Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16-11-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4499, BKDH-21/01114 t/m BKDH-21/01119
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16-11-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4499, BKDH-21/01114 t/m BKDH-21/01119
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 16 november 2022
- Datum publicatie
- 28 december 2022
- Annotator
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2021:5510, Meerdere afhandelingswijzen
- Zaaknummer
- BKDH-21/01114 t/m BKDH-21/01119
- Relevante informatie
- Art. 8:42 Awb, Art. 27e AWR, Art. 8:110 Awb, Art. 6:9 Awb, Art. 6:24 Awb, Art. 8:75 Awb
Inhoudsindicatie
Omkering en verzwaring van de bewijslast. Ondanks hierop te zijn gewezen door de Rechtbank, laat de Inspecteur ook in hoger beroep na diverse op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen die van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of de (navorderings)aanslagen terecht zijn opgelegd. Het Hof ziet hierin aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot een hogere dan forfaitair vastgestelde proceskostenvergoeding.
Uitspraak
Zittingsplaats Den Haag
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BKDH-21/01114 tot en met BKDH-21/01119
in het geding tussen:
(gemachtigde: M.F.J.J.M. Tijssen)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de Inspecteur en het (incidenteel) hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (de Rechtbank) van 2 september 2021, nummers BRE 18/5960 tot en met BRE 18/5965.
Procesverloop
Jaar 2013
Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.176. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is aan belanghebbende een bedrag van € 2.680 aan belastingrente in rekening gebracht (navorderingsaanslag IB/PVV 2013).
Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 50.853. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is aan belanghebbende een bedrag van € 355 aan belastingrente in rekening gebracht (aanslag Zvw 2013).
Bij uitspraken op bezwaar is de Inspecteur gedeeltelijk tegemoetgekomen aan de bezwaren van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 en de aanslag Zvw 2013 en heeft hij het belastbare inkomen uit werk en woning verminderd tot € 3.076 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vastgesteld van € 1.597. Het bijdrage-inkomen Zvw is verminderd tot € 25.175.
Jaar 2014
Aan belanghebbende is over het jaar 2014 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.833 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.840. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is aan belanghebbende een bedrag van € 2.276 aan belastingrente in rekening gebracht (navorderingsaanslag IB/PVV 2014).
Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 51.414. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is aan belanghebbende een bedrag van € 355 aan belastingrente in rekening gebracht (aanslag Zvw 2014).
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 en de aanslag Zvw 2014 gehandhaafd.
Jaar 2015
Aan belanghebbende is over het jaar 2015 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 142.450. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is aan belanghebbende een bedrag van € 2.803 aan belastingrente in rekening gebracht (navorderingsaanslag IB/PVV 2015).
Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 51.976. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is aan belanghebbende een bedrag van € 110 aan belastingrente in rekening gebracht (aanslag Zvw 2015).
Bij uitspraken op bezwaar is de Inspecteur gedeeltelijk tegemoetgekomen aan de bezwaren van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 en de aanslag Zvw 2015 en heeft hij het belastbare inkomen uit werk en woning verminderd tot € 121.719. Het bijdrage-inkomen Zvw is verminderd tot € 33.299.
Alle jaren
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De beslissing van de Rechtbank luidt:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vernietigt de aanslagen en de rentebeschikkingen;
- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende voor een bedrag van € 674
- veroordeelt de minister tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende voor een bedrag van € l.826,
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.244;
- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan hem vergoedt.”
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
In de Tijdelijke aanwijzing gerechtshof Den Haag voor hoger beroepszaken rijksbelastingen van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (Stcrt. 2021, 9365) is het gerechtshof Den Haag aangewezen als gerechtshof waarvan de zittingsplaats tijdelijk mede wordt aangemerkt als zittingsplaats van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Op grond van voornoemde regeling heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in Den Haag op 24 augustus 2022. Partijen zijn verschenen. Ter zitting hebben zowel belanghebbende als de Inspecteur een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Op 31 oktober 2014 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 gedaan naar een verzamelinkomen van nihil. De aangifte vermeldt een saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning van negatief € 14.054. De aangifte vermeldt voorts een voordeel uit sparen en beleggen van € 3.061. Beide bedragen zijn toegerekend aan de partner van belanghebbende.
Op 20 juni 2016 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 gedaan naar een verzamelinkomen van € 15.058. Het verzamelinkomen bestaat uit een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.218 en een voordeel uit sparen en beleggen van € 5.840.
Op 30 augustus 2016 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 gedaan naar een verzamelinkomen van € 12.220. Het verzamelinkomen is gelijk aan het inkomen uit werk en woning.
De aanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2015 zijn overeenkomstig de aangiften van belanghebbende vastgesteld.
In een brief van 6 juli 2017 kondigt de Inspecteur aan voornemens te zijn navorderingsaanslagen op te leggen over de onderhavige jaren. De brief vermeldt onder meer:
“Uit de mij ten dienst staande informatie blijkt dat u meer inkomsten heeft gehad dan bij de Belastingdienst bekend zijn of zijn aangegeven in de ingediende aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2013, 2014 en 2015.
In deze brief treft u een samenvatting aan van de feiten waaraan ik fiscale consequenties
verbind.
In deze brief is een overzicht weergegeven van de cijfermatige opstelling van de correcties die ik op basis van de thans bekende feiten aanbreng op de diverse eerder door u ingediende aangiften over de jaren 2013 tot en met 2015.
Dat u “meer inkomen heeft genoten dan bij de Belastingdienst bekend waren of aangegeven” baseer ik op een groot aantal door u verrichtte kasstortingen in de jaren 2013, 2014 en 2015 (zie bijlage). Omdat deze geldstromen niet kunnen worden verklaard als inkomsten uit uw onderneming en niet uit uw privé kunnen komen, worden deze kasstortingen aangemerkt als inkomsten. Bovendien blijkt uit de door mijn collega opgestelde vermogensvergelijkingen een negatief netto-privé.
Op basis van deze kasstortingen en het negatieve netto-privé heb ik de correcties per jaar bepaald.
Deze inkomsten dienen gezien te worden als resultaat uit overige werkzaamheden (…)
(…)
Cijfermatige uitwerking correcties
Onderstaand treft u per jaar een opstelling aan met de gevolgen voor de inkomstenbelasting.
Met betrekking tot de inkomstenbelasting 2013:
Het inkomen box 1 over het jaar 2013 bereken ik als volgt:
Vastgesteld inkomen box 1 |
€ 0 |
Correctie: |
|
ROW |
€ 81.275 |
Gecorrigeerd inkomen box 1 |
€ 81.275 |
(…)
Met betrekking tot de inkomstenbelasting 2014:
Het inkomen box 1 over het jaar 2014 bereken ik als volgt:
Vastgesteld inkomen box 1 |
€ 9.218 |
Correctie: |
|
ROW |
€ 56.615 |
Gecorrigeerd inkomen box 1 |
€ 65.833 |
(…)
Met betrekking tot de inkomstenbelasting 2015:
Het inkomen box 1 over het jaar 2015 bereken ik als volgt:
Vastgesteld inkomen box 1 |
€ 12.220 |
Correctie: |
|
ROW |
€ 130.230 |
Gecorrigeerd inkomen box 1 |
€ 142.450 |
Eveneens met dagtekening 6 juli 2017 zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV en aanslagen Zvw opgelegd.
Verder heeft op 6 juli 2017 op het woonadres van belanghebbende ( [adres] te [woonplaats] ) een doorzoeking plaatsgevonden door de Belastingdienst, in samenwerking met de rechter-commissaris en de officier van justitie. Bij die doorzoeking zijn gegevensdragers en de administratie van belanghebbende in beslag genomen. Daarnaast is beslag gelegd op
alle onroerende zaken van belanghebbende.
Belanghebbende heeft bij brieven van 18 juli 2017 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en aanslagen Zvw en de daarbij opgelegde rentebeschikkingen.
De Inspecteur heeft bij brief van 23 juli 2018 zijn uitspraken op bezwaar gemotiveerd en de oorspronkelijke kasopstellingen die tot de navorderingsaanslagen hebben geleid als volgt gewijzigd:
Kasopstelling |
2013 |
2014 |
2015 |
Beginsaldo |
€ 39.636 |
€ 0 |
€ 0 |
Bij: |
|||
Contante huur |
€ 53.521 |
€ 55.974 |
€ 52.042 |
Contante opname bank |
€ 6.650 |
€ 41.230 |
€ 46.340 |
Pandhuis [plaats] |
€ 10.000 |
||
Lening [naam] |
€ 700 |
||
Totaal |
€ 99.807 |
€ 107.904 |
€ 98.382 |
Af: |
|||
Pandhuis [plaats] |
€ 4.723 |
€ 6.237 |
|
[naam 2] |
€ 164 |
||
[naam 3] |
€ 1.000 |
€ 7.786 |
|
Contante storting bank |
€ 29.530 |
€ 112.057 |
€ 112.070 |
Contant betaalde auto’s |
€ 2.100 |
||
Notaris [notaris] [adres 2] |
€ 9.100 |
||
Notaris [adres] |
€ 2.000 |
||
Notaris [adres 3] |
€ 500 |
||
Notaris [adres 4] |
€ 1.000 |
||
Privéstorting onderneming |
€ 30.313 |
||
Uitgaaf ADH boekhouder |
€ 1.400 |
€ 1.400 |
€ 1.400 |
Aflossing lening [A] |
€ 3.800 |
||
Aflossing lening [B] |
€ 5.000 |
||
Aflossing [C] |
€ 200 |
€ 5.000 |
|
Vakantie |
€ 3.000 |
||
Auto [kenteken 1] |
€ 700 |
||
Auto [kenteken 2] |
€ 1.700 |
||
Auto [kenteken 3] |
€ 800 |
||
Auto’s [kenteken 4] en [kenteken 5] |
€ 1.000 |
||
Auto [kenteken 6] |
€ 5.000 |
||
Mutatie RC kas |
€ 3.335 |
€ 13.117 |
€ 19.513 |
Verbouwing [notaris] [adres 2] |
€ 36.304 |
||
Verbouwing [adres] |
€ 31.898 |
€ 28.775 |
|
Levensonderhoud NIBUD |
€ 18.000 |
€ 18.000 |
€ 18.000 |
Saldo eind van het jaar |
-/- € 25.175 [Hof: -/- € 25.475] |
-/- € 94.855 |
-/- € 109.499 |
Correctie was |
-/- € 81.275 |
-/-€ 56.615 |
-/- € 130.230 |
Bij uitspraak op bezwaar van 15 augustus 2018 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 3.076 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.597.
Bij uitspraak op bezwaar van 15 augustus 2018 heeft de Inspecteur de aanslag Zvw 2013 verminderd naar een bijdrage-inkomen van € 25.175 en de daarbij behorende rentebeschikking verminderd tot € 175.
Bij uitspraak op bezwaar van 15 augustus 2018 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 121.719 en de daarbij behorende rentebeschikking verminderd tot € 2.412.
Bij uitspraak op bezwaar van 15 augustus 2018 heeft de Inspecteur de aanslag Zvw 2015 verminderd naar een bijdrage-inkomen van € 33.299 en de daarbij behorende rentebeschikking verminderd tot € 70.
De rechtbank Limburg (ECLI:NL: […] ) heeft belanghebbende op [datum] 2021 vrijgesproken van gewoontewitwassen en schuldwitwassen van een geldbedrag van € 215.080 en veroordeeld voor valsheid in geschrifte en het medeplegen van oplichting.
De gronden van het hoger beroep zijn bij brief van 6 december 2021 verstuurd naar de gemachtigde van belanghebbende. De brief vermeldt onder meer:
“Ik stel u in de gelegenheid binnen zes weken na de dagtekening van deze brief, dat wil zeggen uiterlijk op 17 januari 2022, een verweerschrift in te dienen. Deze termijn wordt niet verlengd. Over de datum van de zitting bent of wordt u geïnformeerd in een afzonderlijke brief.
Ik wijs u op de mogelijkheid incidenteel hoger beroep in te stellen, bij voorkeur in een
Afzonderlijk geschrift. De termijn daarvoor eindigt eveneens zes weken na de dagtekening van deze brief. Een na afloop van deze termijn ingediend incidenteel hoger beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard.”
Bij brief van 12 januari 2022 heeft het Hof uitstel verleend tot en met 14 februari 2022 voor het indienen van het verweerschrift door belanghebbende.
Het verweerschrift, gedagtekend op 4 februari 2022, is ontvangen door het Hof op 7 februari 2022. Het verweerschrift vermeldt onder meer:
“De Rechtbank in eerste aanleg heeft die aanspraak op dwangsommen afgewezen, (…)
Belanghebbende verzoekt uw Hof deze beslissing van de Rechtbank te heroverwegen en
alsnog de gevorderde dwangsommen toe te wijzen.”
Bij het nader stuk van 18 augustus 2022 van de zijde van belanghebbende zijn twee brieven gevoegd. De brieven, gedagtekend 12 augustus 2022, zijn aangetekend verzonden aan respectievelijk de heer [D] en mevrouw [E] . Beide personen zijn werkzaam bij de Belastingdienst en zij worden in de brieven opgeroepen om als getuige te verschijnen bij de zitting van het Hof. Blijkens een uitdraai van PostNL zijn de brieven bezorgd op 15 augustus 2022.
Bij voormeld nader stuk van 18 augustus 2022 zijn eveneens twee deurwaardersexploten gevoegd. De exploten, gedagtekend 16 augustus 2022, zijn gericht aan respectievelijk de heer [D] en mevrouw [E] . Aan de exploten is een brief gehecht waarin voormelde personen worden opgeroepen als getuige te verschijnen bij de zitting van het Hof.
In een e-mail van 19 augustus 2022 heeft de leidinggevende van de heer [D] gereageerd op de voormelde oproepen van belanghebbende. De e-mail vermeldt onder meer:
“Bij brief van 10 augustus jl. (door gerechtsdeurwaarder (…) betekend op 16 augustus jl.) en
bij brief van 12 augustus jl. roept u mijn medewerker dhr. [D] op om als
getuige te worden gehoord en om daarvoor op 24 augustus 2022 ter zitting te verschijnen van de belastingkamer van het Hof Den Haag.
Ik deel u hierbij mede dat de heer [D] geen gehoor zal geven aan deze oproep en
derhalve niet als getuige zal verschijnen op voornoemde zitting. (…)”