Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12-04-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1211, 21/01513 tot en met 01515

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12-04-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1211, 21/01513 tot en met 01515

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12 april 2023
Datum publicatie
2 mei 2023
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2023:1211
Formele relaties
Zaaknummer
21/01513 tot en met 01515
Relevante informatie
Besluit proceskosten bestuursrecht [Tekst geldig vanaf 01-01-2025] art. 2, Art. 17 WOZ, Art. 1 BPB, Art. 2 BPB

Inhoudsindicatie

WOZ. De heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de vastgestelde waarden niet te hoog zijn. De rechtbank heeft de forfaitaire proceskostenvergoeding te laag vastgesteld, omdat het hoge tarief geldt. De vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in beroep is ook te laag vastgesteld. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat compromisbesprekingen in dit geval geen bijzonder omstandigheid vormen. Het hof stelt de vergoeding voor de hoger beroepsprocedure zelf vast op een bedrag van in totaal € 150. Naar het oordeel van het hof is namelijk sprake van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, Bpb die aanleiding geven tot een lagere vergoeding. Indien met die bijzondere omstandigheden geen rekening wordt gehouden en vast zou worden gehouden aan het puntensysteem zoals opgenomen in het Bpb, leidt dit namelijk zonder twijfel tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Het hof wijkt daarom af van het puntensysteem.

Uitspraak

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Nummers: 21/01513 tot en met 01515

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 25 oktober 2021, nummers BRE 18/3819, 20/866 en 21/622, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Middelburg,

hierna: de heffingsambtenaar,

en

de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),

hierna: de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking voor 2018, 2019 en 2020 gegeven en daarbij de waarde van [adres] te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) op de waardepeildata 1 januari 2017, 1 januari 2018 en 1 januari 2019 (hierna: de waardepeildata) vastgesteld. Tevens zijn de aanslagen onroerendezaakbelastingen voor de jaren 2018, 2019 en 2020 bekendgemaakt.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroepen ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2023 in ’s-Hertogenbosch. Aan die zitting heeft digitaal deelgenomen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende.
Namens de heffingsambtenaar is [heffingsambtenaar] verschenen.

1.7.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is de eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een tussenwoning van 1.380 m3, exclusief een kelder van 125 m3, met bouwjaar 1740. Het perceel heeft een oppervlakte van 252 m2. De onroerende zaak is een rijksmonument, genaamd “ [monument] ”.

2.2.

Belanghebbende heeft de onroerende zaak op 31 januari 2017 gekocht voor een bedrag van € 475.000.

2.3.

De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarden op de waardepeildata op de volgende waarden vastgesteld:

Kalenderjaar

Waardepeildatum

WOZ-waarde

2018

1 januari 2017

€ 472.000

2019

1 januari 2018

€ 493.000

2020

1 januari 2019

€ 540.000

2.4.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarden van de onroerende zaak en de aanslagen gehandhaafd.

2.5.

De rechtbank heeft de beroepen voor alle jaren ongegrond verklaard, maar de minister voor de jaren 2018 en 2019 veroordeeld tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor het jaar 2019 heeft de rechtbank, ondanks een termijnoverschrijding voor de bezwaarfase, geen aanleiding gezien voor het toekennen van een schadevergoeding door de heffingsambtenaar. De rechtbank heeft de minister daarnaast veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten (waarbij is uitgegaan van een waarde per punt van € 534) en tot het vergoeden van het door belanghebbende betaalde griffierecht.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

In geschil zijn allereerst de WOZ-waarden van de onroerende zaak op de waardepeildata. Daarnaast is in geschil of de rechtbank a) de proceskostenvergoeding en b) de immateriële schadevergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld.

3.2.

Ter zitting heeft belanghebbende de klacht dat de taxatieverslagen niet tijdig dan wel onvolledig zouden zijn overgelegd, ingetrokken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vermindering van de WOZ-waarden naar € 465.000, € 475.000 en € 499.000.

en tot het toekennen van een hogere proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing