Parket bij de Hoge Raad, 19-12-2014, ECLI:NL:PHR:2014:2346, 14/02414
Parket bij de Hoge Raad, 19-12-2014, ECLI:NL:PHR:2014:2346, 14/02414
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 19 december 2014
- Datum publicatie
- 2 februari 2015
- Annotator
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:2346
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1129, Contrair
- Zaaknummer
- 14/02414
Inhoudsindicatie
Zaken 14/02414 en 14/02422
Deze zaken betreffen de vragen welk bewijsmateriaal wils(on)afhankelijk is en welke rechter daarover gaat (welke rechter gebruik voor punitieve doeleinden uitsluit): de dwang(som)rechter of de later (misschien) optredende boete- of strafrechter? In deze zaken heeft alleen de Staat cassatieberoep ingesteld. ZIj zijn inhoudelijk nagenoeg gelijk, maar zaak 14/02422 omvat het extra verweer dat de Staat geen belang bij zijn vordering heeft omdat het niet (zou moeten) uitma(a)kt(en) welke rechter de gebruiksrestrictie geeft.
Conclusie
mr. P.J. Wattel
Advocaat-Generaal
Conclusie
Zitting 19 december 2014
Nr. Hoge Raad: 14/02414 (eerste kamer) Nr. Gerechtshof: 200.129.033/01 |
Staat der Nederlanden |
Nr. Rechtbank: C/13/538775 / KG ZA 13-364 |
tegen |
Nemo tenetur |
[verweerster] |
Inhoud
1 Overzicht
2 De feiten
3 Het geding voor de voorzieningenrechter
4 Het geding voor de appelrechter
5 Het geding in cassatie
6 Welk bewijsmateriaal is wils(on)afhankelijk?
7 Welke rechter zorgt voor de waarborg tegen afgedwongen zelfbeschuldiging nu de wetgever er niet in voorzien heeft?
8 De mogelijk andersluidende opvatting van uw derde kamer
9 Beoordeling van het middel
10 Conclusie
1 Overzicht
[verweerster] is geïdentificeerd als rekeninghoudster van een of meer rekeningen bij de Kredietbank Luxembourg (KB-Lux). De inspecteur heeft haar en haar man ex art. 47 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) verzocht c.q. gesommeerd opgave te doen van onder meer (het verloop van) door hen aangehouden buitenlandse bankrekening(en). [verweerster] heeft steeds ontkend over buitenlandse banktegoeden te beschikken.
Aan [verweerster] zijn diverse navorderingsaanslagen en fiscale boeten opgelegd. In (hoger) beroep daartegen heeft de belastingkamer van het Hof Amsterdam aannemelijk geacht dat zij houdster is (geweest) van een rekening bij KB-Lux. Zij heeft tegen dat oordeel cassatieberoep ingesteld dat door uw derde kamer op 25 november 2011 gegrond is verklaard, maar uitsluitend ter zake van de boetebeschikkingen, zodat er van uitgegaan moet worden dat haar identificatie als rekeninghoudster fiscaalrechtelijk vast staat.
Bij dagvaarding voor de Rechtbank Amsterdam (voorzieningenrechter) heeft de Staat een bevel onder dwangsom jegens het echtpaar gevorderd om te verklaren welke bankrekeningen zij na 31 januari 1994 bij KB-Lux en eventuele andere buitenlandse banken hebben aangehouden, opgaaf te doen van (het verloop van) die rekeningen, bescheiden te verstrekken en daarop mondeling toelichting te geven. De Voorzieningenrechter heeft hen daartoe veroordeeld op straffe van een dwangsom ad € 2.500 per dag(deel) met een maximum ad € 100.000. Het dictum bepaalt dat de door hen onder dwangsomdreiging verstrekte gegevens en inlichtingen alleen mogen worden gebruikt voor belastingheffing en niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan fiscale of strafrechtelijke sancties, tenzij u in uw op 7 juni 2013 te wijzen arrest zou oordelen dat art. 6 EVRM daaraan niet in de weg staat.
Het echtpaar heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof Amsterdam. De Staat heeft de grieven bestreden en zijnerzijds incidenteel een grief aangevoerd.
In cassatie zijn nog slechts van belang ’s Hofs overwegingen over grief VI van [verweerster], inhoudende dat de voorzieningenrechter de vorderingen van de Staat ten onrechte had toegewezen zonder tevens [verweerders] eis toe te wijzen dat de Staat moet verklaren de te verstrekken informatie uitsluitend ten behoeve van de belastingheffing te zullen gebruiken. Het Hof heeft die grief verworpen omdat de voorzieningenrechter al een gebruiksrestrictie van die strekking aan zijn bevel had verbonden, maar nam wel een “in enige mate aangescherpt[e], althans verduidelijkt[e]” gebruiksrestrictie op in zijn dictum. Het Hof heeft (dus) ook de wils(on)afhankelijkheid van het opgeëiste bewijsmateriaal beoordeeld; hij heeft alle van [verweerster] gevorderde informatie aangemerkt als wilsafhankelijk, omdat het gaat om verklaringen en bescheiden die de Staat zonder haar medewerking niet kan verkrijgen en die de Staat onder dreiging van een hoge dwangsom van haar tracht af te dwingen.
De Staat eiste incidenteel een hogere dwangsom per dag en een hoger maximum. Het Hof heeft een hoger maximum toegewezen, maar alleen jegens [verweerster], die is veroordeeld om binnen 30 dagen aan de vorderingen van de fiscus te voldoen op straffe van een dwangsom ad € 2.500 per dag tot een maximum ad € 500.000. Het Hof heeft bepaald dat de Staat, in het bijzonder doch niet uitsluitend de Belastingdienst, de onder dwangsom-dreiging door [verweerster] gegeven informatie alleen mag gebruiken voor de belastingheffing.
De Staat bestrijdt ’s Hofs oordeel in cassatie op vier punten:
(i) het Hof had moeten volstaan met een voorwaardelijke gebruiksrestrictie (‘voor zover’) en niet zelf een oordeel moeten geven over de wils(on)afhankelijkheid van het gevorderde, maar dat moeten overlaten aan een eventueel later oordelende boete- of strafrechter;
(ii) documenten zijn wilsonafhankelijk materiaal, ook als zij onder druk van een dwangsom worden verkregen. Het gaat erom of hun bestaan van de wil van de verdachte/ belastingplichtige afhangt. De mate van uitgeoefende druk is niet relevant, althans die druk is niet zodanig dat het gevorderde daardoor wilsafhankelijk zou worden;
(iii) Ook als de druk substantieel is, is punitief gebruik van aldus verworven bescheiden nog niet in strijd met art. 6 EVRM. Het verbod op gedwongen zelfincriminatie hangt samen met het zwijgrecht, dat niet aangetast wordt door druk om reeds bestaande bescheiden over te leggen, zodat die bescheiden ook punitief gebruikt kunnen worden. Het Hof heeft onvoldoende gemotiveerd dat de druk zo groot zou zijn dat het zelfincriminatieverbod zou zijn geschonden;
(iv) de clausulering is daarom ondeugdelijk.
Ad (i) meen ik dat de dwang(som)rechter juist verplicht is om een oordeel te geven over de wils(on)afhankelijkheid van het af te dwingen materiaal. Nu de wetgever niet in de ex art. 6 EVRM vereiste waarborg tegen zelfincriminatie heeft voorzien, moet de dwangrechter er in voorzien, en wel, aldus het EHRM zodanig dat hij practical and effective is; niet theoretical and illusory. Een verdachte/belastingplichtige heeft weinig aan een waarborg tegen zelfincriminatie die niet in de wet staat, waarvan op het moment van dwanguitoefening vaag blijft op welke opgeëiste informatie hij ziet, en waarvan reikwijdte en effect (dus) pas kan blijken (ver) nádat de betrokkene zichzelf al – als gevolg van de uitgeoefende dwang – beschuldigd heeft. Juist op het moment waarop hij gedwongen wordt te kiezen tussen zelfbeschuldiging en dwangsomverbeuring, moet hij zijn positie kunnen overzien. Uit HR NJ 2014/70 (faillissementsgijzeling) blijkt dan ook dat u u juist geroepen acht om tegelijk met het oordeel over de toelaatbaarheid van de dwanguitoefening ook te beslissen over de punitieve (on)bruikbaarheid van de onder dwang te produceren informatie. Uit de EHRM-arresten Shannon,1Saunders,2Marttinen3 en Chambaz4 volgt dat het EHRM een wettelijke waarborg wenst; dat hoezeer ook ‘it would have been open to the trial judge to exclude the information obtained at interview’, het recht om jezelf niet te hoeven beschuldigen reeds bestaat ‘at interview’, zodat de borging daarvan niet doorgeschoven kan worden aan de (wellicht nooit optredende) strafrechter omdat áls de strafrechter later oordeelt, op dat moment die waarborg, met name de verklaringsvrijheid ‘at trial’, al in de kern kan zijn aangetast. Ik meen daarom dat de eerste klacht van de Staat faalt.
Ad (ii) en (iii): deze klachten berusten mijns inziens op een onjuist uitgangspunt. Dat bewijsmateriaal fysiek reeds bestond los van de wil van de verdachte (pre-existing documents), is geenszins beslissend voor de vraag of het van de (potentieel) verdachte afgedwongen mag worden. Als de gedwongene niet kan uitsluiten dat het ook punitief tegen hem gebruikt zal worden, is beslissend dat de autoriteiten de verdachte niet tot zelf-beschuldiging nopen door methods of coercion or oppression in defiance of the will of the (potentieel) accused. Kunnen of willen de autoriteiten niet zonder dergelijke dwang kennis nemen van bewijsmateriaal zoals met name bankafschriften (zie de EHRM-arresten J.B.5 en Chambaz: “documents” betreffende “ses comptes auprès de la banque S.”), dan is dat bewijsmateriaal wilsafhankelijk in de zin van de EHRM-rechtspraak. De beperking die de Staat wil aanbrengen tot slechts verklaringen onder verhoor, is onverenigbaar met de EHRM-arresten Funke,6J.B. v Switzerland, Chambaz, Marttinen en Choudhary.7 Gezien de beperkte omvang (CHF 2.000 plus CHF 3.000) van de volgens Chambaz al ontoelaatbare beboeting gericht op afgifte van bankafschriften, en gezien de beperking van nog wél toelaatbare ‘moderate’ beboeting van niet-medewerking tot £ 300 resp. £ 1.000 in de zaken Allen8 en O’Halloran and Francis,9 kan mijns inziens niet betwijfeld worden dat een dwangsom ad € 2.500 per dag oplopend tot € 500.000 een zodanige dwang tot zelfbeschuldiging inhoudt dat hij ontoelaatbaar is zonder vrijwaring van punitief gebruik tegen de gedwongene van de van hem afgedwongen informatie. Een boete ad € 33.638 voor een failliet/verdachte wegens niet-medewerking aan verkrijging van gegevens waarvan hij niet kon uitsluiten dat zij ook voor zijn vervolging gebruikt zouden worden, “destroyed the very essence of his privilege against self-incrimination”, aldus het EHRM in Marttinen.
Als de klachten (i) tot en met (iii) ongegrond zijn, is ook de voortbouwende vierde klacht ongegrond. Ik geef u in overweging het cassatieberoep van de Staat te verwerpen.
2 De feiten
Op 27 oktober 2000 hebben de Belgische fiscale autoriteiten het Nederlandse Ministerie van Financiën ex art. 4 van Bijstandsrichtlijn 77/799/EEG fotokopieën verstrekt van afdrukken van microfiches afkomstig uit de interne administratie van KB-Lux. De fiches vermelden bankrekeningsaldi van Nederlands ingezetenen bij KB-Lux op 31 januari 1994.
Op basis van onderzoek door de Belastingdienst naar de op de fiches vermelde namen en saldi (het ‘rekeningenproject’) is [verweerster] geïdentificeerd als rekeninghoudster van een of meer rekeningen bij KB-Lux.
De inspecteur heeft [verweerster] en haar echtgenoot ex art. 47 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) verzocht c.q. gesommeerd opgave te doen van (het verloop van) door hen aangehouden buitenlandse bankrekening(en) en gevraagd welke rekeningen zij na 31 januari 1994 hebben aangehouden c.q. nog aanhouden. [verweerster] heeft – voor zover bekend tot op heden – steeds ontkend over buitenlandse banktegoeden te beschikken.
Aan [verweerster] zijn voor de jaren 1990 tot en met 2000 navorderingsaanslagen Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en voor de jaren 1991 tot en met 2000 navorderingsaanslagen vermogensbelasting opgelegd. Ook zijn haar diverse fiscale boeten opgelegd. Zij heeft de aanslagen en boeten bestreden in een procedure die heeft geleid tot een uitspraak van de belastingkamer van het Hof Amsterdam van 10 juni 2010.10 Dat Hof heeft geoordeeld dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat [verweerster] houder is (geweest) van een rekening bij KB-Lux.
[verweerster] heeft tegen die uitspraak cassatieberoep ingesteld. Uw derde kamer heeft dat op 25 november 2011 gegrond verklaard,11 maar heeft ‘s Hofs uitspraak uitsluitend ter zake van de boetebeschikkingen vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof Den Haag, dat volgens de burgerlijke kamer van het Hof Amsterdam nog niet had beslist toen laatstgenoemd Hof zijn thans in cassatie te beoordelen arrest wees.12
3 Het geding voor de voorzieningenrechter13
Bij dagvaarding van 5 april 2013 voor de Rechtbank Amsterdam (voorzieningenrechter) heeft de Staat een bevel onder dwangsom jegens het echtpaar gevorderd om (kort gezegd) te verklaren welke buitenlandse bankrekeningen zij na 31 januari 1994 bij KB-Lux of elders aanhouden of hebben aangehouden, opgaaf te doen van (het verloop van) die rekeningen, bescheiden te verstrekken en daarop een mondelinge toelichting te geven.
De Staat voerde als grond aan dat het echtpaar in strijd met art. 47 AWR weigert de inspecteur informatie te verstrekken die voor hun belastingheffing van belang kan zijn, dat uit onderzoek van de Belastingdienst is gebleken dat [verweerster] op 31 januari 1994 een saldo had bij KB-Lux, dat de [verweerders] fiscale partners zijn en dat zij al meermalen aangeschreven en gesommeerd zijn om de vereiste informatie te verstrekken, maar blijven weigeren.
Het echtpaar voerde daartegen onder meer aan dat (i) de microfiches in België op onrechtmatige wijze zijn verworven, zodat zij als bewijs moeten worden uitgesloten, (ii) dat zij geen rekeninghouder zijn geweest bij KB-Lux, (iii) dat de Staat geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen, nu het geschil al jaren loopt en (iv) de Staat überhaupt geen belang heeft bij de gevraagde voorzieningen, nu de inspecteur een informatiebeschikking ex art. 52a AWR kan opleggen. Het echtpaar stelt overigens reeds voldaan te hebben aan het verzoek van de Belastingdienst, nu zij niet iets kunnen opgeven dat er niet is, alsmede dat de gevraagde voorzieningen in strijd komen met art. 6 EVRM.
In reconventie eiste het echtpaar een bevel op straffe van een dwangsom aan de fiscus om hen informatie te geven over het aantal en de aard van de tot dat moment gebleken misidentificaties en over het onderzoek naar hun vermogen.
De Voorzieningenrechter heeft op basis van HR BNB 2008/159 geoordeeld dat de Nederlandse rechter aan de mogelijk onrechtmatige wijze van verkrijging van de microfiches niet de gevolgen hoeft te verbinden die het echtpaar wenst (bewijsuitsluiting). Hij constateerde dat het Hof Amsterdam reeds had geoordeeld (zie 2.4) dat [verweerster] rekeninghouder is (geweest) bij KB-Lux. Uit het daartegen ingestelde cassatieberoep (zie 2.5) volgt niet dat die identificatie onjuist zou zijn. Nu die identificatie slechts in algemene termen werd betwist, is de Voorzieningenrechter voorbij gegaan aan de stelling van het echtpaar dat het geen rekeninghouder is geweest. De Voorzieningenrechter zag voldoende spoedeisend belang in het gegeven dat elk jaar (aanslag)termijnen verstrijken en dat de Staat ook belang heeft bij informatie over de periode waarover geen heffingen meer opgelegd kunnen worden, alsmede in “de aard van de vordering”. Art. 52a(4) AWR staat de Belastingdienst toe om ook als hij reeds een informatiebeschikking heeft opgelegd bij de burgerlijke rechter een bevel onder dwangsom tot nakoming van de informatieverstrekkingsplichten ex art. 47 AWR te eisen. Met blote ontkenning wordt niet voldaan aan de verplichtingen ex art. 47 AWR.
Voldoening aan een vordering ex art. 47 AWR geschiedt volgens de Voorzieningen-rechter ook bij documenten niet los van de wil van de belastingplichtige. De documenten zijn voor de Belastingdienst niet beschikbaar en behoudens huiszoeking ook niet buiten de wil van de belastingplichtige om verkrijgbaar. De Voorzieningenrechter heeft daarom weliswaar de vordering van de Staat toegewezen, maar met de restrictie dat de gevorderde informatie niet aan de oplegging van fiscale of strafrechtelijke sancties ten grondslag mag worden gelegd, tenzij de Hoge Raad in een op 7 juni 2013 uit te spreken arrest anders zou oordelen.
De Voorzieningenrechter heeft de reconventionele vordering van het echtpaar afgewezen, nu hij daarvoor geen rechtsgrond zag, c.q. geen rechtens te beschermen belang.
De Voorzieningenrechter heeft het echtpaar veroordeeld om binnen 30 dagen aan de informatievorderingen van de fiscus te voldoen op straffe van een dwangsom ad € 2.500 per dag(deel) met een maximum van € 100.000. Het dictum vermeldt dat de door het echtpaar onder dwangsomdreiging verstrekte gegevens en inlichtingen alleen mogen worden gebruikt voor belastingheffing en niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan fiscale of strafrechtelijke sancties, tenzij de Hoge Raad in het op 7 juni 2013 uit te spreken arrest zou oordelen dat art. 6 EVRM daar niet aan in de weg zou staan. Het meer of anders gevorderde is afwezen. Het echtpaar is veroordeeld in de proceskosten en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Ook in reconventie is het echtpaar veroordeeld in de proceskosten.
4 Het geding voor de appelrechter14
Bij appeldagvaarding van 3 juni 2013 heeft het echtpaar hoger beroep ingesteld bij het Hof Amsterdam. Bij memorie van grieven hebben zij negen grieven aangevoerd, concluderende tot vernietiging, niet-ontvankelijk-verklaring van de Staat of afwijzing alsnog van diens vorderingen, toewijzing van het gevorderde in reconventie, en veroordeling van de Staat in de proceskosten in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.
Bij principale antwoordmemorie, tevens incidentele grievenmemorie heeft de Staat de grieven bestreden en zijnerzijds een grief aangevoerd, concluderende tot vernietiging, toewijzing van zijn vermeerderde vordering, afwijzing van de vordering van het echtpaar en hun veroordeling in de proceskosten in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.
In het incidentele appel heeft het echtpaar geconcludeerd tot verwerping.
Het Hof achtte grief II van het echtpaar, inhoudende dat de identificatie onjuist is, gegrond ten aanzien van [echtgenoot van verweerster], omdat zijn naam niet op de microfiches voorkomt en hij geen partij was in de fiscale procedure. De Staat heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [echtgenoot van verweerster], hoewel de ten name van [verweerster] bij KB-Lux lopende rekening(en) niet (mede) op zijn naam stonden, informatie zou kunnen geven over deze rekening(en). Dat [echtgenoot van verweerster] door de belastingwet als fiscaal partner van [verweerster] wordt aangemerkt, maakt dat niet anders.
Het Hof heeft de overige grieven van het echtpaar afgewezen.
In cassatie zijn nog slechts van belang ’s Hofs overwegingen over grief VI, waarin het echtpaar aanvoerde dat de voorzieningenrechter de vorderingen van de Staat ten onrechte heeft toegewezen zonder tevens hun eis toe te wijzen dat de Staat verklaart de te verstrekken informatie alleen voor heffingsdoeleinden te zullen gebruiken. Deze grief faalde volgens het Hof omdat de voorzieningenrechter al een gebruiksrestrictie had verbonden aan het bevel, maar hij nam wel (zie r.o. 3.24) een “in enige mate aangescherpt[e], althans verduidelijkt[e]” restrictie op in het dictum van zijn uitspraak. Het Hof gaf voorts een oordeel over de wils(on)afhankelijkheid en daarmee over de (on)bruikbaarheid voor punitieve doeleinden van het van het echtpaar gevorderde bewijsmateriaal:
“3.15 De grief gaat in zoverre niet op, nu de voorzieningenrechter de vordering niet ongeclausuleerd heeft toegewezen, nu immers in het dictum van het bestreden vonnis is bepaald dat verstaan moet worden dat de Belastingdienst de verkregen gegevens en inlichtingen alleen gebruikt voor de belastingheffing en deze niet aan de oplegging van fiscale of strafrechtelijke sancties ten grondslag zal leggen, tenzij de Hoge Raad in het op 7 juni 2013 te verwachten arrest oordeelt dat art. 6 EVRM hieraan niet in de weg staat.
Inmiddels is het bedoelde arrest gewezen (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:LJN BZ3640), waarmee de onduidelijkheid die hierover eerder bestond, thans grotendeels is weggenomen. In dit arrest heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
'In zijn uitspraak van 17 december 1996, no. 43/1994/490/572, ECLI:NL:XX:1996:ZB6862, NJ 1997/699 (Saunders tegen Verenigd Koninkrijk), heeft het EHRM overwogen dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie samenhangt met het zwijgrecht, hetgeen meebrengt dat dit verbod zich niet uitstrekt tot het gebruik in strafzaken van bewijsmateriaal dat weliswaar onder dwang is verkregen, maar bestaat onafhankelijk van de wil van de verdachte (hierna: wilsonafhankelijk materiaal). Uit latere rechtspraak van het EHRM blijkt niet dat het van dit uitgangspunt is teruggekomen. Dit brengt mee dat de verkrijging van wilsonafhankelijk materiaal langs de weg van een in kort geding gegeven bevel geen schending van art. 6 EVRM oplevert, ook niet als aan dat bevel een dwangsom wordt verbonden',
en:
"Voor zover sprake is van bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige (hierna: wilsafhankelijk materiaal), geldt het volgende. Voorop staat dat de verkrijging van zodanig materiaal mag worden afgedwongen voor heffingsdoeleinden. Indien niet kan worden uitgesloten dat het materiaal tevens in verband met een "criminal charge " tegen de belastingplichtige zal worden gebruikt (vgl. EHRM 3 mei 2001, no. 31827/96, ECLI:NL:XX:200LAN6999, LJN NJ2003/354 (J.B. tegen Zwitserland)), zullen de nationale autoriteiten moeten waarborgen dat de belastingplichtige zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie effectief kan uitoefenen. Aangezien hierop gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt, dient de rechter in de vereiste waarborgen te voorzien'.
In het onder 3.15 aangehaalde arrest is 'wilsafhankelijk materiaal' omschreven als bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige. In concrete situaties zal moeten worden bepaald of sprake is van dergelijk materiaal.
In het licht van het arrest van de derde kamer van de Hoge Raad van 27 juni 2001, nr. 35889, ECLI:NL:HR:2001:AB2314 (BNB 2002/27) - waarin onder meer werd overwogen 'dat een verklaring die de betrokkene heeft afgelegd ter voldoening aan die verplichting [hof: de verplichting ingevolge artikel 47 AWR], niet mag worden gebruikt ten behoeve van de boeteoplegging' - moet echter worden aangenomen dat hieronder in ieder geval dienen te worden begrepen de van [verweerder] c.s. gevorderde verklaringen en mondelinge toelichting.
Naar 's hofs oordeel moet voorts worden aangenomen dat de door de Staat gevorderde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de door [verweerster] aangehouden buitenlandse bankrekeningen over de periode vanaf 1994 tot heden alsmede, indien van toepassing, bewijs van de opheffing van de bankrekening(en) alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing, in de gegeven omstandigheden zijn aan te merken als wilsafhankelijk materiaal. Het hof neemt hiertoe het volgende in aanmerking.
Het gaat hier om bescheiden die de Staat zonder medewerking van betrokkene niet kan verkrijgen en die de Staat onder druk van een op te leggen dwangsom van haar beoogt te verkrijgen. De omstandigheid dat ter verkrijging van het materiaal enige actieve participatie van de betrokkene is vereist brengt op zichzelf niet mee dat het gebruik van dat materiaal in een 'criminal charge' strijd oplevert met artikel 6 EVRM (vergelijk Hoge Raad, 21 maart 2008, nr. 43050, ECLI:NL:HR:2008:BA8179, BNB 2008/159, overweging 3.3.2). Voorts is niet elke dwangmaatregel verboden. Dit volgt onder meer uit EHRM 4 oktober 2005, nr. 6563/03 (Shannon), waarin werd overwogen: 'the Court recalls that not all coercive measures give rise to the conclusion of an unjustified interference with the right not to incriminate oneself.’ Het gebruik van onder dwang verkregen bescheiden levert echter wel strijd op met artikel 6 EVRM indien de mate van druk, de uitgeoefende dwang, dermate groot is dat het wezen van het in artikel 6 EVRM begrepen 'privilege against self-incrimination' op onaanvaardbare wijze geweld wordt aangedaan. Mede in het licht van de arresten van het EHRM van 25 februari 1993, nr. 10828/84 (Funke), 3 mei 2001, nr. 31827/96 (J.B.) en 5 april 2012, nr. 11663/04 (Chambaz), is het hof van oordeel dat gelet op de mate van druk die uitgaat van de op te leggen dwangsom, die in het onderhavige geval als substantieel is te kwalificeren, zich in dezen een situatie voordoet waarbij het gebruik van de bescheiden als bewijs tegen [verweerster] ten behoeve van bestuurlijke boeteoplegging of strafvervolging in strijd zou komen met artikel 6 EVRM.
Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat alle informatie die in dit geding door [verweerster] moet worden verstrekt, als wilsafhankelijk materiaal moet worden beschouwd, in de zin van HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640. Dit betekent dat het hof aan het gebruik van deze gegevens een restrictie zal verbinden als nader in het dictum te bepalen. De grief faalt.”
De Staat eiste incidenteel in hoger beroep een hogere dwangsom per dag en een hoger maximum. Het Hof heeft die vordering ter zake van de maximering toegewezen, maar alleen jegens [verweerster]. Hij heeft het dwangsomplafond verhoogd van € 100.000 naar € 500.000. Jegens [echtgenoot van verweerster] heeft het Hof de incidentele eis afgewezen onder verwijzing naar zijn oordeel over grief II van het echtpaar (zie 4.4).
Het Hof heeft daarom het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd voor wat betreft de vordering van de Staat en heeft, opnieuw recht doende, de gevraagde voorziening afgewezen jegens [echtgenoot van verweerster]. Het Hof heeft [verweerster] veroordeeld om binnen 30 dagen (i) te verklaren welke buitenlandse rekeningen zij na 31 januari 1994 bij KB-Lux en eventuele andere buitenlandse banken heeft aangehouden of aanhoudt, (ii) opgaaf te doen van haar buitenlandse bankrekeningen en (iii) bescheiden te verstrekken betreffende buitenlandse bankrekeningen en (iv) binnen een door de Inspecteur te bepalen termijn een mondelinge toelichting te geven op de genoemde gegevens, een en ander op straffe van een dwangsom ad € 2.500 per dag tot een maximum ad € 500.000. Het Hof heeft bepaald dat de Staat, in het bijzonder doch niet uitsluitend de Belastingdienst, de gevorderde informatie alleen mag gebruiken voor de belastingheffing. [verweerster] is veroordeeld in de kosten van het geding. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.
5 Het geding in cassatie
De Staat heeft tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld. [verweerster] heeft dat beroep tegengesproken. Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk doen toelichten. [verweerster] heeft gedupliceerd.
De Staat stelt één middel voor: het Hof heeft het recht geschonden en/of zijn motiveringsplicht verzaakt door te overwegen zoals vermeld in r.o. 3.17, 3.18 en 3.19 (zie 4.6 hierboven) en op grond daarvan te beslissen. Blijkens de toelichting in zijn dagvaarding en in zijn schriftelijke toelichting ziet de Staat vier gebreken, die ik als volgt samenvat:
(i) het Hof had moeten volstaan met een voorwaardelijke gebruiksrestrictie: voor zover het bevel leidt tot verstrekking van materiaal dat afhangt van de wil van de belastingplichtige, zal het slechts kunnen worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing (HR NJ 2013/559). Hij had niet zelf een oordeel moeten geven over de wils(on)afhankelijkheid van het gevorderde; daarover gaat de rechter die over de beboeting of bestraffing gaat;
(ii) bescheiden zijn wilsonafhankelijk materiaal, ook als zij onder druk van een dwangsom worden verkregen. Niet van belang, althans niet doorslaggevend is dat de Staat die bescheiden niet zonder medewerking van de belastingplichtige kan verkrijgen. Het gaat erom of het bestaan van de bescheiden van diens wil afhankelijk is. In geen geval had het Hof de restrictie mogen betrekken op de veroordeling van [verweerster] tot het verstrekken van bankafschriften. In de zaak Choudhary stelt het EHRM een verklaring in een (voor punitieve doeleinden bruikbaar) onrechtmatig afgetapt telefoongesprek immers gelijk met “a pre-existing document or a bodily sample, to which the right not to incriminatie oneself does not extend.” Evenmin van belang althans niet doorslaggevend is dat de Staat de bescheiden beoogt te verkrijgen onder druk van een dwangsom, die immers niet uitsluit dat zij onafhankelijk van die wil bestaan. De mate van uitgeoefende druk is niet relevant, althans die druk is niet zodanig dat het gevorderde daarmee wilsafhankelijk zou worden. Het gaat niet om bestraffing of beboeting van het niet-verstrekken van informatie. De dwangsom levert evenmin als gijzeling (zie HR NJ 2014/70) met art. 6 EVRM strijdige druk op;
(iii) Ook als de dwangsom-druk substantieel is, is punitief gebruik van de gevorderde bescheiden daarmee nog niet in strijd met art. 6 EVRM. Het verbod op gedwongen zelfincriminatie hangt samen met het zwijgrecht, dat niet aangetast wordt door druk om reeds bestaande bescheiden over te leggen, zodat dergelijke bescheiden ook voor punitieve doeleinden gebruikt kunnen worden. Deze in HR NJ 2013/435 gegeven regel kan niet omzeild worden door reeds bestaande bescheiden als wilsafhankelijk aan te merken. [verweersters] zaak onderscheidt zich van die van Funke, J.B. en Chambaz omdat er in die zaken sprake was van een ‘determination of a criminal charge’ (vgl. HR BNB 2004/225). Het Hof heeft hoe dan ook onvoldoende gemotiveerd dat de dwangsom-druk zo groot zou zijn dat het verbod op zelfincriminatie zou zijn geschonden;
(iv) de door het hof aan de toewijzing verbonden clausulering bouwt voor op de oordelen die hierboven zijn bestreden zodat ook die clausulering ondeugdelijk is.
[verweerster] weerspreekt dit bij schriftelijke toelichting en dupliek als volgt:
(ad i) de stelling dat de voorzieningenrechter niet over de wilsafhankelijkheid van het materiaal gaat, berust op onjuiste lezing van HR NJ 2013/435 en HR NJ 2013/559. Die arresten houden slechts in dat de bepaling van de gevolgen van schending van de gebruiksrestrictie aan de straf/boeterechter toekomt. Zij houden niet in dat het uitsluitend aan de straf/boeterechter is om over de wils(on)afhankelijkheid van het gevorderde te oordelen. Daar komt bij dat de fiscus onrechtmatig handelt als hij in strijd met de gebruiksrestrictie wilsafhankelijk materiaal toch voor punitieve doeleinden gebruikt, zodat de belastingplichtige alsdan civielrechtelijk schadevergoeding kan eisen; mede daarom is het aan de civiele voorzieningenrechter om over de wils(on)afhankelijkheid te oordelen. Dat de civiele rechter dat doet, verhindert de straf/boeterechter geenszins te oordelen over de gevolgen van punitief gebruik in strijd met de gebruiksrestrictie.
(ad ii) De Staat stelt terecht dat voor de vraag of materiaal wilsafhankelijk is, op zichzelf niet van belang is of de Staat het zonder medewerking van de belastingplichtige kan verkrijgen. Dat het materiaal onder dwangsomdruk wordt verkregen, is op zichzelf evenmin doorslaggevend. De Staat heeft niettemin geen belang bij het middelonderdeel omdat voor de vraag of inbreuk wordt gemaakt op ‘the right not to incriminate oneself’ wél van belang is de aard en mate van de dwang, óók als het gaat om wilsonafhankelijk materiaal (HR BNB 2008/15915). In Choudhary stelde het EHRM vast dat juist géén dwang op de verdachte was uitgeoefend; dáárom was de telefoontap bruikbaar en vergelijkbaar met ‘pre-existing’ materiaal waar de autoriteiten de hand op kunnen leggen zónder de verdachte te dwingen. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat gebruik van het materiaal voor bestuurlijke beboeting of strafvervolging in strijd met art. 6 EVRM zou komen, gezien de aard en de mate van dwang die uitgaat van een dwangsom ad maximaal € 500.000.
(ad iii) De verkrijging van wilsonafhankelijk materiaal via een in een kort geding gegeven bevel kan schending van art. 6 EVRM opleveren. Een dwangsom is weliswaar van financiële aard, maar kan door diens hoogte ook het levenspatroon van de veroordeelde bepalen. Gelet op die hoogte kon het Hof tot het oordeel komen dat art. 6 EVRM was geschonden. Het effect van een dwangsom is vergelijkbaar met dat van een geldboete. Dat nog geen sprake is van een ‘determination of a criminal charge’ is niet van belang; het gaat erom dat het materiaal niet mag worden gebruikt in een toekomstige strafvervolging. HR BNB 2004/225 was zuiver bestuursrechtelijk en ging niet over een dwangsom.
(ad iv) (ook) de voortbouwklacht is gelet op het voorgaande ongegrond.