtbank heeft twee uitspraken gedaan. De beslissing van de Rechtbank in beide uitspraken luidt, waarbij [B.V. 1] respectievelijk de fiscale eenheid is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot een vergoeding aan eiseres van de proceskosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor deze zaak vastgesteld op € 2.151.”
De Inspecteur heeft tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof op 21 november 2024. Partijen zijn verschenen. Hetgeen in de ene zaak is aangevoerd en overgelegd wordt geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in de andere zaken, tenzij hetgeen is aangevoerd en overgelegd uitsluitend op die ene zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd.
Feiten
Algemeen
[B.V. 1] is opgericht op [datum] 2013. Alle aandelen in [B.V. 1] worden gehouden door [Holding BV] .
Vanaf [datum] 2016 vormt [B.V. 1] met [Beheer BV] en Holding BV een fiscale eenheid voor de omzetbelasting als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Vanaf december 2016 worden de aangiften omzetbelasting ingediend op naam van de fiscale eenheid.
[A] is 100% aandeelhouder van Holding BV. Holding BV is 100% aandeelhouder van [B.V. 1] en Beheer BV. [A] is bestuurder van Holding BV en [B.V. 1] . Holding BV is bestuurder van Beheer BV.
[B] is in de periode 1 juni 2014 tot en met 1 oktober 2018
commercieel directeur en volledig gevolmachtigde van [B.V. 1] .
[C] is medewerker bij [B.V. 1] . Zijn werkzaamheden hebben betrekking op logistiek en transport.
De ondernemingsactiviteiten van [B.V. 1] bestaan volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel uit:
- Groothandel in ferrometalen en -halffabricaten;
- Handelsbemiddeling in brandstoffen, ertsen, metalen en chemische producten;
- Het in- en verkopen van oude metalen; en
- Het optreden als commissionair op het gebied van oude metalen.
Strafrechtelijk onderzoek en naheffingsaanslagen
[B.V. 1] dient in de periode vanaf haar oprichting tot december 2016 zelfstandig aangiften omzetbelasting en opgaven intracommunautaire prestaties (ICP) in. Vanaf december 2016 worden de aangiften omzetbelasting en opgaven ICP ingediend op naam van de fiscale eenheid.
De FIOD is onder de naam [naam onderzoek 1] een strafrechtelijk onderzoek gestart naar een vermoeden van btw-carrouselfraude waarbij Nederlandse bedrijven metaal zouden hebben geleverd aan zeven Britse afnemers die in het Verenigd Koninkrijk zouden hebben gefraudeerd met de omzetbelasting. Verdachten in dit strafrechtelijk onderzoek zijn onder meer [B.V. 1] , Holding BV en Beheer BV. Onderzoek [naam onderzoek 1] vloeit voort uit een ander strafrechtelijk onderzoek, genaamd [naam onderzoek 2] , naar verdenking van btw-carrouselfraude bij – onder meer – handelspartners van [B.V. 1] .
Naar aanleiding van informatie opgenomen in de processen-verbaal van de strafrechtelijke onderzoeken [naam onderzoek 1] en [naam onderzoek 2] , heeft een controlemedewerker van de Belastingdienst een onderzoek ingesteld naar de aangiften omzetbelasting van belanghebbenden over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016. Het onderzoek is beperkt tot de stukken die zijn verkregen van de FIOD en richt zich uitsluitend op de in het onderzoek [naam onderzoek 1] betrokken zeven Britse afnemers. De controlemedewerker is tot de conclusie gekomen dat belanghebbenden wisten of hadden moeten weten dat ze met de beschreven transacties onderdeel uitmaakte van handelsketens waarin btw-fraude is gepleegd. Belanghebbenden hebben volgens de controleambtenaar niet alles gedaan wat redelijkerwijs van hen verwacht mocht worden om dit te voorkomen. Daarom hebben belanghebbenden volgens de controlemedewerker voor een deel van hun intracommunautaire leveringen ten onrechte aanspraak gemaakt op het nultarief.
De controlemedewerker heeft zijn bevindingen neergelegd in een concept controlerapport met dagtekening 15 november 2021 waarin hij meedeelt de naheffingsaanslagen te zullen opleggen voor een bedrag van € 840.675 (21/121 * € 4.843.862) aan [B.V. 1] en voor een bedrag van € 81.159 (21/121 * € 467.636) aan de fiscale eenheid. Deze bedragen zijn gebaseerd op de volgende bedragen die in de opgaven ICP van belanghebbenden zijn opgenomen met betrekking tot de zeven Britse afnemers uit het onderzoek.
Verantwoord via het btw-nummer van [B.V. 1] :
Naam afnemer |
ICP 2016 (€) |
[Limited 1] |
943.662 |
[Limited 2] |
1.214.397 |
[Limited 3] |
- |
[Limited 4] |
105.000 |
[Limited 5] |
- |
[Limited 6] |
2.566.971 |
[Limited 7] |
13.832 |
Totaal |
4.843.862 |
Verantwoord via het btw-nummer van de fiscale eenheid:
Naam afnemer |
ICP 2016 (€) |
[Limited 1] |
344.229 |
[Limited 2] |
361.674 |
[Limited 3] |
- |
[Limited 4] |
- |
[Limited 5] |
- |
[Limited 6] |
-238.267 |
[Limited 7] |
- |
Totaal |
467.636 |
Met dagtekening 29 december 2021 zijn de naheffingsaanslag 1 en de naheffingsaanslag 2 conform het controlerapport opgelegd.
[B.V. 1] is strafrechtelijk vervolgd voor het opzettelijk doen van onjuiste btw-aangiften in de periode van 27 augustus 2015 tot en met 22 december 2017 en voor het valselijk opmaken van haar bedrijfsadministratie in de periode van 1 januari 2016 tot en met 14 november 2018. Bij vonnis van de strafkamer van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2022, [ecli] , is [B.V. 1] volledig vrijgesproken van hetgeen haar ten laste is gelegd. De strafkamer van hof Amsterdam heeft vervolgens bij arrest van 24 juni 2024, [ecli] bewezen verklaard dat [B.V. 1] opzettelijk onjuiste btw-aangiften heeft gedaan en valselijk haar bedrijfsadministratie heeft opgemaakt. Tegen dit arrest is beroep in cassatie ingesteld. Ten tijde van de behandeling van onderhavig hoger beroep was op dat beroep nog niet beslist.
Verloop afnemers in het Verenigd Koninkrijk
In het proces-verbaal AMB-096 is een “VIESOUT-trappetje” opgenomen waaruit het verloop van de afnemers in het Verenigd Koninkrijk volgt vanaf het eerste kwartaal 2015 tot en met eerste kwartaal 2019. Uit het VIESOUT-trappetje volgt dat de onderstaande bedragen door [B.V. 1] (witte vlakken) en de fiscale eenheid (zwarte vlakken) zijn opgenomen in de opgaven ICP.
[afbeelding verwijderd i.v.m. de privacy]
[B] is in 2013 via [B.V. 2] als aandeelhouder betrokken bij [B.V. 3] , een vennootschap met vergelijkbare activiteiten als [B.V. 1] . De Inspecteur heeft op 6 maart 2013 een waarschuwingsbrief aan [B.V. 3] , ter attentie van de heer [B] , gestuurd waarin de vennootschap wordt gewaarschuwd voor intracommunautaire btw-fraude en de kenmerken daarvan. De vennootschap wordt onder meer erop gewezen dat zij zorgvuldig moet zijn bij de keuze van de handelspartners om te voorkomen dat zij onderdeel wordt van btw-fraude (DOC-119).
[C] heeft over de relatie tussen de Belastingdienst en [B.V. 3] en de waarschuwingsbrief verklaard:
"Ze kwamen voor hetzelfde als waar ze voor bij [B.V. 1] kwamen. lk weet nog dat we bezoek kregen en dat ze riepen over btw-fraude en carrouselfraude. lk weet nog dat ik een formulier kreeg waarin kenmerken stonden waar je op moest letten bij internationale handel. We hadden er nooit over nagedacht dat de btw in Engeland niet verlegd is, zoals in Nederland of België. Maar we zijn nooit teruggefloten door de Belastingdienst die zei dat dit raar was of dat niet kon. Sterker nog we hebben gevraagd aan de Belastingdienst of ze per klant wilden aangeven of een klant goed was om zaken mee te doen of niet, maar dat was ook niet nodig. Vanaf toen wist ik ook hoe belangrijk het was om je KYC op orde te brengen. [B.V. 3] heeft niet lang bestaan."
(V-008-01 p.6)
Er zijn verschillende verklaringen afgelegd over het onderzoek door belanghebbenden naar de afnemers in het Verenigd Koninkrijk (KYC (‘know your customer’)-onderzoek). Zo heeft [A] op de vraag wie onderzoek naar afnemers deden verklaard:
“Voornamelijk [D] en [E] . [C] zou dit af en toe ook gedaan kunnen hebben. Zij checken of het btw-nummer geldig is. Zelf doe ik ook wel eens wat hiervoor. We worden via bijvoorbeeld onze website door bedrijven uit de hele wereld benaderd om te handelen. Als bijvoorbeeld een nieuwe Indische afnemer voor het eerst contact opneemt om zaken te doen met [B.V. 1] , dan kijk ik eerst of ik het bedrijf ken of bel ik bijvoorbeeld eerst mensen om te vragen of deze Indische afnemer te vertrouwen is. lk vraag dan of ik hun bijvoorbeeld op krediet kan leveren. Kortom het is voor mij niet te doen om voor elk bedrijf dat ons benadert onderzoek te doen. Als het serieuzer wordt dan wil ik het liefst werken met vooruitbetaling en anders LC's of CAD. Hiermee ben je meer zeker dat je je geld krijgt. Je moet weten dat er zoveel bij komt kijken. Wat mij betreft is de check van de afnemer niet anders voor een Europese afnemer of een niet-Europese afnemer.
Uitgaande van de standaard checks ga ik ervan uit dat van [Limited 1] het btw-nummer is gecheckt. Je moet aan [B] vragen of hij hiervoor navraag heeft gedaan bij bekenden. Wel weet ik dat daarnaast [naam kredietverzekeraar] voor [B.V. 1] [Limited 1] heeft doorgelicht. Daarbij heeft [naam kredietverzekeraar] een kredietcheck uitgevoerd. [naam kredietverzekeraar] is onze kredietverzekeraar en heeft gezegd dat [Limited 1] een goed bedrijf is en heeft een krediet gegeven van 2 tot 3 ton euro. Het exacte bedrag weet ik niet, maar het is voor mij wel een teken dat [Limited 1] een kredietwaardig bedrijf is. lk ga er dus vanuit dat als het btw-nummer van [Limited 1] zou zijn ingetrokken, dan had [naam kredietverzekeraar] [Limited 1] dit niet zo beoordeeld. lk vraag mij af hoe een bedrijf als [B.V. 1] , met haar beperkte middelen, een bedrijf als [Limited 1] door kan lichten. Als zelfs een onderneming als [naam kredietverzekeraar] [Limited 1] als kredietwaardig beoordeelt, hoe had [B.V. 1] dat dan moeten doen?”
(V-005-04, p. 3)
[C] heeft verklaard:
“Meestal gaan er eerst meerdere fysieke gesprekken en/of telefoongesprekken aan vooraf. We willen de mensen leren kennen. Ook vragen we vaak een vooruitbetaling. Uitzondering hierop is als een afnemer goede referenties heeft. Hiervoor hebben we in het verleden met [naam kredietverzekeraar] gewerkt, een kredietverzekeraar. Bij hun vroegen we om een advies over een afnemer. Afhankelijk van hun advies kon om een vooruitbetaling worden gevraagd. Nu doen we geen zaken meer met [naam kredietverzekeraar] , omdat we een issue hebben met hun. Dit betreft een niet-betalende debiteur waarvan ze niet willen uitbetalen. Deze debiteur betreft [Limited 1] . Deze onderneming is geen missing trader.
Inmiddels hebben we zoveel in Engeland zaken gedaan dat we benaderd worden door afnemers daar en het komt ook voor dat we afnemers weigeren. Het komt ook voor dat Britse afnemers voor de poort staan en dat we moeten weigeren om te laden. Wij weigeren dan bijvoorbeeld omdat de prijs die ze willen betalen dan niet goed genoeg is. Bij elke afnemer vragen we een KYC Pack. Dit houdt in dat we een btw-check doen via VIES, een kopie paspoort van de directeur opvragen en een inschrijving in het lokale handelsregister opvragen. Deze KYC Pack wordt door mij opgevraagd bij Engelse afnemer. Mijn werkzaamheden zijn logistieke taken en toezicht op de werkzaamheden op de werf.”
(V-008-01, p. 3)
en
“Soms zitten er gegevens van de afnemer bij de eerste factuur en soms bij een latere factuur.
Maar we bewaren dit niet altijd in een apart klantendossier. Als het met een e-mail is ontvangen, dan kun je dat terugvinden in de e-mail. Maar waarom moeten we dit doen. Als je bij de Albert Heijn boodschappen doet of bij een fietsenmaker komt dan wordt er toch ook geen onderzoek naar je gedaan?”
(V-008-02, p. 5)
[D] , administratief medewerker bij [B.V. 1] , heeft op de vraag op welke wijze onderzoek werd gedaan naar nieuwe afnemers verklaard:
“Dat doe ik niet. Je vraagt hoe wij weten hoe iemand kan betalen, wanneer de vracht is geladen worden de gegevens van de afnemer gecheckt zoals ik daarnet heb verteld. Hiermee bedoel ik in ieder geval de bedrijfsgegevens en het BTW-nummer van de afnemer. Op het moment dat [C] de vracht heeft gewogen, neemt hij contact op met de afnemer. De vracht wordt pas verzonden nadat een betaling van de afnemer is ontvangen.”
(G-001-02, p. 4)
[A] heeft ter zitting van het Hof verklaard dat de boekhouder iedere klant controleerde en dat deed conform de geldende wet- en regelgeving, dat uit een eerder onderzoek van de Belastingdienst geen bijzonderheden volgden (zie 2.4.4) en dat hij er iets mee gedaan zou hebben als hij van de boekhouder of de Belastingdienst had gehoord dat de KYC-packs niet in orde waren.
Twee medewerkers van de Belastingdienst hebben op 15 augustus 2017 [B.V. 1] bezocht in het kader van SCAC-verzoeken over [Group] en [Limited 2] . In een proces-verbaal van een getuigenverhoor staat daarover:
“De heer [F] en de heer [G] hebben alle SCAC-verzoeken bij [B.V. 1] behandeld en terug gerapporteerd aan het Verenigd Koninkrijk en Tsjechie. De Belastingdienst medewerkers moesten aantonen of de ICP-leveringen juist waren. De heer [F] heeft mij vertelt dat tijdens hun onderzoek geen dingen geconstateerd zijn die niet juist waren. De leveringen hebben daadwerkelijk plaatsgevonden en zijn in dat kader dus intracommunautair. Daarnaast zijn door [B.V. 1] ook de desbetreffende btw-nummers van de afnemers gecontroleerd. In ieder geval van [Group] . Volgens de heer [F] en de heer [G] ging alles, voorzover ze dat konden zien, volgens de regels.
De heer [F] heeft aan mij aangegeven dat de Belastingdienst [B.V. 1] niet heeft aangegeven of ze moesten stoppen met de handel. De Belastingdienst blijft in dit soort gevallen altijd heel algemeen. De Belastingdienst gaat nooit adviseren of men moeten stoppen of doorgaan met de handel, aldus de heer [F] . Volgens de heer [F] duidde alles erop dat het om ICP's ging. De aangeleverde documenten door [B.V. 1] aan de Belastingdienst waren in orde. De heer [F] en [G] hebben geen onvolkomenheden ontdekt die tot enige twijfel zou moeten leiden.
De Belastingdienst heeft zich puur gericht op het onderzoek naar de specifieke vragen in de
bovengenoemde SCAC-verzoeken. Zij hebben geen andere transacties meegenomen en/of
onderzocht.”
(AMB-058, p. 2)
[Limited 1]
Uit de gedingstukken volgt met betrekking tot de afnemer [Limited 1] :
Oprichting |
De vennootschap is op [datum] 2013 opgericht onder de naam [Limited 1-a] . (AMB-102, p. 3 / DOC-382, p. 1) |
Activiteiten volgens handelsregister |
"Agents involved in the sale of fuels, ores, metals and industrial chemicals" en "Fund Management Activities" (DOC-382, p. 1) |
Inhoud KYC-pack |
Uit het digitale beslag volgt dat [Limited 1] op 24 oktober 2016 in een e-mail aan [B.V. 1] het bedrijfsregistratienummer, het btw-nummer en algemene bedrijfsinformatie heeft opgenomen. In het onderzoek is verder geen informatie over KYC-onderzoek, zoals inzage in het handelsregister, door [B.V. 1] naar [Limited 1] aangetroffen. [A] heeft verklaard dat [naam kredietverzekeraar] de kredietwaardigheid van [Limited 1] heeft onderzocht. (AMB-102, p. 6 / DOC-572, p. 1 / V-005-04, p. 3) |
Klantenbestand |
In het klantenbestand van [B.V. 1] is het e-mailadres [e-mailadres 1] opgenomen als e-mailadres van [Limited 1] . (AMB-102, p. 6) |
Milieuvergunning |
Bedrijven en personen die in het Verenigd Koninkrijk betrokken zijn bij de opslag, verkoop en transport van oude metalen dienen geregistreerd te zijn bij de overheidsinstelling "Environment Agency" die de benodigde vergunningen verleent. De vergunningen zijn te raadplegen in het openbare register van deze instelling. [Limited 1] beschikte pas vanaf [datum] 2017 over een vergunning. (AMB-110, p. 2) |
Afleveradres goederen |
De goederen zijn afgeleverd op een ander adres dan het vestigingsadres van [Limited 1] . (DOC-099, p. 4) |
Goederenstroom |
De belastingautoriteit van het Verenigd Koninkrijk (HMRC) heeft de Belastingdienst in juni 2016 om informatie verzocht. In dit verzoek staat: “ [Limited 1] is suspected of MTIC fraud and also possible money laundering. The known deal chain: [B.V. 4] (NL) > [Limited 1] (UK) > [Limited 8] (UK) or [Limited 9] (UK).” (DOC-099, p. 7) [B.V. 1] was de grootste leverancier van [B.V. 4] . [B.V. 4] heeft intracommunautaire leveringen aan afnemers in het Verenigd Koninkrijk verricht en is betrokken in hetzelfde strafrechtelijk onderzoek als [B.V. 1] . [B.V. 1] heeft zelf ook intracommunautaire leveringen aan [Limited 1] verricht. |
Verplichtingen [Limited 1] in het Verenigd Koninkrijk |
In een namens HMRC afgelegde getuigenverklaring staat dat [Limited 1] (nagenoeg) geen omzetbelasting heeft voldaan in het Verenigd Koninkrijk door het opnemen van fictieve aankopen van goederen in het Verenigd Koninkrijk in de aangiften omzetbelasting: “ [Limited 1] did not fulfil its tax (VAT) obligations with HMRC. The total VAT debt owing to HMRC was £11,904,502.38. (…) [Limited 1] did pay its small VAT liabilities due. The VAT returns rendered to HMRC did not include VAT repayments. [Limited 1] was a UK buffer type trader. [Limited 1] was not a UK missing trader. Its day-to-day UK trading address was in [buitenlandse plaats] . [Limited 1] had a live UK VAT number of [VAT nummer 1] from 21/07/2014 to 31/08/2017. [Limited 1] had its UK VAT number compulsory taken away by HMRC using the abuse argument (Ablessio). From 01/09/2017 the UK VAT number of [VAT nummer 1] was not live. [Limited 1] was involved In MTIC / Supply Chain Fraud against HMRC. [Limited 1] had eight Kittel denial decisions taken against them. The VAT periods Involved and Input Tax (VAT) denied is shown below: 11/15 £431,010.00 02/16 £1,438,383.00 05/16 £1,865,175.00 08/16 £1,419,948.00 11/16 £2,524,541.00 02/17 £1,946,180.00 05/17 £914,020.00 99/99 £888,942.00 HMRC did not take any criminal investigation action against [Limited 1] . [Limited 1] acquired goods from the EU and these were offset by false UK purchases. The goods purchased in the UK from defaulters were not sold on anywhere. No onwards sales invoices and no UK business bank statements were provided by [Limited 1] to support the transactions (deals).” (EOB-006b, p. 1-2) |
[Limited 2]
Uit de gedingstukken volgt met betrekking tot de afnemer [Limited 2] :
Oprichting |
De vennootschap is op [datum] 2016 opgericht. (DOC-306a) |
Activiteiten volgens handelsregister |
"To be provided on next annual return" (DOC-306a) |
Inhoud KYC-pack |
Er is geen communicatie aangetroffen tussen de directeur van [Limited 2] en [B.V. 1] . (AMB-092, p. 8) |
Verklaring directeur [Limited 2] |
De directeur van [Limited 2] heeft verklaard niets te weten van handel met Nederlandse vennootschappen, dat hij geen controle had over de onderneming en alleen documentatie heeft over de opening van een bankrekening. (DOC-542, p. 7 / DOC-543, p. 7 / VACP02353, p. 7) |
Contactpersoon [Limited 2] |
[H] heeft een e-mail aan [A] gestuurd met " [Limited 2] Company Docs". (AMB-026, p. 5) [C] heeft op de vraag wie de contactpersoon voor [Limited 2] was verklaard: "Dat was [H] . Dat was ook een grote fout van ons geweest. Hij is een Nederlander. Hij zat heel lang voor ons op de kraan. Hij wilde meer voor ons doen. Hij zei dat hij een groot netwerk had in Engeland. Hij wilde de verkoop in en de weg op. Het spreekt niet voor ons als je zijn naam intoetst op Google. Dat is een van de redenen dat we hem weg hebben gestuurd. Hij kwam met [Limited 2] aanzetten en dat is ook een reden waarom we geen zaken meer met hem doen. U vraagt mij of hij ook de contactpersoon was voor [Limited 2] . Dat zou ik na moeten kijken, dat weet ik zo niet. Als je hem zoekt in mijn telefoon, dan vind je zijn nummer waarschijnlijk onder de naam [Limited 2] ." (V-008-03, p. 5) |
Klantenbestand |
In het klantenbestand van [B.V. 1] is het e-mailadres [e-mailadres 2] opgenomen als e-mailadres van [Limited 2] . (AMB-092, p. 8) |
Milieuvergunning |
Bedrijven en personen die in het Verenigd Koninkrijk betrokken zijn bij de opslag, verkoop en transport van oude metalen dienen geregistreerd te zijn bij de overheidsinstelling "Environment Agency" die de benodigde vergunningen verleent. De vergunningen zijn te raadplegen in het openbare register van deze instelling. [Limited 2] beschikte niet over een vergunning. (AMB-110, p. 2) |
Derdenbetalingen |
[B.V. 1] heeft voor de leveringen aan [Limited 2] betalingen van derden ontvangen, namelijk: [Limited 10] , [Limited 11] , [Limited 12] en [Limited 13] . (AMB-026, p. 5-6 / AMB-092, p. 11) |
Afleveradres goederen |
De goederen zijn afgeleverd op ander adres dan het vestigingsadres van [Limited 2] . (AMB-026, p. 3-4) |
Verplichtingen [Limited 2] in het Verenigd Koninkrijk |
HMRC heeft verklaard dat [Limited 2] geen btw-aangiften heeft ingediend en ook geen intracommunautaire verwervingen heeft aangegeven. HMRC heeft een naheffingsaanslag opgelegd aan [Limited 2] voor transacties met een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde onderneming (DOC-542, p. 7). In een vertaling van een namens HMRC afgelegde getuigenverklaring staat: “[Limited 2] ., BTW-registratienummer: […] Volgens de systemen van HMRC is het BTW-referentienummer van [Limited 2] per 26-11-2016 doorgehaald en is een belastingaanslag opgelegd aan de onderneming. HMRC heeft een onderzoek uitgevoerd naar BTW-fraude wat ten laste is gelegd. Het proces begint in januari 2025. [Limited 2] . zal onderdeel uitmaken van dit proces.” |
[Limited 4]
Uit de gedingstukken volgt met betrekking tot de afnemer [Limited 4] :
Oprichting |
De vennootschap is op [datum] 2015 opgericht. (DOC-312) |
Activiteiten volgens handelsregister |
"Construction of other civil engineering projects not elsewhere classified" (DOC-312) |
Inhoud KYC-pack |
[Limited 4] heeft op 25 april 2016 een e-mail met bedrijfsinformatie aan [B.V. 1] gestuurd. Als bijlagen bij de e-mail zijn opgenomen een oprichtingscertificaat, een brief van HMRC met informatie voor nieuwe bedrijven, een brief van HMRC met een bevestiging dat het btw-nummer (automatisch) is geactiveerd en kan worden gebruikt om aangiften omzetbelasting in te dienen en een brief van de HSBC-bank met bankgegevens. (AMB-097, p. 5 / DOC-317, p. 1-2 / DOC-318a t/m d) |
Milieuvergunning |
Bedrijven en personen die in het Verenigd Koninkrijk betrokken zijn bij de opslag, verkoop en transport van oude metalen dienen geregistreerd te zijn bij de overheidsinstelling "Environment Agency" die de benodigde vergunningen verleent. De vergunningen zijn te raadplegen in het openbare register van deze instelling. [Limited 4] beschikte niet over een vergunning. (AMB-110, p. 2) |
Afleveradres goederen |
De goederen zijn afgeleverd op ander adres dan het vestigingsadres van [Limited 4] . (AMB-097, p. 5 / DOC-319) |
Verplichtingen [Limited 4] in het Verenigd Koninkrijk |
In een namens HMRC afgelegde getuigenverklaring staat: “ [Limited 4] did not file any VAT returns. (…) [Limited 4] did not declare any trade whatsoever. (…) Yes, [Limited 4] are considered to be a missing trader. HMRC received information that suggested had supplied metals to [Limited 14] , a company based in the UK and registered for VAT under registration number [VAT nummer 2] . This purported supply of goods differed from the activity that had been previously stated by [Limited 4] on the application to register for VAT which was the provision of Freight and courier services. I exhibit as LDNO1 a copy of the application to register for VAT submitted by [Limited 4] . On 27/9/16 I visited the stated business address of [Limited 4] and was informed that the company had moved premises. I visited the premises that [Limited 4] had moved to and found that [Limited 4] were not present at that location. A further visit was then carried out to a residential address which was thought to be the Director's home address but was unable to make contact with the Director. Letters were left at all three premises advising that because HMRC were unable to confirm that [Limited 4] were carrying out business activities, they would be Deregistered for VAT. I exhibit as LDN02 a copy of the report of these visits. (…) It is possible that [Limited 4] could be associated to VAT fraud as it would appear that it had made sales of metals to [Limited 14] without declaring these sales to HMRC.” (EOB-008b, p. 3-4) |
[Limited 6]
Uit de gedingstukken volgt met betrekking tot de afnemer [Limited 6] :
Oprichting |
De vennootschap is op [datum] 2014 opgericht onder de naam [Limited 6-a] . (DOC-307a) |
Activiteiten volgens handelsregister |
"Wholesale of fruit and vegetables" (DOC-307a) |
Inhoud KYC-pack |
Uit het onderzoek naar het fysiek en digitaal beslag bij [B.V. 1] volgt niet dat KYC-informatie is aangetroffen. (AMB-091, p. 9-11) |
Milieuvergunning |
Bedrijven en personen die in het Verenigd Koninkrijk betrokken zijn bij de opslag, verkoop en transport van oude metalen dienen geregistreerd te zijn bij de overheidsinstelling "Environment Agency" die de benodigde vergunningen verleent. De vergunningen zijn te raadplegen in het openbare register van deze instelling. [Limited 6] beschikte niet over een vergunning. (AMB-110, p. 1) |
Verplichtingen [Limited 6] in het Verenigd Koninkrijk |
[Limited 6] heeft over het tweede tot en met het vierde kwartaal 2016 geen btw-aangiften ingediend. Het btw-nummer is op 31 augustus 2016 na onderzoek door HMRC ingetrokken: “HMRC contacted the UK trader " [Limited 6] ' but could not trace this Company as they are a missing trader. From looking at Google maps HMRC noticed that the property is a derelict shop that could not have been used to trade in metals. This is typical of a missing trader business. The trader was advised by letters on 19/08/2016, to respond within 7 days or they would be deregistered. The director failed to responed to HMRC letters and as a result, the company was deregistered by HMRC on 31st August 2016 (Missing Trade). They were deregistered at this point - not retroactively. The UK Trader is alleged to be involved in Tax Fraud (including MTIC VAT Fraud) — missing trader. The real date of deregistration was 31st August 2016. On 13/01/2017, HMRC issued VAT Notice of assessment of tax, because the trader did not submit their VAT return for the period 01/07/2016 to 30/08/2016 for £43,735.00. To date HMRC have not receive any respones from the trader.” (DOC-491, p. 7) In een namens HMRC afgelegde getuigenverklaring staat: “ [Limited 6] did not supply any VAT returns and therefore did not fulfil it's tax obligations. [Limited 6] are a missing trader and was deregistered by HMRC on 31st August 2016. They did not respond to HMRC letters advising them to respond within 7 days or they would be deregistered, they were deregistered at this point and dissolved on 01st November 2016. The total HMRC debt of £156,662 was written off by Insolvency. It is suspected that [Limited 6] are part of the wider Organised crime Group associated with suspects part of a HMRC investigation, however this company will not be included as part of the HMRC investigation.” (EOB-002b, p. 3) |
[Limited 7]
Uit de gedingstukken volgt met betrekking tot de afnemer [Limited 7] :
Oprichting |
De vennootschap is op [datum] 2015 opgericht. (DOC-305a) |
Activiteiten volgens handelsregister |
"To be provided on next annual return" / "Other retail sale not in stores, stalls or markets" (DOC-305b / DOC-340, p. 4) |
Inhoud KYC-pack |
Uit het onderzoek naar het fysiek en digitaal beslag bij [B.V. 1] volgt niet dat KYC-informatie is aangetroffen. (AMB-090, p. 9-11) |
Klantenbestand |
In het klantenbestand van [B.V. 1] is het e-mailadres [e-mailadres 2] opgenomen als e-mailadres van [Limited 7] . (AMB-090, p. 9) |
Milieuvergunning |
Bedrijven en personen die in het Verenigd Koninkrijk betrokken zijn bij de opslag, verkoop en transport van oude metalen dienen geregistreerd te zijn bij de overheidsinstelling "Environment Agency" die de benodigde vergunningen verleent. De vergunningen zijn te raadplegen in het openbare register van deze instelling. [Limited 7] beschikte niet over een vergunning. (AMB-110, p. 1) |
Afleveradres goederen |
De goederen zijn afgeleverd op ander adres dan het vestigingsadres van [Limited 7] . (AMB-090, p. 11) |
Verplichtingen [Limited 7] in het Verenigd Koninkrijk |
[Limited 7] heeft niet aan zijn belastingverplichtingen in het Verenigd Koninkrijk voldaan. Het btw-nummer was actief in de periode van [datum] 2015 tot 11 december 2015. Voor januari tot en met december 2016 zijn geen aangiften ingediend. (EOB-012b, p. 3-4) HMRC heeft niet in contact kunnen komen met [Limited 7] en de vennootschap aangemerkt als missing trader: “HMRC conducted unannounced visit on 30/11/2015 to the UK trader [Limited 7] at [adres] but it was unsuccessful as we have not been able to answer your queries (missing trader) HMRC has found the following information: Visiting officer carried out a visit to trader, however, no one was present The premises is a small industrial unit with a front shutter door and a 'standard' door with a letterbox to the side. On 10.12.2015 HMRC cancelled traders VAT registration as no one was there at the premises and we did not receive a response to our letter Trader missing and is suspected of being the defaulter in MTIC transaction chains Our records indicate [Limited 7] made acquisitions in the months of July 2015 and September 2015. HMRC also hold records which show that sales of non-ferrous metals were made to [Limited 15] in July and August 2015. See previous reply reference NL-3707 to your request NLVACP1301372 for details. Associated Businesses - [Limited 16] traded from same address but did not submit VAT returns and was deregistered as 'missing'. Also linked to known MTIC trader [Limited 10] ” (DOC-029, p. 7) |
Oordeel van de Rechtbank
De Rechtbank heeft in de zaak met nummer SGR 22/3350 geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Beoordeling van het geschil
14. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie is het aan de belastingdienst om aan de hand van objectieve gegevens rechtens genoegzaam te bewijzen dat de belastingplichtige btw-fraude heeft gepleegd of wist of had moeten weten dat hij met zijn transacties onderdeel was van een dergelijke fraude. Het is vervolgens aan de nationale rechter om na te gaan of de belastingdienst het bestaan van dergelijke objectieve gegevens heeft aangetoond.[3]
15. In zijn arrest van 1 december 2022 in de zaak Aquila Part Prod Com[4] overwoog het Hof van Justitie, voor zover hier van belang, het volgende:
“31 Daar het Unierecht niet voorziet in regels voor de bewijsvoering in geval van btw-fraude, dienen deze objectieve gegevens door de belastingdienst te worden vastgesteld overeenkomstig de nationaalrechtelijke bewijsregels. Deze regels mogen evenwel de doeltreffendheid van het Unierecht niet aantasten (arrest van 11 november 2021, Ferimet, C‑281/20, EU:C:2021:910, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Uit de in de punten 27 tot en met 31 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak volgt dat het recht op aftrek aan de belastingplichtige slechts kan worden ontzegd indien, na een overeenkomstig de nationale bewijsregels verrichte algehele beoordeling van alle gegevens en alle feitelijke omstandigheden van het geval, vaststaat dat hij btw-fraude heeft gepleegd of dat hij wist of had moeten weten dat de handeling waarvoor aanspraak op dat recht wordt gemaakt, onderdeel was van een dergelijke fraude. Het recht op aftrek kan slechts worden geweigerd wanneer deze feiten rechtens genoegzaam zijn aangetoond, anders dan middels veronderstellingen (zie in die zin arrest van 11 november 2021, Ferimet, C‑281/20, EU:C:2021:910, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Hieruit moet worden afgeleid dat de belastingdienst die voornemens is het recht op aftrek te weigeren – overeenkomstig de nationaalrechtelijke bewijsregels en zonder de doeltreffendheid van het Unierecht aan te tasten – aan de hand van objectieve gegevens rechtens genoegzaam moet aantonen dat er inderdaad sprake is van btw-fraude én dat de belastingplichtige fraude heeft gepleegd, of dat deze wist of had moeten weten dat de handeling waarvoor aanspraak op dat recht werd gemaakt, onderdeel was van de fraude.
34 Dit bewijsvereiste verbiedt, ongeacht de aard van de fraude of de onderzochte handelingen, het gebruik van aannames of vermoedens die, door omkering van de bewijslast, afbreuk zouden doen aan het grondbeginsel van het gemeenschappelijk btw-stelsel, dat het recht op aftrek is, en derhalve aan de doeltreffendheid van het Unierecht.”
16. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt verder dat nationale autoriteiten en rechtelijke instanties de rechten waarop aanspraak wordt gemaakt in geval van fraude of misbruik moeten weigeren, ongeacht of het gaat om een recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de btw in verband met een intracommunautaire levering.[5] Hetgeen het Hof van Justitie in de zaak Aquila Part Prod Com overweegt ten aanzien van de bewijsvoering in het kader van de weigering van het recht op aftrek van voorbelasting in het geval van btw-fraude, heeft naar het oordeel van de rechtbank ook te gelden voor de bewijsvoering van in het kader van de weigering van de toepassing van het nultarief ter zake van intracommunautaire leveringen.
17. Verweerder dient dan ook volgens de nationaalrechtelijke bewijsregels aan de hand van objectieve gegevens aan te tonen dat, zoals hij stelt, er sprake is van btw-fraude en dat [B.V. 1] en daarmee eiseres wist of had moeten weten dat zij met haar transacties onderdeel uitmaakte van die btw-fraude.
18. In zijn arrest van 19 januari 2018[6] heeft de Hoge Raad over dat te leveren bewijs het volgende geoordeeld:
“Het Hof heeft in het midden gelaten of ter zake van de hiervoor in 3.1.2 bedoelde leveringen werd voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van het nultarief voor leveringen van goederen die zijn vervoerd naar een andere lidstaat wanneer deze goederen aldaar zijn onderworpen aan de heffing van btw. Daarom moet in cassatie veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat aan die wettelijke voorwaarden werd voldaan. In dat geval wordt het nultarief geweigerd indien de betrokken ondernemer wist of had moeten weten dat hij deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen. Om het nultarief op die grond te weigeren is vereist dat wordt vastgesteld i) hoe de desbetreffende keten van leveringen was ingericht en welke plaats de betrokken ondernemer in die keten innam, ii) in welke schakel(s) van die keten btw-fraude werd gepleegd en wat die btw-fraude inhield, en iii) dat en op welke gronden geoordeeld moet worden dat die ondernemer wist of had moeten weten dat de btw-fraude plaatsvond in die keten.”
19. De rechtbank Amsterdam heeft in haar vonnis van 26 april 2022[7] aan de hand van ditzelfde toetsingskader van de Hoge Raad per afnemer beoordeeld of [B.V. 1] ten onrechte leveringen tegen het nultarief heeft aangegeven. De rechtbank Amsterdam heeft vervolgens voor alle relevante Britse afnemers geoordeeld dat zij op basis van het dossier niet heeft kunnen vaststellen dat er btw-fraude heeft plaatsgevonden in de handelsketen tussen [B.V. 1] en die afnemers. De rechtbank volgt die toetsing.
20. De rechtbank acht, net als rechtbank Amsterdam, voldoende signalen aanwezig voor het vermoeden dat in ieder geval een deel van de zeven Britse afnemers op enig moment frauduleus heeft gehandeld, maar verweerder heeft geen aanvullend bewijs voor het daadwerkelijk aanwezig zijn van fraude in de handelsketen tussen [B.V. 1] , als onderdeel van eiseres, en die zeven Britse afnemers overgelegd. Aldus kan niet worden vastgesteld dat en in welke schakel(s) van de handelsketen(s) waar [B.V. 1] , als onderdeel van eiseres, deel van uitmaakte btw-fraude zou zijn gepleegd en wat die btw-fraude inhield. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen dan de strafkamer van de rechtbank Amsterdam. Het beroep is om die reden reeds gegrond. Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd over de vraag of eiseres voldoende zorgvuldig is geweest, behoeft daarom geen behandeling meer.
Proceskosten
21. Eiseres heeft verzocht om een integrale vergoeding van de proceskosten. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) wordt het bedrag van de te vergoeden proceskosten in beginsel forfaitair vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Bpb opgenomen tarief. Artikel 2, derde lid, van het Bpb bevat de mogelijkheid van de forfaitaire kostenvaststelling af te wijken in het geval sprake is van bijzondere omstandigheden.
22. Voor toekenning van een (proces)kostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Bpb is grond, indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (‘tegen beter weten in procederen’) of indien verweerder het verwijt treft dat hij in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld.[8]
23. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder een van deze hiervoor vermelde verwijten treft. Verweerder kon op basis van de informatie uit de stukken van de FIOD de onderhavige naheffingsaanslag opleggen. Daaraan doet niet af dat de bestuursrechter in de bibob-procedure vóór het opleggen van de naheffingsaanslag al heeft geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [B.V. 1] onderdeel was van een btw-carrouselfraude. De bestuursrechter in de bibob-procedure heeft immers ook overwogen dat zij wel voldoende signalen aanwezig acht voor de algemene veronderstelling dat de desbetreffende Britse bedrijven op enig moment frauduleus hebben gehandeld. Verweerder heeft dan ook niet tegen beter weten in gehandeld door op basis van de stukken van de FIOD een naheffingsaanslag op te leggen. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking het niet onwaarschijnlijk te vinden dat verweerder niet op de hoogte was van die beslissing van de bestuursrechter nu die zaak uitsluitend om een vergunningverlening draaide waar verweerder op zichzelf in het geheel niet bij is betrokken. Nu er tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2022 hoger beroep is aangetekend en de vrijspraak van [B.V. 1] dus nog niet onherroepelijk vaststaat, kan ook niet worden geoordeeld dat verweerder tegen beter weten in handelt door de naheffingsaanslag te handhaven. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van ernstig onzorgvuldig handelen.
24. Gelet op wat hiervoor is overwogen, stelt de rechtbank de proceskostenvergoeding vast aan de hand van de forfaitaire bedragen van het Bpb. De rechtbank merkt hierbij de onderhavige zaak en de zaak van [B.V. 1] aan als samenhangende zaken. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden voor de beide zaken tezamen vastgesteld op € 4.302 (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 597 en 1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 1,5 voor de zwaarte van de zaken. De rechtbank heeft in de aard en de omvang van de zaken aanleiding gezien om het gewicht van de zaken als zwaar aan te merken. Van de proceskostenvergoeding zal de helft worden toegekend in de onderhavige zaak en de helft in de zaak met zaaknummer SGR 22/3350.
[3] HvJ EU 11 november 2021, Ferimet, C‑281/20, ECLI:EU:C:2021:910, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
[4] HvJ EU van 1 december 2022, Aquila Part Prod Com, C-512/21, ECLI:EU:C:2022:950.
[5] HvJ 18 december 2014, gevoegde zaken C‑131/13, C‑163/13 en C‑164/13, Staatssecretaris van Financiën tegen Schoenimport „Italmoda” Mariano Previti vof en Turbu.com BV Turbu.com Mobile Phone’s BV tegen Staatssecretaris van Financiën, ECLI:EU:C:2014:2455, r.o. 49.
[6] HR 19 januari 2018, 16/06245, ECLI:NL:HR:2018:51.
[7] Zie onderdeel 2.3.1.2 van het vonnis
[8] vgl. HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.”
De Rechtbank heeft in de zaak met nummer SGR 22/3376 geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Beoordeling van het geschil
14. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie is het aan de belastingdienst om aan de hand van objectieve gegevens rechtens genoegzaam te bewijzen dat de belastingplichtige btw-fraude heeft gepleegd of wist of had moeten weten dat hij met zijn transacties onderdeel was van een dergelijke fraude. Het is vervolgens aan de nationale rechter om na te gaan of de belastingdienst het bestaan van dergelijke objectieve gegevens heeft aangetoond.[3]
15. In zijn arrest van 1 december 2022 in de zaak Aquila Part Prod Com[4] overwoog het Hof van Justitie, voor zover hier van belang, het volgende:
“31 Daar het Unierecht niet voorziet in regels voor de bewijsvoering in geval van btw-fraude, dienen deze objectieve gegevens door de belastingdienst te worden vastgesteld overeenkomstig de nationaalrechtelijke bewijsregels. Deze regels mogen evenwel de doeltreffendheid van het Unierecht niet aantasten (arrest van 11 november 2021, Ferimet, C‑281/20, EU:C:2021:910, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Uit de in de punten 27 tot en met 31 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak volgt dat het recht op aftrek aan de belastingplichtige slechts kan worden ontzegd indien, na een overeenkomstig de nationale bewijsregels verrichte algehele beoordeling van alle gegevens en alle feitelijke omstandigheden van het geval, vaststaat dat hij btw-fraude heeft gepleegd of dat hij wist of had moeten weten dat de handeling waarvoor aanspraak op dat recht wordt gemaakt, onderdeel was van een dergelijke fraude. Het recht op aftrek kan slechts worden geweigerd wanneer deze feiten rechtens genoegzaam zijn aangetoond, anders dan middels veronderstellingen (zie in die zin arrest van 11 november 2021, Ferimet, C‑281/20, EU:C:2021:910, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Hieruit moet worden afgeleid dat de belastingdienst die voornemens is het recht op aftrek te weigeren – overeenkomstig de nationaalrechtelijke bewijsregels en zonder de doeltreffendheid van het Unierecht aan te tasten – aan de hand van objectieve gegevens rechtens genoegzaam moet aantonen dat er inderdaad sprake is van btw-fraude én dat de belastingplichtige fraude heeft gepleegd, of dat deze wist of had moeten weten dat de handeling waarvoor aanspraak op dat recht werd gemaakt, onderdeel was van de fraude.
34 Dit bewijsvereiste verbiedt, ongeacht de aard van de fraude of de onderzochte handelingen, het gebruik van aannames of vermoedens die, door omkering van de bewijslast, afbreuk zouden doen aan het grondbeginsel van het gemeenschappelijk btw-stelsel, dat het recht op aftrek is, en derhalve aan de doeltreffendheid van het Unierecht.”
16. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt verder dat nationale autoriteiten en rechtelijke instanties de rechten waarop aanspraak wordt gemaakt in geval van fraude of misbruik moeten weigeren, ongeacht of het gaat om een recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de btw in verband met een intracommunautaire levering.[5] Hetgeen het Hof van Justitie in de zaak Aquila Part Prod Com overweegt ten aanzien van de bewijsvoering in het kader van de weigering van het recht op aftrek van voorbelasting in het geval van btw-fraude, heeft naar het oordeel van de rechtbank ook te gelden voor de bewijsvoering van in het kader van de weigering van de toepassing van het nultarief ter zake van intracommunautaire leveringen.
17. Verweerder dient dan ook volgens de nationaalrechtelijke bewijsregels aan de hand van objectieve gegevens aan te tonen dat, zoals hij stelt, er sprake is van btw-fraude en dat [B.V. 1] en daarmee eiseres wist of had moeten weten dat zij met haar transacties onderdeel uitmaakte van die btw-fraude.
18. In zijn arrest van 19 januari 2018[6] heeft de Hoge Raad over dat te leveren bewijs het volgende geoordeeld:
“Het Hof heeft in het midden gelaten of ter zake van de hiervoor in 3.1.2 bedoelde leveringen werd voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van het nultarief voor leveringen van goederen die zijn vervoerd naar een andere lidstaat wanneer deze goederen aldaar zijn onderworpen aan de heffing van btw. Daarom moet in cassatie veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat aan die wettelijke voorwaarden werd voldaan. In dat geval wordt het nultarief geweigerd indien de betrokken ondernemer wist of had moeten weten dat hij deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen. Om het nultarief op die grond te weigeren is vereist dat wordt vastgesteld i) hoe de desbetreffende keten van leveringen was ingericht en welke plaats de betrokken ondernemer in die keten innam, ii) in welke schakel(s) van die keten btw-fraude werd gepleegd en wat die btw-fraude inhield, en iii) dat en op welke gronden geoordeeld moet worden dat die ondernemer wist of had moeten weten dat de btw-fraude plaatsvond in die keten.”
19. De rechtbank Amsterdam heeft in haar vonnis van 26 april 2022[7] aan de hand van ditzelfde toetsingskader van de Hoge Raad per afnemer beoordeeld of [B.V. 1] ten onrechte leveringen tegen het nultarief heeft aangegeven. De rechtbank Amsterdam heeft vervolgens voor alle relevante Britse afnemers geoordeeld dat zij op basis van het dossier niet heeft kunnen vaststellen dat er btw-fraude heeft plaatsgevonden in de handelsketen tussen [B.V. 1] en die afnemers. De rechtbank volgt die toetsing.
20. De rechtbank acht, net als rechtbank Amsterdam, voldoende signalen aanwezig voor het vermoeden dat in ieder geval een deel van de zeven Britse afnemers op enig moment frauduleus heeft gehandeld, maar verweerder heeft geen aanvullend bewijs voor het daadwerkelijk aanwezig zijn van fraude in de handelsketen tussen [B.V. 1] , als onderdeel van eiseres, en die zeven Britse afnemers overgelegd. Aldus kan niet worden vastgesteld dat en in welke schakel(s) van de handelsketen(s) waar [B.V. 1] , als onderdeel van eiseres, deel van uitmaakte btw-fraude zou zijn gepleegd en wat die btw-fraude inhield. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen dan de strafkamer van de rechtbank Amsterdam. Het beroep is om die reden reeds gegrond. Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd over de vraag of eiseres voldoende zorgvuldig is geweest, behoeft daarom geen behandeling meer.
Proceskosten
21. Eiseres heeft verzocht om een integrale vergoeding van de proceskosten. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) wordt het bedrag van de te vergoeden proceskosten in beginsel forfaitair vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Bpb opgenomen tarief. Artikel 2, derde lid, van het Bpb bevat de mogelijkheid van de forfaitaire kostenvaststelling af te wijken in het geval sprake is van bijzondere omstandigheden.
22. Voor toekenning van een (proces)kostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Bpb is grond, indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (‘tegen beter weten in procederen’) of indien verweerder het verwijt treft dat hij in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld.[8]
23. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder een van deze hiervoor vermelde verwijten treft. Verweerder kon op basis van de informatie uit de stukken van de FIOD de onderhavige naheffingsaanslag opleggen. Daaraan doet niet af dat de bestuursrechter in de bibob-procedure vóór het opleggen van de naheffingsaanslag al heeft geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [B.V. 1] onderdeel was van een btw-carrouselfraude. De bestuursrechter in de bibob-procedure heeft immers ook overwogen dat zij wel voldoende signalen aanwezig acht voor de algemene veronderstelling dat de desbetreffende Britse bedrijven op enig moment frauduleus hebben gehandeld. Verweerder heeft dan ook niet tegen beter weten in gehandeld door op basis van de stukken van de FIOD een naheffingsaanslag op te leggen. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking het niet onwaarschijnlijk te vinden dat verweerder niet op de hoogte was van die beslissing van de bestuursrechter nu die zaak uitsluitend om een vergunningverlening draaide waar verweerder op zichzelf in het geheel niet bij is betrokken. Nu er tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2022 hoger beroep is aangetekend en de vrijspraak van [B.V. 1] dus nog niet onherroepelijk vaststaat, kan ook niet worden geoordeeld dat verweerder tegen beter weten in handelt door de naheffingsaanslag te handhaven. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van ernstig onzorgvuldig handelen.
24. Gelet op wat hiervoor is overwogen, stelt de rechtbank de proceskostenvergoeding vast aan de hand van de forfaitaire bedragen van het Bpb. De rechtbank merkt hierbij de onderhavige zaak en de zaak van [B.V. 1] aan als samenhangende zaken. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden voor de beide zaken tezamen vastgesteld op € 4.302 (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 597 en 1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 1,5 voor de zwaarte van de zaken. De rechtbank heeft in de aard en de omvang van de zaken aanleiding gezien om het gewicht van de zaken als zwaar aan te merken. Van de proceskostenvergoeding zal de helft worden toegekend in de onderhavige zaak en de helft in de zaak met zaaknummer SGR 22/3350.
[3] HvJ EU 11 november 2021, Ferimet, C‑281/20, ECLI:EU:C:2021:910, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
[4] HvJ EU van 1 december 2022, Aquila Part Prod Com, C-512/21, ECLI:EU:C:2022:950.
[5] HvJ 18 december 2014, gevoegde zaken C‑131/13, C‑163/13 en C‑164/13, Staatssecretaris van Financiën tegen Schoenimport „Italmoda” Mariano Previti vof en Turbu.com BV Turbu.com Mobile Phone’s BV tegen Staatssecretaris van Financiën, ECLI:EU:C:2014:2455, r.o. 49.
[6] HR 19 januari 2018, 16/06245, ECLI:NL:HR:2018:51.
[7] Zie onderdeel 2.3.1.2 van het vonnis
[8] vgl. HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.”