Hoge Raad, 24-09-1993, ZC1071 AK1273, 15050
Hoge Raad, 24-09-1993, ZC1071 AK1273, 15050
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 24 september 1993
- Datum publicatie
- 24 maart 2025
- Annotator
- ECLI
- ECLI:NL:HR:1993:ZC1071
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:1993:50
- Zaaknummer
- 15050
Inhoudsindicatie
-
Uitspraak
24 september 1993
Eerste Kamer
Nr. 15.050
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
de vennootschap naar Zwitsers recht WINTERTHUR SCHWEIZERISCHE VERSICHERUNGSGESELLSCHAFT,
gevestigd te Winterthur, Zwitserland,
EISERES tot cassatie,
advocaat: Mr. E. van Staden ten Brink,
tegen
[verweerder],
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande of elders,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Mr. R.V. Kist.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen Winterthur - heeft bij exploit van 1 augustus 1985 verweerder in cassatie - verder te noemen [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd [verweerder] te veroordelen om aan Winterthur te betalen een bedrag van f 44.000, -- met rente en kosten.
Nadat [verweerder] tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 2 september 1988 Winterthur tot bewijslevering toegelaten.
Tegen dit vonnis heeft Winterthur hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 18 december 1991 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd en de zaak ter verdere behandeling en afdoening naar de Rechtbank te Rotterdam teruggewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft Winterthur beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Het Hof heeft in het bestreden arrest het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd waarbij Winterthur bewijs is opgedragen. Het Hof heeft de subsidiaire grief van Winterthur dat niet zij doch [verweerder] met het bewijs moet worden belast, verworpen en daartoe overwogen - kort samengevat - dat het voorshands niet uitgaat van de juistheid van de stellingen van Winterthur en dat daaruit volgt dat "voorshands ( ... ) Winterthur moet gelden als degene die alleen de verantwoording draagt voor de gevolgen van het ongeval, behoudens door ( ... ) Winterthur te leveren tegenbewijs".
[verweerder] heeft betoogd dat de beslissing van het Hof blijkens het gebruik van het woord voorshands een voorlopige, dus geen bindende, uitspraak is waarop niet teruggekomen kan worden, zodat het cassatieberoep op grond van art. 399 Rv. aan Winterthur niet openstaat en deze in haar beroep niet ontvankelijk moet worden verklaard.
De Hoge Raad verwerpt dit betoog. Het Hof heeft beslist dat op Winterthur de bewijslast rust. Die beslissing is uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven. Hieraan kan niet afdoen dat het Hof tot zijn bewijslastverdeling is gekomen op de grond dat het voorshands de juistheid van door Winterthur gestelde feiten niet heeft aangenomen. Winterthur is derhalve ontvankelijk in haar cassatieberoep.
4. Beoordeling van het middel
4.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(1) Op 15 augustus 1980 heeft op de zuidelijke rijbaan van de Rijksweg 20 te Rotterdam een aanrijding plaatsgevonden tussen:
- een vrachtauto (trekker met oplegger) DAF, bestuurd door Maasland en tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Winterthur;
- een personenauto Citroën-2CV, bestuurd door [verweerder] en tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij OVVM;
- een personenauto Peugeot, bestuurd door [betrokkene 1].
(2) [betrokkene 1] had geen schuld aan de aanrijding en Winterthur heeft aan [betrokkene 1] als zogenaamde schuldloze derde, tegen cessie van alle rechten die deze tegenover derden te gelde kan maken, als schadevergoeding een bedrag van f 88.000, -- betaald.
(3) OVVM heeft de helft van dat bedrag aan Winterthur vergoed.
(4) Noch OVVM noch Winterthur hebben aansprakelijkheid van hun verzekerde erkend.
(5) a. Maasland heeft blijkens een proces-verbaal van de gemeentepolitie te Rotterdam verklaard dat hij bij zijn afslagmanoeuvre richting Ommoord/Alexanderpolder "op het laatste moment" via de rechterdeurbuitenspiegel zag dat er rechts naast hem - ter hoogte van de bestuurscabine - een Citroën reed, waarna hij (Maasland) naar links gereden is, en dat daarna de Citroën opeens dwars voor zijn DAF terechtkwam.
b. [verweerder] heeft in datzelfde proces-verbaal verklaard dat de DAF hem begon in te halen maar plotseling naar rechts uitweek en met de voorbumper de 2CV raakte bij het linkerachterspatbord, waarop [verweerder] - door de schok van de aanrijding - de macht over het stuur verloor en dwars voor de DAF terechtkwam.
c. De getuige Suurd heeft verklaard dat de DAF plotseling en onnodig naar rechts ging zonder richting aan te geven en "zonder goed te kijken wat rechts voor hem zat of was".
4.2 Winterthur heeft aan haar vordering de stelling ten grondslag gelegd dat [verweerder] schuld heeft aan de aanrijding zodat deze of diens WA-verzekeraar de gehele door [betrokkene 1] geleden schade ad f 88.000, -- moet dragen. Als cessionaris van [betrokkene 1] heeft Winterthur daarom nog een bedrag van f 44.000, -- van [verweerder] te vorderen.
De Rechtbank en het Hof hebben Winterthur belast met het bewijs van haar stelling dat [verweerder] schuld heeft aan de aanrijding. Het Hof heeft daartoe overwogen dat er voorshands blijkens de verklaringen als hiervoor onder 4.1 sub (5) weergegeven, belangrijke indicaties zijn dat alleen Maasland schuldig is aan het ongeval zodat voorshands niet aannemelijk is gemaakt dat de onschuldige [betrokkene 1] een vordering ex art. 1401 (oud) BW geldend kon maken jegens [verweerder], hetgeen ook geldt voor Winterthur als cessionaris van die beweerde vordering.
4.3 Onderdeel 1 van het middel bevat geen klacht. Onderdeel 2 bestrijdt 's Hofs hiervoor weergegeven overweging. Het betoogt - kort samengevat - dat, nu vaststaat dat [verweerder] tegen de auto van [betrokkene 1] is gebotst, doch heeft aangevoerd dat hij door een buiten zijn macht staande omstandigheid de macht over het stuur heeft verloren en dientengevolge plotseling uit de koers is geraakt, zodat hij geen schuld heeft aan het ongeval, hij ([verweerder]) die omstandigheid dient te bewijzen en de bewijslast in dat opzicht niet op Winterthur als cessionaris van de vorderingen van [betrokkene 1] rust.
4.4 Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. De bestuurder van een auto die tegen een andere auto botst, is alleen dan voor de door de botsing veroorzaakte schade aansprakelijk, indien hij schuld heeft aan die botsing. Het was derhalve aan Winterthur om feiten te stellen waaruit kan worden afgeleid dat [verweerder] schuld heeft aan de botsing met [betrokkene 1]. Nu [verweerder] gemotiveerd heeft betwist dat hij schuld heeft aan de botsing, was het ingevolge de hoofdregel van art. 177 Rv. aan Winterthur om de feiten te bewijzen waaruit die schuld kan worden afgeleid. [verweerder] kan slechts met het bewijs van de door hem gestelde feiten worden belast op de feitelijke grond dat Winterthur haar stellingen, behoudens tegenbewijs, reeds afdoende heeft bewezen, dan wel op een van de gronden, vermeld in de slotzinsnede van art. 177 (vgl. HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 813).
In cassatie is niet bestreden dat Winterthur haar stellingen niet afdoende heeft bewezen. Voorts volgt uit 's Hofs hiervoor weergegeven overweging dat naar zijn oordeel geen van de zoëven bedoelde gronden zich voordoet.
De bewijslastverdeling waartoe het Hof is gekomen, geeft blijkens het vorenstaande niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel faalt derhalve.
4.5 Onderdeel 3 verwijt het Hof dat het op onvolledige en onbegrijpelijke wijze is ingegaan op de stelling van Winterthur "dat [verweerder], rijdend op de in- uitvoegstrook zowel jegens [betrokkene 1] alsook jegens Maasland voorrangsplichtig was", door slechts de stelling te behandelen dat [verweerder] verzuimd heeft aan Maasland voorrang te verlenen.
Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld omdat het feitelijke grondslag mist. Het Hof heeft overwogen dat het feitencomplex voorshands onvoldoende grondslag biedt voor het aannemen van het verzuim om aan Maasland voorrang te verlenen. Mede gelet op de verwijzing naar het feitencomplex - waaruit immers blijkt dat de botsing van [verweerder] met [betrokkene 1] een direkt gevolg is van de botsing van [verweerder] met Maasland - ligt in 's Hofs overweging besloten dat het Hof, op gelijke gronden als ten aanzien van Maasland, evenmin aanneemt dat [verweerder] op verwijtbare wijze heeft verzuimd aan [betrokkene 1] voorrang te verlenen. Het Hof was niet tot een nadere motivering gehouden.
4.6 Ook het vierde onderdeel faalt omdat, anders dan het onderdeel veronderstelt, het Hof in het bestreden arrest niet een beslissing heeft gegeven in enig ander geding dan het onderhavige tussen Winterthur en [verweerder].
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Winterthur in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op f 457,20 aan verschotten en f 2.500, -- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Mijnssen, Davids, Heemskerk en Swens-Donner, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Davids op 24 september 1993.
Voor eensluidend afschrift, De Griffier xan de Hoge Raad