Home

Hoge Raad, 24-09-1993, ZC1074, 15082

Hoge Raad, 24-09-1993, ZC1074, 15082

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24 september 1993
Datum publicatie
24 maart 2025
Annotator
ECLI
ECLI:NL:HR:1993:ZC1074
Formele relaties
Zaaknummer
15082
Relevante informatie
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [Tekst geldig vanaf 08-03-2025 tot 01-01-2026] art. 399

Inhoudsindicatie

-

Uitspraak

24 september 1993

Eerste Kamer

Nr. 15.082

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: Mr. R.V. Kist,

tegen

B.V. [verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: Mr. J.K. Franx.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen [verweerster] - heeft bij exploit van 6 mei 1987 eiseres tot cassatie - verder te noemen [eiseres] - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage. Na wijziging van eis strekte haar vordering ertoe [eiseres] te veroordelen om aan [verweerster] te betalen de somma van f 19.599,42 en voorts aan haar te leveren 50 certificaten van aandelen Vezeno op verbeurte van een dwangsom van f 1.000, -- per dag.

Nadat [eiseres] tegen de vorderingen verweer had gevoerd en een vordering in reconventie had ingesteld, die in cassatie geen rol speelt, heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 31 mei 1989 [verweerster] toegelaten tot bewijslevering.

Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 19 februari 1992 heeft het Hof de formulering van de aan [verweerster] verstrekte bewijsopdracht gewijzigd, het bestreden tussenvonnis voor het overige bekrachtigd, en de zaak ter verdere behandeling en afdoening naar die Rechtbank teruggewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) [eiseres] heeft het beheer van haar in effecten belegde vermogen in het najaar van 1985 toevertrouwd aan [betrokkene 1], die haar tot dan toe bij dat beheer had begeleid in zijn toenmalige functie van hoofd van de effectenafdeling van Banque Paribas (Nederland) N.V.

(ii) In verband met dit beheer heeft [eiseres] een geldrekening en een fondsenrekening geopend bij de Kasassociatie N.V. - verder te noemen: Kassas - te Amsterdam.

(iii) In het voorjaar van 1986 heeft [eiseres] op advies van [betrokkene 1] [verweerster] ingeschakeld als commissionair. De overeenkomst die de relatie tussen [eiseres], [verweerster] en Kassas beheerste, hield onder meer de volgende bepaling - waarin [eiseres] als "cliënt" werd aangeduid - in:

"Debitering van de rekening van cliënt en/of uitlevering van effecten geschiedt uitsluitend indien het saldo van de rekening van cliënt en diens overige obligo's jegens de Kassas die debitering en/of uitlevering toestaan, waarbij mede in aanmerking wordt genomen de uitsluitend door Kassas te bepalen onderpandswaarde van de ten name van cliënt onder Kassas berustende effecten en/of andere waarden. "

3.2 [verweerster] vordert in het onderhavige geding van [eiseres] betaling van een bedrag van f 19.599,42, alsmede levering van 50 certificaten van aandelen Vezeno.

Zij heeft eerstgenoemde vordering hierop gegrond dat zij in de periode mei tot en met december 1986 in opdracht en voor rekening van [eiseres] effecten had gekocht, welke zij, nadat [eiseres] met de betaling in gebreke was gebleven, heeft verkocht voor een geringer bedrag dan met de aankoop ervan was gemoeid. Tegen deze vordering heeft [eiseres] onder meer ten verwere aangevoerd dat, zoals [verweerster] wist, door de aankopen de kredietlimiet van [eiseres] bij Kassas werd overschreden en dat [verweerster] de koopopdrachten slechts had mogen uitvoeren na zich ervan te hebben vergewist dat [eiseres], althans [betrokkene 1], van die overschrijding op de hoogte was, of zelfs op grond van haar eigen verantwoordelijkheid uitvoering van de opdrachten had moeten weigeren. De Rechtbank heeft dit verweer verworpen en het Hof heeft de tegen dit oordeel gerichte grief ongegrond bevonden. Hiertegen richten zich het eerste en het tweede onderdeel van het middel.

Aan haar laatstgenoemde vordering heeft [verweerster] ten grondslag gelegd dat zij in opdracht van [eiseres], althans van [betrokkene 1], op 27 april 1987 140 certificaten Vezeno heeft verkocht, terwijl zij slechts

90 certificaten onder zich had. Te dien aanzien, alsmede ten aanzien van de verkoop van eerderbedoelde effecten is [verweerster] tot bewijslevering toegelaten. Hierop heeft het derde onderdeel van het middel betrekking.

3.4 Het eerste onderdeel van het middel bestrijdt 's Hofs oordeel (rov. 4) dat, kort samengevat, [verweerster] niet in strijd met de haar als commissionair in effecten betamende zorgvuldigheid heeft gehandeld doordat zij, ook al was zij ermee bekend dat de kredietlimiet bij Kassas was bereikt, de ontvangen kooporders zonder waarschuwing heeft uitgevoerd. Daarbij heeft het Hof, in cassatie onbestreden, vooropgesteld dat degene die een commissionair opdracht geeft tot aankoop van

effecten, zelf ervoor moet zorgdragen dat hij aan de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting jegens de

commissionair kan voldoen. Het Hof heeft, eveneens in cassatie onbestreden, vastgesteld dat [betrokkene 1] op het terrein van de effectenhandel ervaren en deskundig was. Het Hof heeft aangenomen dat onder die omstandigheden [verweerster] ervan mocht uitgaan dat [eiseres], althans [betrokkene 1], zich op de hoogte hield van de uit het krediet te putten middelen en de door Kassas gehanteerde limieten, terwijl het Hof bovendien het bereiken van de kredietlimiet klaarblijkelijk niet als beslissend voor het al dan niet uitvoeren van een kooporder heeft aangemerkt, omdat niet was uitgesloten dat [eiseres] uit verkooporders of anderszins middelen voor de aankopen zou kunnen fourneren.

Door op grond van een en ander tot zijn hiervoor weergegeven oordeel te komen, heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dit oordeel, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder kan worden onderzocht. Het is ook niet ontoereikend gemotiveerd.

Daarbij heeft het Hof de vorenbedoelde overeenkomst niet aldus uitgelegd dat zij tot een ander oordeel zou nopen; de hiervoor onder 3.1 weergegeven bepaling van deze overeenkomst is door het Hof kennelijk in die zin opgevat dat het daarin vervatte voorschrift zich niet tot [verweerster], maar tot Kassas richtte. Het betreft hier een uitlegging die wegens haar feitelijke karakter in cassatie niet op haar juistheid kan worden onderzocht en niet onbegrijpelijk is.

Het onderdeel klaagt voorts over de vaststelling van het Hof dat niet is gesteld dat de gebruiken in de effectenhandel onder de hiervoor weergegeven omstandigheden toch een verplichting tot informatie over overschrijding van de kredietlimiet meebrengen, doch tevergeefs, aangezien die vaststelling berust op een aan het Hof als rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden uitlegging van de stukken van het geding, die niet onbegrijpelijk is.

Het onderdeel faalt mitsdien.

3.5 Op het hiervoor onder 3.4 overwogene stuit ook het tweede onderdeel af, dat klaagt over het oordeel van het Hof (rov. 5) dat [verweerster] niet verplicht was [eiseres] of [betrokkene 1] te waarschuwen voor overschrijding van de kredietlimiet.

3.6 In eerste aanleg had de Rechtbank [verweerster] onder meer toegelaten tot het bewijs dat zij de effecten waarop haar hiervoor onder 3.2 eerstgenoemde vordering betrekking heeft, alsmede de 140 certificaten Vezeno had verkocht in opdracht van [betrokkene 1]. Het Hof heeft de door [eiseres] tegen de bewijsopdracht gerichte grief verworpen, maar het heeft het hiervoor weergegeven gedeelte van die

bewijsopdracht gewijzigd in dier voege dat in plaats van "in opdracht van [betrokkene 1]" gelezen moet worden "met toestemming van [betrokkene 1]". Het derde onderdeel voert hiertegen aan dat het Hof aldus buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, nu [eiseres] op dit punt geen grief tegen de bewijsopdracht heeft gericht.

Het onderdeel ziet eraan voorbij dat de formulering van een bewijsopdracht in een interlocutoir vonnis,

ook als deze in hoger beroep wordt gewijzigd, steeds een voorlopig karakter heeft en dat de rechter in de verdere loop van het geding daaraan niet gebonden is. Het onderdeel stuit derhalve af op het bepaalde in art. 399 Rv.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op f 557,20 aan verschotten en f 2.500, -- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de president Royer als voorzitter en de raadsheren Roelvink, Korthals Altes, Neleman en Nieuwenhuis, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Davids op 24 september 1993.

Voor eensluidend afschrift, De Griffier van de Hoge Raad der Nederlanden,