Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18-12-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:4065, 21/885
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18-12-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:4065, 21/885
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 18 december 2024
- Datum publicatie
- 3 april 2025
- Annotator
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2021:2370, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 21/885
- Relevante informatie
- Art. 7.8 Wet IB 2001, Art. 21bis Uitv besl IB 2001
Inhoudsindicatie
Procedure van een gepensioneerde, in Duitsland wonende, Nederlander over Schumacker-problematiek. Belanghebbende wenst aanspraak te maken op aftrek in verband met negatieve inkomsten uit eigen woning, aftrek van specifieke zorgkosten, giftenaftrek en op heffingskortingen. Hij voldoet niet aan de voorwaarden om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt te worden. Het Unierecht leidt tot het gedeeltelijk verlenen van deze aftrek. De uitspraak is gebaseerd op de bijgevoegde bijlage waarin het hof richtlijnen geeft waarlangs vragen die worden opgeroepen door de Schumacker-rechtspraak worden beantwoord.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 21/885
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] (Duitsland),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 11 mei 2021, nummer BRE 19/1605, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting (hierna: IB) 2015 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft digitaal via een geluid- en beeldverbinding plaatsgevonden op 2 maart 2023 in ’s-Hertogenbosch. Daaraan hebben deelgenomen [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , als gemachtigden van belanghebbende, alsmede, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 21/883, 21/884 en 21/886.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Het hof heeft vervolgens het onderzoek heropend en partijen bij brief van 3 maart 2023 om nadere inlichtingen gevraagd.
Belanghebbende heeft bij brief van 4 april 2023 de nadere inlichtingen verstrekt. De inspecteur heeft daarop gereageerd bij brief van 7 juni 2023.
Het hof heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2 Feiten
Belanghebbende en zijn echtgenote woonden het gehele jaar 2015 in Duitsland. Zij waren in gemeenschap van goederen gehuwd.
Belanghebbende heeft in 2015 in totaal € 32.139 aan uitkeringen uit Nederland ontvangen, bestaande uit een AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) van € 9.801 en een pensioenuitkering van Stichting Spoorwegpensioenfonds van € 22.338. Op de pensioenuitkering van Stichting Spoorwegpensioenfonds is € 1.998 aan Nederlandse loonheffing ingehouden.
Belanghebbendes echtgenote heeft in 2015 een inkomen van € 18.213 genoten, bestaande uit een AOW-uitkering en een pensioenuitkering van het ABP. Dit gehele inkomen is in Nederland belast. De echtgenote is na aftrek van heffingskortingen € 548 inkomstenbelasting verschuldigd. In Duitsland is zij geen belasting verschuldigd.
In zijn aangifte IB over het jaar 2015 heeft belanghebbende aangegeven dat € 8.813, zijnde 39,45% van de pensioenuitkering van Stichting Spoorwegpensioenfonds, niet in Nederland belast is. Verder heeft hij een saldo van de inkomsten en aftrekposten eigen woning aangegeven van negatief € 5.347 (aftrek eigen woning), aftrek specifieke zorgkosten van € 1.108 en aftrekbare giften van € 65. De aftrek eigen woning en de persoonsgebonden aftrekposten zijn volledig aan belanghebbende toegerekend.
De inspecteur heeft de aanslag IB 2015 opgelegd, in afwijking van de aangifte, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.326. Belanghebbende is niet aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, met als gevolg dat de in de aangifte geclaimde aftrek eigen woning en persoonsgebonden aftrekposten niet in aanmerking is genomen. Daarnaast is bij de aanslag geen rekening gehouden met het inkomstenbelastingdeel van de algemene heffingskorting en de ouderenkorting.
In de door belanghebbende overgelegde brief van 5 juni 2013 van Stichting Spoorwegpensioenfonds is over de pensioenopbouw van de pensioenuitkering het volgende vermeld:
‘Van 06-09-1971 tot 01-01-1994 100% staatsrechtelijke opbouw.
Van 01-01-1994 tot 01-07-2008 100% privaatrechtelijke opbouw.’
Belanghebbende heeft in Duitsland over 2015 een nihilaanslag ontvangen.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het door belanghebbende gemaakte bezwaar afgewezen.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de inspecteur opgedragen te beslissen op het verzoek in de zin van in artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
1. Is een deel van de pensioenuitkering van Stichting Spoorwegpensioenfonds in Duitsland belast en niet in Nederland?
2. Heeft belanghebbende recht heeft op persoonlijke tegemoetkomingen op grond van het Unierecht?
Niet in geschil is dat belanghebbende niet op grond van artikel 7.8, leden 6 en 8, Wet IB 2001 in samenhang met artikel 21bis Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 kan worden aangemerkt als een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.
Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag IB 2015. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.