Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 09-10-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3162, 20/495
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 09-10-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3162, 20/495
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 9 oktober 2024
- Datum publicatie
- 6 februari 2025
- Annotator
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2020:3691, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 20/495
Inhoudsindicatie
IB/PVV 2015. Overgangsregeling levensloopregeling, artikel 39d, lid 4 Wet LB. Belanghebbende doet in 2015 een verzoek om zijn bij werkgever [Stichting] opgebouwde levenslooptegoed geheel uit te keren, maar blijft bij zijn nieuwe werkgever [Universiteit] een levenslooptegoed opbouwen. Het hof oordeelt dat belanghebbende hierdoor geen recht heeft op toepassing van de 80%-regeling als bedoeld in artikel 39d, lid 4 Wet LB en verwerpt de opvatting van belanghebbende dat dit overgangsrecht per werkgever of polis moet worden beoordeeld. Verder oordeelt het hof dat de uitkering uit de levensloopregeling dient te worden aangemerkt als inkomen uit tegenwoordige arbeid zodat belanghebbende geen recht heeft op een hogere arbeidskorting. De belastingrente is terecht en niet te hoog vastgesteld. De aanspraak op vergoeding van immateriële schade is terecht. Omdat de termijnoverschrijding enkel ziet op de hoger beroepsfase veroordeelt het hof alleen de staat tot deze vergoeding.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 20/495
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 augustus 2020, nummer BRE 19/5050 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2015 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde, [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2 Feiten
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] .
Van 1 november 2004 tot 1 april 2015 is belanghebbende werkzaam geweest bij [Stichting] . Belanghebbende heeft op 1 maart 2006 via zijn werkgever een levensloopverzekering gesloten bij [verzekeringsmaatschappij] onder polisnummer [nummer 1] .
Met ingang van 1 april 2015 is belanghebbende werkzaam bij de [Universiteit] (hierna: de [Universiteit] ). Belanghebbende heeft ook bij deze werkgever deelgenomen aan de levensloopregeling, ditmaal onder polisnummer [nummer 2] bij [verzekeringsmaatschappij] .
Belanghebbende heeft in 2015 via [Stichting] een bedrag van € 1.923 in de levensloopregeling gestort en via de [Universiteit] een bedrag van € 5.769. In 2016 heeft belanghebbende bij de [Universiteit] een bedrag van € 7.692 in de levensloopregeling gestort en in 2017 een bedrag van € 641.
Belanghebbende heeft [verzekeringsmaatschappij] in 2015 verzocht de polis bij [Stichting] te beëindigen en een uitkering van het levenslooptegoed te doen.
[verzekeringsmaatschappij] heeft op 9 december 2015 als volgt op dit verzoek gereageerd waarbij als kenmerk van de brief polisnummer [nummer 1] is vermeld:
“Onderwerp: Opnameverzoek en beëindiging polis
Geachte [belanghebbende] ,
U hebt aangegeven dat u uw levenslooptegoed ineens wilt opnemen. In deze brief informeren wij u over de verdere afhandeling.
Uitbetaling
Uw levenslooptegoed van € 38.570,98 (netto) wordt omstreeks 22 december 2015 door [verzekeringsmaatschappij] aan u uitbetaald op het door u aangegeven rekeningnummer.
Loonheffingen
[verzekeringsmaatschappij] treedt als inhoudingsplichtige op. Dit houdt in dat wij de verschuldigde loonheffingen inhouden op uw levenslooptegoed en afdragen aan de Belastingdienst.
Levensloopverlof korting
Wij houden geen rekening met de door u opgebouwde maar nog niet genoten levensloopverlofkorting. Nog niet genoten levensloopverlofkorting kunt u zelf verrekenen in de aangifte inkomstenbelasting 2015.
(…)”
Op basis van het voorgaande verzoek heeft belanghebbende van [verzekeringsmaatschappij] een uitkering ontvangen van € 80.356,20 bruto. [verzekeringsmaatschappij] heeft de uitkering gedaan onder inhouding van loonheffingen over het volledige bedrag. De netto-uitkering bedraagt € 38.570,98.
Belanghebbende heeft op 5 maart 2016 aangifte IB/PVV 2015 gedaan en op 31 maart 2016 een correctie op de aangifte doorgevoerd. Belanghebbende heeft de uitkering van [verzekeringsmaatschappij] (zie 2.7) voor een bedrag van (bruto) € 64.874 in zijn gecorrigeerde aangifte opgenomen en verantwoord als inkomsten uit tegenwoordige arbeid. Daarnaast heeft hij een bedrag van € 1.242 (zes jaar maal € 207) aan levensloopverlofkorting toegepast.
Met dagtekening 3 juni 2016 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag opgelegd overeenkomstig de door hem ingediende aangifte.
Met dagtekening 20 juli 2018 is aan belanghebbende de definitieve aanslag IB/PVV 2015 opgelegd. Hierbij is de inspecteur afgeweken van de aangifte door de uitkering van [verzekeringsmaatschappij] in aanmerking te nemen voor het bedrag van € 80.356. Het verzamelinkomen is door de inspecteur zodoende vastgesteld op € 152.143, bestaande uit inkomen uit tegenwoordige arbeid voor het bedrag van € 152.013 en het aandeel van belanghebbende in het voordeel uit sparen en beleggen voor het bedrag van € 130. Daarbij heeft de inspecteur onder meer het minimumbedrag aan arbeidskorting van € 184 toegepast en € 1.242 aan levensloopverlofkorting.
Met dagtekening 11 augustus 2018, door de inspecteur ontvangen op 15 augustus 2018, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2015. De inspecteur heeft op 27 augustus 2019 uitspraak op bezwaar gedaan.
In het jaar 2017 heeft belanghebbende nogmaals een bedrag aan levenslooptegoed opgenomen om te gebruiken voor een verlofperiode (sabbatical). In 2017 is door de [Universiteit] een levensloopverlofkorting toegepast van € 1.260 (zes jaar maal € 210).
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
-
Heeft belanghebbende recht op toepassing van de 80%-regeling als bedoeld in artikel 39d, lid 4, Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB)?
-
Is de arbeidskorting tot het juiste bedrag vastgesteld? Dit geschil komt neer op de vraag of de uitkering uit de levensloopregeling kwalificeert als inkomen uit tegenwoordige arbeid of als inkomen uit vroegere arbeid.
-
Is de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vaststelling van het verzamelinkomen over 2015 op het bedrag van € 136.661, bestaande uit inkomen uit arbeid van € 136.531, waarvan € 71.658 uit tegenwoordige arbeid en € 64.874 uit vroegere arbeid, en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor het bedrag van € 130, tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten in bezwaar, van de proceskosten in beroep en hoger beroep, en van immateriële schade. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en toekenning van een volledig door de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) te betalen vergoeding van immateriële schade.