Gerechtshof Den Haag, 23-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:165, BK-23/758
Gerechtshof Den Haag, 23-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:165, BK-23/758
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 23 januari 2025
- Datum publicatie
- 10 maart 2025
- Annotator
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2023:12093, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- BK-23/758
- Relevante informatie
- Art. 9 BPM, Art. 10 BPM, Art. 110 VWEU
Inhoudsindicatie
Naheffingsaanslag bpm. Artikel 110 VWEU. CO₂-uitstoot. NEDC-/WLTP-methode. De auto en de referentieauto hebben afwijkende EU-typegoedkeuringen en kunnen niet als gelijksoortig worden beschouwd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het onderscheid tussen de twee typegoedkeuringen uitsluitend is gelegen in de meetmethode. Vaststelling historische nieuwprijs. In aanmerking te nemen schade bij waardebepaling. Toekenning vergoeding van immateriële schade.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-23/758
in het geding tussen:
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 19 juli 2023, nummer SGR 22/5481.
Procesverloop
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 4.614 (de naheffingsaanslag).
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 274. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 17 oktober 2024. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op 25 november 2024.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 december 2024. De gemachtigde van belanghebbende heeft aan de zitting deelgenomen via MS Teams, met een rechtstreekse beeld- en geluidverbinding met het Hof. De Inspecteur is fysiek verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende heeft op 6 januari 2021 aangifte bpm gedaan ter zake van een Mercedes-Benz GLE-klasse (de auto). De auto is geproduceerd op 22 maart 2019. De datum van eerste toelating is 10 april 2019. In de aangifte is de historische nieuwprijs vastgesteld op € 137.974 en de handelsinkoopwaarde van de auto is vastgesteld op € 24.710. Op aangifte is een bedrag van € 8.330 aan bpm voldaan.
Op 16 oktober 2020 is de auto opgenomen door een taxateur van [naam taxateur] . Daarvan is op 5 januari 2021 een taxatierapport opgesteld. Met toepassing van een waardevermindering van € 22.082 wegens schade aan de auto is de handelsinkoopwaarde in het taxatierapport bepaald op € 24.710.
Op 11 januari 2021 heeft een hertaxatie door DRZ plaatsgevonden. DRZ heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 143.541 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld op € 46.700 (koerslijst Xray (Marge)). DRZ heeft voor een bedrag van € 8.817 aan schade aan de auto aangetroffen en deze voor 72% (€ 6.348) in aanmerking genomen.
De naheffingsaanslag bpm bedraagt € 4.614. Bij het berekenen van de procentuele afschrijving is uitgegaan van de gegevens in het rapport van DRZ. Er is geen waardevermindering in verband met een schadeverleden in aanmerking genomen. De historische nieuwprijs is gebaseerd op een referentieauto met een CO2-uitstoot van 238 gram per kilometer.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“7. De rechtbank stelt voorop dat de registratie van de auto voor Bpm het belastbare feit vormt en dat de belasting op aangifte moet worden voldaan voordat de auto op naam is gesteld. De verschuldigde Bpm dient dan ook te worden berekend met inachtneming van de waarde van de auto ten tijde van het doen van aangifte. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de auto ten tijde van aangifte meer schade had dan de door DRZ geconstateerde schade. Eiser slaagt daar niet in. Het rapport van de taxateur van eiser kan daartoe niet dienen nu het is gebaseerd op een opname die al op 16 oktober 2020 heeft plaatsgevonden. Ook anderszins heeft eiser niet onderbouwd dat de auto op het moment van aangifte dermate beschadigd was dat daaraan een hogere waardevermindering moet worden verbonden dan bij de aanslagoplegging reeds in aanmerking is genomen.
8. Eiser heeft gesteld dat voor het berekenen van de procentuele afschrijving moet worden uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 143.809. Daarbij gaat hij uit van een bedrag aan bruto Bpm van € 46.810, ofwel de bruto Bpm van een referentieauto met een CO2-uitstoot van 267 gram/kilometer. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Om het juiste afschrijvingspercentage te berekenen dienen catalogusprijs (historische nieuwprijs) en handelsinkoopwaarde betrekking te hebben op hetzelfde referentievoertuig.[1] De systematiek van eiser, waarbij de catalogusprijs van een voertuig met een CO2-uitstoot van 238 gram per kilometer vermeerderd wordt met de bruto Bpm van een voertuig met een CO2-uistoot van 267 gram per kilometer strookt daar niet mee.
9. Eiser heeft gesteld dat de overgang van de NEDC-methode naar de WLTP-methode ertoe heeft geleid dat de auto zwaarder wordt belast dan soortgelijke auto’s, hetgeen leidt tot strijd met artikel 110 VWEU. Deze stelling kan niet leiden tot een gegrond beroep. Bij de overgang van NEDC naar WLTP is geen onderscheid gemaakt tussen auto’s die zich reeds op de Nederlandse markt bevinden en auto’s die vanuit andere EU-lidstaten naar Nederland komen. Het onderscheid in uitstootwaarde hangt samen met de vraag of de auto behoorde tot de zogeheten restantvoorraad, hetgeen is voorbehouden aan auto’s die geproduceerd zijn vóór 1 juni 2018. Nu de auto is geproduceerd in maart 2019 doet een dergelijk onderscheid zich dan ook niet voor. De CO2-uitstoot van alle auto’s met een productiedatum gelegen in maart 2019 is bepaald met inachtneming van de WLTP-methode. Het typenummer van de auto en de daarbij behorende CO2-uitstoot zijn sinds de productie van de auto nimmer gewijzigd. Dat, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, de productiedatum bij de aankoopbeslissing van de consument niet van belang is en dat ondanks het feit dat de tot de restantvoorraad behorende auto’s een andere productiedatum en een ander typenummer hebben toch sprake is van gelijksoortige producten in de zin van artikel 110 VWEU, heeft eiser niet onderbouwd.
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de naheffingsaanslag niet te hoog vastgesteld en is het beroep ongegrond verklaard.
11. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslag op 18 mei 2021 ontvangen en de uitspraak van de rechtbank is van 19 juli 2023. Daarmee is sprake van overschrijding van de redelijke termijn met twee maanden.
12. Eiser heeft een machtiging getekend waarin hij ermee instemt dat alle proceskostenvergoedingen/dwangsommen/schadevergoedingen die door de Belastingdienst worden uitbetaald in verband met bezwaar-/beroep-/hoger beroep-/cassatieprocedures, toekomen aan gevolmachtigde. De hiervoor genoemde bepalingen in de machtiging brengen naar het oordeel van de rechtbank met zich dat eiser niet persoonlijk gecompenseerd wordt voor veronderstelde spanning en frustratie. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en geen compensatie in de vorm van schadevergoeding toe te kennen. Hetgeen de gemachtigde hierover heeft opgemerkt maakt dit niet anders nu door eiser reeds afstand is gedaan van zijn recht op schadevergoeding voordat duidelijk was of hij daar ooit aanspraak op kon maken.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[1] Zie Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NLHR:2022:640.”