Gerechtshof Den Haag, 09-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:54, BK-24/238
Gerechtshof Den Haag, 09-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:54, BK-24/238
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 9 januari 2025
- Datum publicatie
- 13 februari 2025
- Annotator
- Zaaknummer
- BK-24/238
- Relevante informatie
- Art. 225 Gemw, Art. 6:11 Awb
Inhoudsindicatie
Art. 225, lid 3 tot en met 5 Gemeentewet. Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Bezwaarschrift door feitelijk parkeerder, gevolgd door bezwaarschrift buiten de bezwaartermijn door kentekenhouder. Zelfstandig recht op bezwaar. Geen verschoonbare reden voor termijnoverschrijding. Bezwaar kentekenhouder terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Rechtbank heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De onjuiste beslissing van de Rechtbank leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, nu niet valt in te zien hoe hiermee enig belang van belanghebbende gediend zou kunnen zijn.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/238
in het geding tussen:
(gemachtigde: I.N.D.J. Rissema)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 24 januari 2024, nummer SGR 23/93.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Leiden opgelegd ter zake van het parkeren op 2 juli 2022 van een voertuig met het kenteken [kenteken] (het voertuig) aan de [straat] te [woonplaats] , ten bedrage van € 69,40, bestaande uit € 2,80 parkeerbelasting en € 66,60 aan kosten van de naheffing (de naheffingsaanslag).
Belanghebbende, de kentekenhouder, heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar tegen de naheffingsaanslag niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Er is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 november 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Op 2 juli 2022 om 10:02 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat het voertuig stond geparkeerd op de locatie [straat] te [woonplaats] zonder dat de ter plaatse verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. In verband daarmee is de naheffingsaanslag opgelegd. De naheffingsaanslag is onder de ruitenwisser van het voertuig aangebracht.
Op 2 juli 2022 heeft [A] , de feitelijk parkeerder van het voertuig, via een zogenoemde DigiD aanmelding bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. In het elektronisch ingediende bezwaarschrift heeft [A] zijn adresgegevens vermeld en bij de contactgegevens het e-mailadres [e-mailadres] vermeld.
Met dagtekening 27 juli 2022 heeft de Heffingsambtenaar uitspraak op het onder 2.2 bedoelde bezwaar gedaan en daarbij het bezwaar ongegrond verklaard. De Heffingsambtenaar heeft de uitspraak op bezwaar, geadresseerd aan [A] op het in het onder 2.2 bedoelde bezwaarschrift vermelde adres, op 27 juli 2022 naar het door [A] in het bezwaarschrift onder de contactgegevens opgegeven e-mailadres gestuurd. Een afschrift van dit e-mailbericht behoort tot de stukken van het geding.
Op 24 november 2022 heeft de gemachtigde van belanghebbende via digitale weg een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag ingediend namens belanghebbende. In de aanhef van het bezwaarschrift is het volgende vermeld:
“ Inzake: bezwaarschrift
(…)
Betrokkene: [belanghebbende]
(…)
Door deze en derhalve tijdig, stel ik, namens de hiervoor genoemde belanghebbende, bezwaar in tegen de naheffingsaanslag met het bovengenoemde aanslagnummer.”
Bij uitspraak op bezwaar van 7 december 2022 heeft de Heffingsambtenaar het onder 2.4 bedoelde bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak op bezwaar vermeldt, voor zover hier van belang:
“U heeft, namens uw cliënt [belanghebbende] , een tweede keer bezwaar gemaakt,
tegen de parkeerbon (naheffingsaanslag) die op 2 juli 2022 is ontvangen. In deze brief leest u
mijn beslissing over het tweede bezwaar.
De parkeerbon blijft bestaan
Ik wijs het bezwaar af. De parkeerbon blijft bestaan. Dit betekent dat uw cliënt de parkeerbon
moet betalen. Hieronder leest u waarom het bezwaar niet ontvankelijk is.