Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11-09-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2863, 22/01196
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11-09-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2863, 22/01196
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 11 september 2024
- Datum publicatie
- 21 januari 2025
- Annotator
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2022:2591, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 22/01196
Inhoudsindicatie
Artikel 8:61 Awb. Het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting is de enige kenbron van hetgeen ter zitting bij de rechtbank is voorgevallen en de vastlegging in en vaststelling van het proces-verbaal zijn voorbehouden aan de rechtbank. In zoverre is de stelling van belanghebbende dat het proces-verbaal dwingend bewijs oplevert juist. Mitsdien gaat het hof ervan uit dat het proces-verbaal van de zitting een juiste weergave is van hetgeen de inspecteur tijdens het onderzoek op de zitting bij de rechtbank heeft gezegd en neemt het hof dit voor waar aan. (ECLI:NL:HR:2011:BQ2098 en ECLI:NL:HR:2014:838).
De pensioen- en lijfrenteaanspraken zijn in 2015 formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid zijn geworden. De aanslag is eerder te laag dan te hoog vastgesteld.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 22/1196
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de tussenuitspraak van 11 januari 2022 en de einduitspraak van 12 mei 2022 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank), beide met nummer BRE 20/8165, in het geding tussen de inspecteur en
[belanghebbende] ,
wonend in Spanje, domicilie gekozen hebbend te [plaats 1] ,
hierna: belanghebbende,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2015 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en is bij beschikking revisierente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Met toestemming van het hof heeft de inspecteur gerepliceerd. Belanghebbende heeft daarop gedupliceerd.
De inspecteur heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar belanghebbende.
De zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, als gemachtigden van belanghebbende [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2 Feiten
Belanghebbende had een 100%-belang in [A BV] (hierna: [A BV] ). [A BV] hield 100% van de aandelen in [B BV] (hierna: [B BV] ). Belanghebbende was bestuurder van beide vennootschappen (hierna samen: de B.V.'s). [B BV] hield 100% van de aandelen in de Spaanse vennootschap [C SL] (hierna: de Spaanse deelneming).
De zetel van de B.V.'s is per 1 augustus 2015 naar België verplaatst (hierna: de zetelverplaatsing). Belanghebbende is op 5 augustus 2015 naar Spanje geëmigreerd samen met zijn partner (hierna: de partner). Tot die datum waren zij woonachtig in Nederland.
Belanghebbende was eerder in Nederland werkzaam als fiscalist. In Spanje was belanghebbende werkzaam als beleggingsspecialist en genoot een onregelmatig inkomen. De partner had in Nederland een onderneming, die werd uitgeoefend in een winkelpand in [plaats 2] dat in eigendom was van belanghebbende en/of de partner (hierna: het winkelpand). Op 5 augustus 2015 is een overeenkomst gesloten om de onderneming via huurkoop over te dragen aan een derde, met als overdrachtsdatum 1 oktober 2015, waarbij het winkelpand is verhuurd.
Belanghebbende was tot de datum van emigratie woonachtig in de woning aan de [adres] te [plaats 2] (hierna: de woning). De woning is in 2004 gekocht voor € 1.975.000, gefinancierd met een lening van [A BV] . Voor deze lening is geen recht van hypotheek gevestigd ten behoeve van de [A BV] . Na de aankoop is fors geïnvesteerd in de woning en tuinaanleg.
Belanghebbende is op 23 december 2005 en 22 juli 2009 overeenkomsten van geldlening aangegaan met een bank (hierna: de bank), waarbij ten behoeve van de bank het recht van hypotheek op de woning is gevestigd voor een bedrag van in totaal € 2.000.000. Van de lening heeft belanghebbende in totaal € 1.150.000 opgenomen. Daarvan is € 150.000 aangewend voor de koop van het winkelpand en € 1.000.000 gebruikt voor de woning.
Belanghebbende heeft de woning wegens de voorgenomen emigratie naar Spanje in 2014 te koop gezet voor € 2.750.000.
Belanghebbende was in 2015 eigenaar van een studio in [plaats 3] (hierna: de studio). De studio is verkocht in 2017 voor € 75.000.
Belanghebbende heeft in ieder van de B.V.'s een oudedagsvoorziening - pensioen en/of lijfrente - opgebouwd.
In het fiscaal rapport aangifte vennootschapsbelasting 2015 van [A BV] van 18 februari 2020 is als commerciële balans vermeld:
Commerciële balans |
1 januari 2015 |
1 augustus 2015 |
Deelneming [B BV] |
18.151 |
1.309.262 |
Vordering op belanghebbende |
2.650.224 |
2.676.797 |
Effecten |
6.000 |
6.000 |
Liquide middelen |
62.867 |
28.940 |
Totaal activa |
2.737.242 |
4.021.099 |
Aandelenkapitaal |
18.165 |
18.165 |
Winstreserve |
1.618.319 |
2.876.491 |
Totaal ondernemingsvermogen |
1.636.484 |
2.894.656 |
Lijfrente- en pensioenverplichtingen |
1.100.758 |
1.126.443 |
Totaal passiva |
2.737.242 |
4.021.099 |
De inspecteur heeft als commerciële balans per 1 augustus 2015 van [A BV] de volgende opstelling gegeven:
Commerciële balans |
1 augustus 2015 |
|
Deelneming [B BV] 1.288.740 -/- 130.198 = |
1.158.542 |
|
Vordering op belanghebbende |
2.676.797 |
|
Effecten |
6.000 |
|
Liquide middelen |
28.940 |
|
Totaal activa |
3.870.279 |
|
Aandelenkapitaal + winstreserve |
428.993 |
|
Lijfrente- en pensioenverplichtingen |
3.441.286 |
|
Totaal passiva |
3.870.279 |
|
In de aangifte vennootschapsbelasting over 2015 van [B BV] is vermeld een eigen vermogen van € 763.704 en een lijfrente- en pensioenverplichting van € 345.305 per 1 januari 2015.
De inspecteur heeft in zijn nader stuk van 14 februari 2024 in een overzicht het privévermogen van belanghebbende uiteengezet zoals dat vlak voor emigratie was opgebouwd:
Bezittingen |
Schulden |
||
Woning |
2.750.000 |
Schulden [A BV] |
2.676.797 |
Belang [A BV] 428.993 +/+ belastinglatentie 79.654 = |
508.647 |
Schuld [B BV] |
100.000 |
Overige bezittingen |
120.911 |
[bank] |
1.000.000 |
Totaal |
3.379.558 |
3.776.799 |
Belanghebbende heeft voor het jaar 2015 aangifte IB/PVV gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 6.544 negatief. Daarbij is een bedrag aan loonheffing aangegeven van € 2.080. Het bedrag van € 6.544 is opgebouwd uit loon van € 4.000 en inkomen uit woning van € 10.544 negatief. Dit laatste inkomen is opgebouwd uit een eigenwoningforfait van € 4.331 en eigenwoningrente van € 14.875 negatief op de lening van [A BV] . Het aangegeven bedrag voor het eigenwoningforfait is gebaseerd op een WOZ-waarde van € 1.380.000. In de aangifte is verder vermeld een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil als gevolg van een negatieve rendementsgrondslag. Tegenover bezittingen van € 120.911 stonden schulden (vóór toepassing van de drempel) van € 1.600.224. Het aangegeven bedrag aan schulden bestond uit een schuld van € 1.000.000 aan de [bank] en voor het overige uit schulden aan de B.V.'s. Verder zijn in de aangifte te conserveren inkomens voor de volgende posten aangegeven voor de waardes op het moment van emigratie: € 1.638.884 respectievelijk € 377.367 voor de opbouwde pensioenaanspraak bij [A BV] respectievelijk [B BV] , € 104.827 voor de opgebouwde lijfrente bij [A BV] en € 1.166.147 als vervreemdingsvoordeel bij emigratie over zijn aanmerkelijk belang in [A BV] . De aanslag is opgelegd met dagtekening 15 februari 2019.
Op 26 maart 2020 verstrekte belanghebbende (actuariële) berekeningen van de bij [A BV] opgebouwde pensioen- en lijfrenteaanspraken.
De commerciële waarde van de pensioen- en lijfrenteaanspraken omstreeks 1 augustus 2015 bij [A BV] is € 3.441.286 (€ 2.286.568 pensioenaanspraak + € 1.154.718 lijfrenteaanspraak). De commerciële waarde van de pensioenaanspraken omstreeks 1 augustus 2015 bij [B BV] is € 190.635. In totaal € 3.441.286 + € 190.635 = € 3.631.921. De totale commerciële waarde van de pensioen- en lijfrenteaanspraken per 1 januari 2015 is € 3.293.593.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft in hoger beroep uitsluitend nog het antwoord op de volgende vragen:
I. Is de inspecteur gebonden aan de vastlegging in het proces-verbaal van de zitting op 7 oktober 2021 bij de rechtbank dat de inspecteur voor de beantwoording van de vraag of de pensioen- en lijfrenteaanspraken formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid zijn geworden1 door hem uitgegaan wordt van de fiscale waarde van de pensioen- en lijfrenteaanspraken?
II. Zijn de pensioen- en lijfrenteaanspraken tussen 31 december 2014 en 5 augustus 2015 formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid geworden?
III. Indien vraag II ontkennend moet worden beantwoord: Als de pensioen- en lijfrenteaanspraken vóór 2015 formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid geworden en de aanspraken op die grond eerder in de heffing hadden moeten worden betrokken kan dan toch nog in 2015 worden geheven?2
IV. Indien vraag II of III bevestigend moet worden beantwoord: staat het gelijkheidsbeginsel in de weg aan heffing?
V. Indien vraag II of III bevestigend en vraag IV ontkennend moeten worden beantwoord: Welk bedrag moet in aanmerking worden genomen ter zake van de pensioen- en lijfrenteaanspraken?
De inspecteur concludeert tot vernietiging van de tussen- en einduitspraak van de rechtbank en tot ongegrondverklaring van het bij de rechtbank ingestelde beroep. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de tussen- en einduitspraak van de rechtbank.