Hoge Raad, 14-02-2025, ECLI:NL:HR:2025:243, 23/01768
Hoge Raad, 14-02-2025, ECLI:NL:HR:2025:243, 23/01768
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 14 februari 2025
- Datum publicatie
- 14 februari 2025
- Annotator
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:243
- Formele relaties
- In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2023:3442
- Zaaknummer
- 23/01768
Inhoudsindicatie
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; art. 10, leden 2 en 8, Wet BPM 1992; bepalen van afschrijving met taxatiemethode; referentieauto met andere CO2-uitstoot; “belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen”; proceskosten; artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht; punt van ondergeschikt belang.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/01768
Datum 14 februari 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 april 2023, nr. BK-ARN 21/015701, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 20/3543) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2 Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan met het oog op het in het Nederlandse kentekenregister doen registreren van een uit Duitsland afkomstige, gebruikte personenauto (hierna: de personenauto). De personenauto is op 23 oktober 2019 te naam gesteld in het Nederlandse kentekenregister.
Na controle heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende te weinig bpm heeft voldaan. Aan belanghebbende is daarom een naheffingsaanslag in de bpm opgelegd. De Inspecteur heeft het tegen die naheffingsaanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De Rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep bij uitspraak van 28 september 2021 gegrond verklaard op de grond dat de Inspecteur zich in het verweerschrift akkoord heeft verklaard met een vermindering van de handelsinkoopwaarde van de personenauto in verband met de zogenoemde “markt- en dealersituatie” zoals die als waardedrukkende factor is opgenomen in de koerslijst van Eurotaxglass’s. De Rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd en de naheffingsaanslag dienovereenkomstig verminderd.
De Rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Zij heeft de vergoeding voor de bezwaarfase op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) overeenkomstig de bij het Besluit behorende bijlage, uitgaande van wegingsfactor 1, vastgesteld op € 530.
De vergoeding voor het beroep heeft de Rechtbank op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit overeenkomstig de bij het Besluit behorende bijlage vastgesteld op € 1.068, uitgaande van wegingsfactor 1 en van de in punt 1 van onderdeel B1 van de bijlage opgenomen waarde van € 534 per punt zoals die met ingang van 1 juli 2021 gold voor procedures die besluiten betreffen die zijn genomen op grond van hoofdstuk III van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet).
In haar hoger beroep voerde belanghebbende grieven aan met betrekking tot de naheffingsaanslag na vermindering daarvan door de Rechtbank, en met betrekking tot de hoogte van de door de Rechtbank aan haar toegekende vergoeding voor de proceskosten die verband hielden met het beroep.
Het geschil over de naheffingsaanslag betrof de hoogte van het afschrijvingspercentage als bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Wet. Onderdeel van dat geschil was het antwoord op de vraag of het in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde bedrag aan “belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen” moet worden gebaseerd op de CO2-uitstoot van de personenauto (174 gram per km), zoals belanghebbende betoogde, of op de lagere CO2-uitstoot van een met de personenauto best vergelijkbare, in Nederland geregistreerde, gebruikte personenauto (hierna: de referentieauto), hetgeen de Inspecteur verdedigde. Het Hof heeft deze vraag in laatstgenoemde zin beantwoord.
Het geschil over de door de Rechtbank voor het beroep vastgestelde vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand betrof de toepassing van de in punt 1 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit opgenomen waarde per punt. Belanghebbende voerde in hoger beroep aan dat de Rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een waarde per punt van € 534.
Het Hof heeft – onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752 – geoordeeld dat belanghebbende terecht hierover heeft geklaagd. In aansluiting daarop heeft het Hof bepaald dat het de proceskosten opnieuw zal berekenen en daarbij zal uitgaan van de voor het jaar 2023 in punt 2 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit opgenomen waarde per punt van € 837.
Het Hof heeft vervolgens in rechtsoverweging 5.3 van zijn uitspraak de aan belanghebbende toekomende vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor zowel het beroep als het hoger beroep berekend overeenkomstig de bij het Besluit behorende bijlage, met inachtneming van wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 837. Dit resulteerde in een bedrag van € 1.674 voor de beroepsfase en een bedrag van € 1.674 voor de hogerberoepsfase.
In diezelfde rechtsoverweging 5.3 oordeelt het Hof dat het de vergoeding van € 530 die de Rechtbank voor de kosten van het bezwaar aan belanghebbende heeft toegekend, juist acht en dat het die vergoeding dan ook in stand zal laten.
Het Hof heeft aldus het totaal van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten berekend op € 3.878.
Het Hof heeft tot slot in rechtsoverweging 5.4 van zijn uitspraak beslist dat de toe te kennen proceskostenvergoeding wordt verminderd met de helft tot € 1.939. Die halvering heeft het Hof erop gegrond dat belanghebbende op “(ondergeschikte) onderdelen” in het gelijk wordt gesteld. Die “(ondergeschikte) onderdelen” betroffen volgens het Hof i) de toepassing van de zogenoemde extra leeftijdskorting die de Rechtbank niet had toegepast en waarover tussen partijen in hoger beroep niet in geschil was dat dit wel had moeten gebeuren, en ii) de in het kader van de proceskostenvergoeding voor het beroep toe te passen waarde per punt.
3 Beoordeling van de klachten
3.1.1 De eerste klacht richt zich tegen het hiervoor in 2.3 weergegeven oordeel van het Hof dat het in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde bedrag aan “belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen” moet worden gebaseerd op de CO2-uitstoot van de referentieauto.
3.1.2 Deze klacht slaagt op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 3.2.1 tot en met 3.3.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
3.2.1 De tweede klacht richt zich tegen de hiervoor in 2.4.3 omschreven halvering van de vergoeding van de kosten van de in de fase van bezwaar, beroep en hoger beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De klacht voert daartoe onder meer aan dat de door het Hof gegeven motivering voor die halvering ontoereikend is, aangezien i) in hoger beroep de door de Rechtbank aan belanghebbende toegekende vergoeding voor de bezwaarfase niet in geschil was, ii) de Rechtbank belanghebbende op een ander punt dan de door het Hof genoemde geschilpunten in het gelijk heeft gesteld, en iii) de berekening van de vergoeding van proceskosten voor het beroep bij de Rechtbank in hoger beroep alleen werd bestreden wat betreft de toegepaste waarde per punt.
3.2.2 Aangezien het Hof belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk heeft gesteld en het Hof voor de hiervoor in 2.4.3 omschreven halvering refereert aan “(ondergeschikte) onderdelen”, gaat de Hoge Raad ervan uit dat het Hof die halvering heeft gebaseerd op artikel 2, lid 2, eerste volzin, van het Besluit. Deze bepaling geeft de bestuursrechter de bevoegdheid om het op grond van artikel 2, lid 1, van het Besluit vastgestelde bedrag te verminderen indien een partij of een belanghebbende niet geheel maar gedeeltelijk in het gelijk is gesteld. Wanneer de belanghebbende uitsluitend in het gelijk is gesteld op een punt van ondergeschikt belang, kan een dergelijke matiging worden toegepast.2 Voor toepassing van artikel 2, lid 2, eerste volzin, van het Besluit geldt dat per fase van de procedure moet worden beoordeeld of deze bepaling kan worden toegepast.
3.3.1 Dat betekent dat het Hof per fase van de procedure had moeten beoordelen of artikel 2, lid 2, eerste volzin, van het Besluit kan worden toegepast.
3.3.2 Voor zover het Hof de door de Rechtbank aan belanghebbende toegekende vergoeding voor de bezwaarfase heeft verminderd, slaagt de tweede klacht. In hoger beroep is niet aangevoerd dat deze door de Rechtbank toegekende vergoeding te hoog was. In zo’n geval is het gerechtshof niet bevoegd ambtshalve die vergoeding te verminderen.
Wat betreft de door de Rechtbank toegekende vergoeding voor de fase van beroep voert de tweede klacht terecht aan dat het Hof hetzij zijn beslissing om die vergoeding te verminderen heeft gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting, hetzij die beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd. De Rechtbank heeft belanghebbende wat betreft de naheffingsaanslag op een ander geschilpunt dan het door het Hof vermelde geschilpunt in het gelijk gesteld. In hoger beroep was wat betreft de proceskostenvergoeding voor het beroep tussen partijen niet méér in geschil dan de door de Rechtbank gehanteerde waarde per punt, dus niet het aantal proceshandelingen noch wegingsfactor 1 waarvan de Rechtbank bij het berekenen van die vergoeding is uitgegaan. De tweede klacht slaagt daarom ook in zoverre.
Voor zover de tweede klacht is gericht tegen de vermindering die het Hof heeft toegepast op de proceskostenvergoeding voor het hoger beroep, behoeft die klacht vanwege het slagen van de eerste cassatieklacht geen behandeling, aangezien de Hoge Raad de proceskostenvergoeding voor het hoger beroep, gelet op hetgeen hierna in 3.4.2 en 3.4.3 volgt, opnieuw zal vaststellen.
3.4.1 Gelet op hetgeen hiervoor in 3.1.2 en 3.3.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3.4.2 De in rechtsoverweging 4.8 van de uitspraak van het Hof weergegeven berekening van de naheffingsaanslag is in cassatie uitsluitend bestreden wat betreft de daarin vermelde “historische nieuwprijs” van de personenauto – dat wil zeggen de in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 5, van de Wet, en het bedrag aan bpm op het tijdstip waarop het te registreren motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen –, en daarmee dus ook wat betreft het berekende afschrijvingspercentage. Blijkens de gedingstukken is tussen partijen niet in geschil dat de CO2-uitstoot van de personenauto 174 gram per kilometer bedraagt en dat, uitgaande van die uitstoot, de hiervoor bedoelde som € 67.252 bedraagt. Dit een en ander brengt mee dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 1.711.
3.4.3 De Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 3.878, een en ander berekend volgens de hiervoor in 2.4.2 weergegeven grondslagen.