Home

Gerechtshof Den Haag, 09-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:223, BK-24/247

Gerechtshof Den Haag, 09-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:223, BK-24/247

cassatie ingesteld (rolnr HR: 25/00754)

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
9 januari 2025
Datum publicatie
17 maart 2025
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2025:223
Zaaknummer
BK-24/247
Relevante informatie
Art. 234 Gemw

Inhoudsindicatie

Kosten naheffingsaanslag parkeerbelasting. Art. 234, lid 5 en lid 6 van de Gemeentewet en art. 2 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen. De kostenraming voldoet aan de gestelde eisen. De Heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de betwiste kostenposten meer dan slechts zijdelings verband houden met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-24/247

in het geding tussen:

(gemachtigde: I.N.D.J. Rissema)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 7 februari 2024, nummer SGR 23/251.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Den Haag opgelegd ten bedrage van € 67,50 bestaande uit € 1 aan parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten van de naheffingsaanslag.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 138. Op 29 augustus heeft de Heffingsambtenaar een nader stuk ingediend. Op 5 november 2024 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend. Op 6 november heeft de Heffingsambtenaar, daartoe uitgenodigd, een nader stuk ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 12 november 2024. De gemachtigde van belanghebbende is verschenen. Van de zijde van de Heffingsambtenaar is zonder bericht niemand verschenen. De Heffingsambtenaar is door de griffier bij een op 5 november 2024 om 13.55 uur digitaal verzonden bericht onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2. Op 9 augustus 2022 om 14:59 uur stond de auto van belanghebbende met kenteken [kenteken] (de auto) geparkeerd ter hoogte van de [adres] te [woonplaats] . Deze locatie is door burgemeester en wethouders van de gemeente Noordwijk aangewezen als een plaats waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting of met een geldige parkeervergunning mag worden geparkeerd. Tijdens een controle op het genoemde tijdstip is door de parkeercontroleur geconstateerd dat de auto zonder geldige parkeervergunning geparkeerd stond en dat ook geen parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding daarvan heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar is aangeduid als verweerder:

“5. De naheffingskosten zijn gesteld op het voor 2022 in artikel 3, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (het Besluit) bepaalde maximale bedrag. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag niet in stand kan blijven omdat de verhoging van het maximumbedrag van de naheffingskosten op 13 september 2021 bekend is gemaakt terwijl in artikel 3, lid 2 van het Besluit is bepaald dat bekendmaking vóór 1 september dient te geschieden.

6. Vast staat dat het in artikel 11 van de Verordening vermelde kostenbedrag voor de naheffingsaanslag in overeenstemming is met het op grond van het Besluit aangepaste maximumbedrag van € 66,50. Dat dit maximumbedrag pas op 13 september 2021 in de Staatscourant is gepubliceerd, heeft niet tot gevolg dat de Verordening op dit punt in strijd is met artikel 3, lid 2, van het Besluit en om die reden onverbindend zou zijn. Uit de tekst van laatstgenoemde bepaling noch uit de nota van toelichting bij de wijziging[1] is af te leiden dat het aangepaste maximumbedrag niet geldt voor het daaropvolgende kalenderjaar als het niet vóór, maar op of na 1 september van het voorliggende jaar bekend wordt gemaakt. Gelet op de nota van toelichting is de mogelijkheid om de naheffingskosten te wijzigen bedoeld om gemeenten kostendekkend te kunnen laten werken. Anders dan eiser betoogt, is de bekendmakingsdatum uitsluitend bedoeld om gemeenten de gelegenheid te geven het kostenbedrag in hun verordening voor het daaropvolgende kalenderjaar tijdig aan te passen aan het bedrag dat bij het opleggen van naheffingsaanslagen parkeerbelasting maximaal voor de kosten daarvan in rekening mag worden gebracht. Noch uit de tekst van het Besluit noch uit de wetgeschiedenis volgt dat bekendmaking op of na 1 september van het voorliggende jaar ertoe leidt dat het aangepaste maximumbedrag niet geldt.[2] Nu tussen partijen verder niet in geschil is dat eiser voor het parkeren geen parkeerbelasting heeft voldaan is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.

7. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

[1] Staatsblad 1998, 696.

[2] Vgl. Gerechtshof Den Haag 20 september 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2043.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing