Home

Parket bij de Hoge Raad, 20-05-2022, ECLI:NL:PHR:2022:533, 22/00394

Parket bij de Hoge Raad, 20-05-2022, ECLI:NL:PHR:2022:533, 22/00394

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20 mei 2022
Datum publicatie
3 juni 2022
Annotator
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:533
Formele relaties
Zaaknummer
22/00394

Inhoudsindicatie

Cassatie in het belang der wet; zijn gerechtelijke instanties (wettelijk) gehouden om in verband met de openbaarheid van rechtspraak informatie over lopende civiele procedures te verstrekken aan derden?

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/00394

Zitting 20 mei 2022

VORDERING TOT CASSATIE

IN HET BELANG DER WET

E.M. Wesseling-van Gent

In de zaak

1. Holland Iris Select B.V.

2. Holland Bolroy Markt B.V.

3. H.B.M. Flora Vastgoed 1 B.V.

4. H.B.M. Flora Holding B.V.

5. [niet nader bekend]

Tegen

De Griffier van de rechtbank Den Haag

1. Inleiding

1.1 Deze zaak betreft een vordering tot cassatie in het belang der wet. De kernvraag die daarin aan de orde wordt gesteld is of, en zo ja op welke grondslag, gerechten gehouden zijn om informatie over lopende procedures (in bepaalde gevallen of met bepaalde doeleinden) te verstrekken aan derden.

1.2 In de praktijk bestaat behoefte aan dergelijke informatie. Zo kan het voor een partij van belang zijn om te weten of tussen andere partijen een procedure aanhangig is, en om deze te volgen om op grond daarvan haar strategie te bepalen.1 Ook advocaten kunnen er belang bij hebben om procedures te volgen waarvan zij het bestaan kennen (bijvoorbeeld doordat hun cliënt is gedagvaard) maar waarin zij zich nog niet hebben gesteld. Door de procedure te ‘observeren’, kunnen zij beoordelen of het in het belang van hun cliënt is om zich te stellen, of om een vordering tot voeging of tussenkomst in te dienen. Daarnaast blijkt uit navraag (zie hierna paragraaf 5) dat informatie over lopende procedures (telefonisch) bij de gerechten wordt opgevraagd.

1.3 Al in 1995 heeft Van Zwieteren2 zich in een opinie in het NJB afgevraagd waarom de rechtspraak de burger niet de mogelijkheid biedt zich van tevoren op de hoogte te stellen van hetgeen tijdens openbare zittingen zal worden behandeld. Zij wees erop dat in Nederland dagelijks vele civiele pleidooien, kortgedingzaken, meervoudige strafkamerzittingen en politierechterzittingen worden gehouden zonder dat de burger een mogelijkheid heeft zich van tevoren van de inhoud van het behandelde op de hoogte te stellen, derhalve zonder dat hij de beslissing kan nemen of de zitting voor hem interessant is om bij te wonen. Volgens Van Zwieteren betekent openbaarheid in de praktijk alleen dat de rechter zegt dat de zitting openbaar is en dat de pers van de rol op de hoogte wordt gesteld. De pers is evenwel niet het publiek en zij bepleitte dan ook dat de rechtspraak aan het aspect van de openbaarheid meer invulling geeft, met name voor het publiek. Zij is daarin bijgevallen door Smits.3

1.4 Ook Verkerk en Woutering4 hebben er in 2013 op gewezen dat in Nederland de zittingen wel openbaar zijn, maar dat rechtbanken niet willen vertellen waar en wanneer zittingen plaatsvinden, terwijl toegang tot rolinformatie cruciaal is om het voor het publiek mogelijk te maken om een openbare zitting daadwerkelijk bij te (kunnen) wonen.

1.5 Voor de behandeling van de centrale vraag van dit onderzoek is mede van belang of (inter)nationale wet- en regelgeving gerechten verplicht, of juist verbiedt, om (op verzoek of uit eigen beweging, en eventueel onder nadere voorwaarden) informatie te verstrekken over lopende civiele procedures.

1.6 Op een aantal punten is ambtshalve feitelijke informatie verzameld door middel van enquêtes. Zo is de Nederlandse rechtbanken en hoven schriftelijk gevraagd hoe zij omgaan met verzoeken om informatie over aanhangige zaken, en waarop dat beleid is gebaseerd. Voor de rechtsvergelijking zijn soortgelijke vragen uitgezet in het liaison-netwerk van de Europese Commissie voor Democratie door Recht (Commissie van Venetië) van de Raad van Europa, waarvan de Hoge Raad deel uitmaakt. Via de Raad voor de Rechtspraak zijn de handleidingen bij de verschillende Roljournalen verkregen.

1.7 Deze vordering ziet op de openbaarmaking van gegevens over lopende civiele procedures, en dus niet op straf- of bestuursrechtelijke procedures. Daarnaast gaat het om de vraag of moet worden medegedeeld dat procedures aanhangig zijn tussen bepaalde partijen inclusief het zaaknummer ervan, en wanneer zittingen zijn gepland. Het gaat dus niet om de openbaarheid van andere gegevens, zoals processtukken.5

2 Aanleiding vordering

2.1

Aanleiding voor de onderhavige vordering is een uitspraak van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 27 september 2012 (hierna: de uitspraak van 27 september 2012).6 In die procedure heeft de advocaat van Holland Iris c.s. de griffier van de rechtbank verzocht om hem te berichten of bij de rechtbank één of meer procedures aanhangig waren en/of zijn waarbij de heer A partij is. De griffier heeft dit verzoek geweigerd, omdat niet sprake is van een concreet verzoek om een afschrift van een vonnis dat op een bepaalde datum is gewezen tussen met naam en toenaam aangeduide partijen (rov. 2.1).

2.2

In het tegen de weigering ingestelde verzet (op de voet van art. 28 lid 6 Rv (oud), thans art. 29 lid 6 Rv) heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat noch art. 28 Rv (oud) noch art. 838 Rv als grondslag kan dienen voor toewijzing van een dergelijk verzoek. De voorzieningenrechter overwoog daartoe het volgende:

“3.4 De voorzieningenrechter is van oordeel dat artikel 28 Rv [thans art. 29 Rv, A-G] geen ruimte biedt voor het verstrekken door de griffier van een opgave van alle procedures waarin [A] partij is en/of was. Het artikel heeft alleen betrekking op het verstrekken van afschriften van vonnissen, arresten en beschikkingen en niet op het verstrekken van een overzicht van procedures waarbij een bepaalde partij betrokken is. Het in het verzetschrift onder ii opgenomen verzoek dient derhalve, zowel voor wat betreft het primaire- als het subsidiaire verzoek, te worden afgewezen. In het verzetschrift hebben HBM cs nog aangegeven dat hun verzoek mede gegrond is op artikel 838 Rv en dat de griffier gehouden was om het bepaalde in dat artikel in zijn beoordeling te betrekken. Artikel 838 Rv heeft echter betrekking op het verstrekken van afschriften of uittreksels van akten uit openbare registers. De door HBM cs verlangde opgave van alle procedures waarin [A] partij is valt daar niet onder. Er is met betrekking tot (lopende) civiele procedures immers geen sprake van een openbaar register waaruit afschriften of uittreksels kunnen worden afgegeven. Dit leidt tot de conclusie dat het onder iv meer subsidiair verzochte ook dient te worden afgewezen.”

2.3

In 2019 heeft advocatenkantoor Taylor Wessing N.V. (hierna: Taylor Wessing) de griffier van de rechtbank Den Haag verzocht (i) haar te berichten of sprake is van een zeker beleid op de griffie dat geen informatie wordt verstrekt over procedures bij deze rechtbank aan derden (waaronder advocaten van derden) die niet zelf bij die procedures zijn betrokken en zo ja, dat beleid voor toekomstige verzoeken te herzien, en (ii) haar te berichten of inderdaad procedures aanhangig zijn tussen met name genoemde partijen en zo ja, wanneer de (openbare) zittingen in deze zaak plaatshebben en wat het zaaknummer is.7 Tegen de aanvankelijke weigering van de griffier is Taylor Wessing in verzet gegaan. Vervolgens heeft de griffier de gevraagde informatie daags voor de zitting alsnog verstrekt. De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag heeft het verzoek daarom bij beschikking van 26 november 2019 (hierna: de uitspraak van 26 november 2019) afgewezen wegens gebrek aan belang.

2.4

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft mr. Mulder (advocaat bij Taylor Wessing) zich gewend tot de Commissie cassatie in het belang der wet (hierna: de Commissie).8 De Commissie heeft overwogen dat de uitspraak van 26 november 2019 zich niet leent voor cassatie in het belang der wet, omdat die geen inhoudelijk oordeel bevat waartegen dat beroep zich zou kunnen richten. De uitspraak van 27 september 2012 leent zich daar volgens de Commissie wel voor. Volgens de Commissie is sprake van een duidelijke rechtsvraag met een zaaksoverstijgend belang, die de Hoge Raad vermoedelijk niet op andere wijze zal bereiken. De Commissie heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad daarom geadviseerd om cassatieberoep in het belang der wet in te stellen.9 Dit advies is overgenomen.

3 Plan van behandeling

3.1

In haar advies heeft de Commissie de volgende rechtsvraag geformuleerd:

“Zijn gerechten uit hoofde van art. 27, 29 en/of 838 Rv, art. 15 Besluit orde van dienst gerechten en/of (inter-)nationale wetgeving op het gebied van openbaarheid van rechtspraak verplicht om informatie over lopende procedures (in bepaalde gevallen of met bepaalde doeleinden) aan derden te verstrekken?

3.2

Deze vraag staat in deze vordering centraal. Bij het beantwoorden van die vraag behandel ik de volgende onderwerpen:

- Paragraaf 4: de huidige administratie van civiele zaken bij de Nederlandse gerechten en verschillende wijzen van inzage daarin. In dat verband komt aan de orde:(i) de rol, de rolzitting en het Roljournaal;(ii) inzage via het bestaan van openbare websites/andersoortige gegevens voor bepaalde categorieën zaken en (iii) inzage door de pers.

- Paragraaf 5: de wijze waarop gerechten omgaan met (telefonische) vragen over lopende procedures.

- Paragraaf 6-8: mogelijke grondslagen voor de verplichting om gegevens openbaar te maken. Paragraaf 6 behelst de door de voorzieningenrechter in de uitspraak van 27 september 2012 beoordeelde wettelijke grondslagen: het huidige art. 29 Rv en art. 838 Rv. In de paragrafen 7 en 8 worden twee andere grondslagen besproken, te weten het Besluit orde van dienst gerechten en het beginsel van openbaarheid.

- Paragraaf 9: het verstrekken van informatie over lopende zaken door internationale en buitenlandse gerechten.

- Paragraaf 10: de AVG in het licht van de vraag of deze Verordening een contra-indicatie vormt voor het verstrekken van informatie.

- Paragraaf 11 bevat mijn bevindingen, conclusies en aanbevelingen.

- In paragraaf 12 worden tot slot het cassatiemiddel en de vordering geformuleerd.

4. De huidige administratie van civiele zaken bij de Nederlandse gerechten en verschillende wijzen van inzage daarin

(i) Rol, rolzitting en Roljournaal

4.1

Het register waarin de gerechten de aanhangige zaken administreren, wordt aangeduid als de rol.10 De rol heeft tevens de functie van agenda: op de rol wordt onder meer bijgehouden op welke data bepaalde proceshandelingen moeten worden of zijn verricht, zoals het indienen van processtukken, wanneer een mondelinge behandeling staat gepland,11 en wanneer uitspraak wordt gedaan. De rol heeft daarmee niet alleen een interne functie, als administratie en planning voor de gerechten zelf, maar dient ook om procespartijen, hun advocaten en andere betrokkenen te informeren over wat er van hen wordt verwacht.12

4.2

Hoewel de wet uitsluitend voor dagvaardingszaken bepalingen bevat die met de rol verband houden, wordt in de praktijk ook voor verzoekschriftzaken een rol gehanteerd. Zo worden familiezaken bijgehouden op de familierol (die kan worden ingezien via het Familiejournaal)13 en worden verzoekschriftzaken die door de rechtbanken, afdelingen/teams voor handelszaken, met inbegrip van verzoekschriften gericht aan de voorzieningenrechter, worden behandeld,14 bijgehouden op de handelsrol, waarop ook dagvaardingszaken staan. Het gaat dan bijvoorbeeld om verzoeken op het terrein van het ondernemingsrecht (Boek 2 BW). De gerechtshoven hanteren een gecombineerde rol, waarop zowel dagvaardings- als verzoekschriftzaken worden bijgehouden (in te zien via het Journaal civiel gerechtshoven).15

4.3

Artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten (BODG)16 gebiedt de gerechten vóór elke openbare zitting een uittreksel van de rol beschikbaar te stellen, met daarop de zaken die tijdens de zitting zullen worden behandeld. In de praktijk wordt daaraan uitvoering gegeven doordat het uittreksel van de rol op de dag vóór de rolzitting voor eenieder ter inzage ligt bij het gerecht in kwestie. Op dat overzicht zijn alleen de zaken te zien die op de rolzitting zullen worden behandeld, en staat alleen vermeld welke proceshandeling op die rolzitting moet plaatsvinden. Uit het overzicht blijkt dus niet wanneer bijvoorbeeld een mondelinge behandeling plaatsvindt.

4.4

In het verleden vonden bij elk gerecht op vaste dagen fysieke rolzittingen plaats. Deze zittingen waren openbaar, zoals alle zittingen in beginsel openbaar zijn (art. 27 lid 1 Rv, art. 4 RO). Op deze fysieke zittingen konden proceshandelingen worden verricht, werden door een rolrechter beslissingen genomen, zoals het al dan niet verlenen van uitstel, en werd uitspraak gedaan.17 Eenieder kon dus, door de rolzitting bij te wonen, ontdekken welke zaken aanhangig waren, welke partijen daarbij waren betrokken en in welke stand de procedure zich bevond.18

4.5

Fysieke rolzittingen worden sinds najaar 200619 niet meer gehouden, behalve in kantonzaken.20 Desalniettemin wordt de term rolzitting in de praktijk nog wel gebruikt naast het begrip roldatum, om het vaste moment aan te duiden waarop de handelingen die op de rol staan vermeld moeten worden of zijn verricht.21

4.6

Het Roljournaal is een voor advocaten door middel van het internet toegankelijke weergave van de proceshandelingen van de rol van de rechtbank of het hof.22 Het Roljournaal is dus alleen toegankelijk voor advocaten, die daarin in beginsel alleen hun eigen zaken en die van hun kantoorgenoten zien. Andere zaken zijn alleen in te zien als het zaaknummer bekend is. Daarop bestaat in handels- en kantonzaken23 een uitzondering, die bedoeld is voor gevallen waarin de advocaat van de gedaagde de dagvaarding heeft ontvangen, en dus wel de partijnamen weet, maar nog niet over een zaaknummer beschikt. In dergelijke gevallen kan hij de zaak ‘observeren’, om te kunnen beslissen of hij zich in deze zaak zal stellen of niet. Onder observeren wordt verstaan dat een advocaat de voortgang van de zaak volgt, om te kunnen beslissen of hij zich daarin alsnog zal stellen (of een vordering tot voeging of tussenkomst zal instellen).24 Om dit mogelijk te maken kan de advocaat in het Roljournaal zoeken op partijnaam. Vervolgens worden enkel de zaken getoond die de afgelopen vier en komende twee weken op de rol staan.25 Op deze manier is dus beperkt inzicht mogelijk in andere dan de reeds aanhangige eigen zaken.

4.7

Bij de Hoge Raad worden de zaken geadministreerd in een digitaal systeem, dat via het webportaal ‘Mijn Zaak’ kan worden ingezien door de betrokkenen.26 Ook (de advocaten van) partijen die zijn opgeroepen, maar (nog) niet zijn verschenen, krijgen toegang tot ‘Mijn Zaak’, zodat zij de procedure kunnen observeren en desgewenst alsnog verweer kunnen voeren.27 Anderen hebben geen toegang tot de informatie in ‘Mijn Zaak’; zij zijn immers niet opgeroepen.

(ii) Bepaalde categorieën

4.8

Er zijn categorieën zaken waarvan het verloop via openbare websites voor eenieder is te volgen. Zo is op de website van de Hoge Raad een overzicht te vinden van alle aanhangige prejudiciële procedures, waarbij wordt aangegeven wat de stand van zaken is.28De Ondernemingskamer publiceert online een agenda van aankomende zittingen; daarin worden, naast het onderwerp van de zitting, ook de namen vermeld van de betrokken partijen.29Sommige rechtbanken publiceren een agenda van geplande zittingen in kortgedingzaken, inclusief het onderwerp van de zittingen.30De rechtbank Rotterdam publiceert een agenda van alle zittingen, zonder partijnamen maar met vermelding van het onderwerp van de zitting.31Verder publiceerde de Sectie Intellectuele Eigendom van de rechtbank Den Haag in het verleden een ‘pleidooirooster’ op www.rechtspraak.nl, waarin informatie was opgenomen over de data waarop pleidooien plaatsvinden in bodemprocedures in octrooizaken, met daarbij de namen van de betrokken partijen.32

4.9

Daarnaast bestaat voor digitale vorderingszaken en bepaalde bestuursrechtelijke zaken (KEI-zaken) het digitale Zaakverloopregister op de website van de Rechtspraak.33 Dat register is voor eenieder toegankelijk; er hoeft niet te worden ingelogd. Zowel het verloop van een bepaalde zaak als de uitspraken in de zaken die in dit register staan, kunnen uitsluitend worden ingezien indien men over een zaaknummer beschikt; er kan in het huidige register dus bijvoorbeeld niet op partijnaam worden gezocht. Het zaaknummer zelf kan niet uit het register worden verkregen. Om die redenen heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat plaatsing van die uitspraken in het register geen toereikende wijze van openbaarmaking van uitspraken van de bestuursrechter vormt: het register is voor anderen dan partijen en hun advocaten onvoldoende toegankelijk.34

(iii) Inzage door de pers

4.10

Voor de pers bestaat een aparte regeling. Op grond van de Persrichtlijn 2013 voorziet de afdeling communicatie van elk van de gerechten journalisten van informatie over komende en lopende rechtszaken. Komende rechtszaken staan meestal uiterlijk één week voor de zittingsdatum vermeld op zogenoemde ‘zittingslijsten’. Deze lijsten bevatten de zaken die het gerecht in die week in een openbare zitting zal behandelen. Ook de namen van de betrokken procespartijen worden daarin genoemd. Rechtszaken die op grond van de wet achter gesloten deuren worden behandeld, zoals echtscheidingen en ondertoezichtstellingen, zittingen waarop faillissementsaanvragen worden behandeld en zittingen waar belastingzaken aan de orde zijn, staan niet op deze lijsten vermeld. De gerechten stellen de zittingslijsten een week voor de zitting gratis ter beschikking aan journalisten.35 In strafzaken, voorlopige voorzieningen in bestuurszaken en in kortgedingen liggen dagvaardingen, verzoekschriften en beroepschriften uiterlijk één week voor de zitting onder embargo ter inzage voor journalisten. Hiervan zijn uitgezonderd zaken op het gebied van personen-, familie- en jeugdrecht en andere zaken die op wettelijke gronden achter gesloten deuren worden behandeld. Op alle genoemde informatie rust een embargo tot aan het moment dat de zaak in het openbaar wordt behandeld.36

Tussenconclusie

4.11

Uit het voorgaande volgt dat het in de praktijk zeer beperkt mogelijk is om, zonder over een zaaknummer te beschikken, te achterhalen of tussen bepaalde partijen een procedure aanhangig is, wat het zaaknummer is en in welke stand de procedure zich bevindt. Een advocaat die dat wil weten, zou de partijnamen regelmatig kunnen invoeren in het Roljournaal om te zien wat er binnen de getoonde (korte) periode op de rol staat. Procedures die buiten deze beperkte periode op de rol staan, blijven buiten beeld. Voor anderen dan advocaten is deze informatie sowieso niet toegankelijk.Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn, bijvoorbeeld in het geval dat een bepaalde categorie zaken bij één gerecht is geconcentreerd, dat men op de dag vóór de rolzitting bij het gerecht langsgaat om ter plekke het overzicht van de op de rolzitting te behandelen zaken te bekijken. Maar dan wordt alleen wetenschap verkregen welke proceshandelingen in deze zaken op die rolzitting worden of moeten zijn verricht. Uit het overzicht is niet af te leiden wanneer in deze zaken een mondelinge behandeling plaatsvindt. Erg efficiënt of gebruikersvriendelijk is deze methode niet.

5 Het inwinnen van informatie bij de griffies

5.1

De eenvoudigste mogelijkheid om te proberen te achterhalen of op een bepaald moment tussen bepaalde partijen procedures aanhangig zijn, is via een telefonisch verzoek aan de griffie of afdeling communicatie van de verschillende gerechten.

5.2

In de praktijk blijken sommige gerechten deze informatie niet te verstrekken, maar andere wel.37Ik heb via het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel enKanton (LOVCK) en Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel hoven (LOVC-hoven) aan de gerechten in feitelijke instantie de volgende vragen voorgelegd:

“- Verstrekt de griffie van uw gerecht op verzoek informatie over lopende civiele procedures, te weten of op een bepaald moment procedures aanhangig zijn tussen bepaalde partijen, welk zaaknummer die hebben gekregen, en wanneer daarin zittingen staan gepland?

- Op welke wet- of regelgeving is het in de vorige vraag bedoelde beleid gebaseerd?

- Zijn er bijzondere richtlijnen of protocollen over de omgang met specifieke soorten zaken, zoals familiezaken of zaken waarin vertrouwelijke bedrijfseconomische of technische informatie een rol speelt?”

5.3

Hierop hebben vier gerechten gereageerd. De antwoorden luiden (enigszins verkort en samengevat) als volgt:

- Gerechtshof ’s-Hertogenbosch: de griffie van de sector handelsrecht verstrekt uitsluitend zaaksgegevens aan een advocaat in een bij hem/haar in behandeling zijnde zaak. Een procespartij wordt naar zijn/haar advocaat verwezen voor informatie. Voor het overige verstrekt de griffie geen informatie, maar gelden de afspraken met de afdeling communicatie & voorlichting over informatievoorziening aan de pers en anderen met een wettelijk recht op informatie (zoals het OM).

- Rechtbank Amsterdam: er wordt een onderscheid gemaakt tussen procedurele informatie, (proces)stukken uit het dossier en uitspraken. Procespartijen hebben recht op procedurele informatie. Verstrekking gebeurt eventueel via de advocaat/gemachtigde. Aan derden worden zonder wettelijke grondslag geen stukken uit/informatie over procedures verstrekt. Dit geldt ook voor opsporingsinstanties en voor advocaten die niet in de procedure optreden (deze zijn geen procespartij, en dus derde). Derden hebben geen recht op procedurele informatie. Vragen over de datum van een zitting worden afgestemd met de rechter of secretaris (zitting is openbaar).

- Rechtbank Noord-Nederland: de griffies verstrekken terughoudend gegevens, dit met het oog op de privacywetgeving (AVG). In feite worden alleen gegevens verstrekt als blijkt dat de verzoeker bekend is met de zaak, bijvoorbeeld als hij een zaaknummer weet of betrokken is bij de zaak. Bij insolventiezaken of schuldsanering wordt pas informatie gegeven als de uitspraak openbaar is gemaakt. Bij betrokkenheid van minderjarigen in een procedure wordt nog terughoudender omgegaan met verzoeken om informatie. In kortgedingenzaken, waarin minderjarigen zijn betrokken, wordt alleen informatie verstrekt aan de gemachtigden van partijen. Handelszittingen zijn over het algemeen openbaar. Journalisten worden op voorhand via de afdeling communicatie op de hoogte gesteld van interessante zaken (kort geding, handels- of kantonzaken), uitgezonderd zaken waarbij minderjarigen betrokken zijn.

- Rechtbank Overijssel: de griffie verstrekt informatie aan procespartijen. Aan derden wordt enkel informatie verstrekt als ze een zaaknummer of naam van (een van) partijen vermelden. De griffie gaat niet in de eigen systemen zoeken. Algemene verzoeken worden aan het regiebureau voorgelegd, zaakspecifieke verzoeken worden voorgelegd aan de behandelend rechter.

5.4

Ook de civiele griffie van de Hoge Raad krijgt regelmatig telefonische verzoeken van derden, ook vanuit rechtbanken en hoven, bijvoorbeeld met de vraag of er in een bepaalde zaak cassatieberoep is ingesteld. In beginsel zijn om het systeem te raadplegen de partijnamen, het zaaknummer, de datum van de bestreden uitspraak en de instantie nodig. Als degene die om informatie verzoekt niet al deze gegevens heeft, wordt in het systeem gezocht op basis van de gegevens waarover die persoon op dat moment beschikt. De griffie deelt dan mee of in deze zaak cassatie is ingesteld, en ook of een verklaring is ingediend dat dit niet zal gebeuren (een non-cassatieverklaring). Bij bepaalde gevoelige zaken wordt soms aangetekend dat daarover geen informatie wordt verstrekt.

6. Mogelijke grondslagen voor het verstrekken van informatie; de door de voorzieningenrechter beoordeelde grondslagen

6.1

Zoals hierboven onder 2.2 vermeld, heeft de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 27 september 2012 het primaire verzoek van de advocaat om de griffier te gelasten alsnog opgave te doen van alle procedures waarin A partij is of was, afgewezen. Deze afwijzing gold ook voor het subsidiaire verzoek om de griffier te gelasten alsnog opgave te doen van procedures van 1 januari 2011 tot en met de datum van de uitspraak waarin A partij was of is. De voorzieningenrechter overwoog daartoe dat (het huidige) art. 29 Rv geen grondslag biedt, omdat dit artikel alleen betrekking heeft op het verstrekken van afschriften van vonnissen, arresten en beschikkingen en niet op het verstrekken van een overzicht van procedures waarbij een bepaalde partij betrokken is.

(i) Art. 29 Rv 38

6.2

Art. 29 Rv, dat in het eerste lid het algemene voorschrift van de openbaarheid van rechterlijke uitspraken verwoordt, is in 2002 als art. 28 Rv in de wet gekomen. De leden 2 tot en met 7 handelen over één van de aspecten van de openbaarheid van uitspraken, namelijk het verstrekken van afschriften van vonnissen, arresten en beschikkingen door de griffier aan een ieder die dat verlangt. Als weigeringsgrond is in lid 2 opgenomen de bescherming van zwaarwegende belangen van anderen, waaronder die van partijen. Het derde lid bepaalt dat onder vonnissen, arresten en beschikkingen stukken zijn begrepen die bij de uitspraak zijn gevoegd en dat van andere tot een procesdossier behorende stukken geen afschrift of uittreksel aan derden wordt verstrekt.

6.3

Art. 29 Rv voorziet blijkens de bewoordingen niet in een recht op het verstrekken van andere informatie en in de wetsgeschiedenis zijn geen aanwijzingen voor het tegendeel te vinden. Het oordeel van de voorzieningenrechter is dan ook onderschreven door annotator Sijmonsma39 en door Tjong Tjin Tai.40

6.4

Aan art. 29 Rv valt dus geen recht op informatie over aanhangige procedures te ontlenen.

(ii) Art. 838 Rv

6.5

De voorzieningenrechter heeft daarnaast zowel de hierboven onder 6.1 genoemde primaire en subsidiaire verzoeken, alsmede het meer subsidiaire verzoek om de griffier te bevelen om afschriften van de rol, althans de administratieve vastlegging van alle zaken over de periode vanaf 1 januari 2011 tot en met datum uitspraak te verstrekken, getoetst aan art. 838 Rv. Genoemde verzoeken zijn afgewezen op de grond dat art. 838 Rv betrekking heeft op het verstrekken van afschriften of uittreksels van akten uit openbare registers en dat bij (lopende) civiele procedures geen sprake is van een openbaar register waaruit afschriften of uittreksels kunnen worden afgegeven (rov. 3.4).

6.6

Vóór de invoering van het huidige art. 29 Rv was het recht op afschrift van rechterlijke uitspraken geregeld in het meer algemene art. 838 Rv. In een uitspraak die betrekking had op laatstgenoemd wetsvoorschrift heeft de Hoge Raad in 2001 geoordeeld dat er geen principiële bezwaren bestaan tegen het verstrekken van afschriften van alle uitspraken die in een bepaalde periode zijn gedaan, mits afdoende maatregelen zijn getroffen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen.41 Ook het huidige art. 29 Rv staat dit toe, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis.42

6.7

Art. 838 Rv luidt als volgt:

“1. “1. De griffiers en andere bewaarders van openbare registers moeten daarvan, zonder rechterlijk bevel, tegen betaling van de hun toekomende rechten, afschrift of uittreksel verstrekken aan eenieder die daarom vraagt, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en renten.

“1. 2. Het eerste lid geldt niet, voor zover artikel 29 van toepassing is.”

6.8

Het eerste lid voorziet dus in een recht op afschrift van of een uittreksel uit gegevens die in een openbaar register worden bewaard. Onder openbare registers moeten in de eerste plaats worden verstaan de registers die de wet als zodanig aanduidt, of ten aanzien waarvan de wet heeft voorgeschreven dat het publiek op een bepaalde wijze van de inhoud daarvan kan kennisnemen.43 Voor de meeste registers bestaat specifieke wetgeving die bepaalt dat zij openbaar zijn en op welke manier daaraan invulling wordt gegeven.44 Art. 838 Rv voegt daaraan niets toe, zo vermeldt de parlementaire geschiedenis.45

6.9

Art. 838 Rv creëert dus als zodanig geen recht op openbaarmaking van gegevens. Er moet een aparte wettelijke regeling zijn die een bepaald register als openbaar aanmerkt.46

6.10

Ook art. 838 Rv biedt daarom geen (zelfstandige) grondslag voor het recht op informatie over lopende civiele procedures.

7. Andere mogelijke grondslag voor het verstrekken van informatie over lopende procedures: het Besluit orde van dienst gerechten

7.1

Het Besluit orde van dienst gerechten (BODG)47, dat is gebaseerd op art. 11 Wet op de rechterlijke organisatie (RO, bevat regels over de organisatie van de gerechten. Deze regels van het BODG gelden in beginsel voor alle zaken (dus ook straf- en bestuursrechtelijke zaken), tenzij anders aangegeven.

7.2

De voorschriften over de wijze van administratie van de zaken bij de gerechten zijn opgenomen in paragraaf 5 (artikel 13 e.v.) BODG. Artikel 13 lid 1 BODG verplicht de gerechten een administratie van aanhangige zaken bij te houden, waarin de namen van partijen en, indien van toepassing, hun advocaten zijn opgenomen en waarin wordt vermeld welk zaaknummer elke zaak gekregen heeft en hoe de procedure verloopt. Genoemd artikellid luidt als volgt48:

“Artikel 13

1. Het bestuur van een gerecht draagt zorg voor een deugdelijke administratie van de bij het gerecht aanhangige zaken, met dien verstande dat deze administratie tenminste voldoet aan de volgende eisen:

a. de rol deel uitmaakt van de administratie en dat inschrijving ter rolle gebeurt door inschrijving in de administratie;

b. zaken worden ingeschreven in de volgorde waarin zij worden aangebracht;

c. elke zaak een afzonderlijk nummer wordt toegekend;

d. bij elke zaak tenminste worden vermeld de namen van de partijen en, indien van toepassing, van de advocaten of gemachtigden, en

e. bij elke zaak aantekening wordt gehouden van het verloop van de procedure en van hetgeen verder dienstig wordt geacht.”

7.3

Artikel 15 BODG49 bevat daarnaast voorschriften over de wijze waarop de op grond van artikel 13 BODG geregistreerde gegevens openbaar moeten worden gemaakt:

“Artikel 15

1. Het bestuur van een gerecht draagt er zorg voor dat tijdig voor elke openbare zitting een overzicht van de te behandelen zaken beschikbaar is, onder vermelding van:

a.de zaken die ter zitting zullen worden behandeld, en

b.de namen van de behandelende rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast.

2. Het in het eerste lid bedoelde overzicht kan ook elektronisch beschikbaar worden gesteld.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan het bestuur ter bescherming van zwaarwegende belangen van anderen, waaronder die van partijen, geen of een beperkt overzicht ter beschikking stellen.

4. Indien de zaken gereed zijn voor voordracht, gebeurt dit in de volgorde waarin zij op de rol voorkomen.

5. Indien de behandelend rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast dit noodzakelijk acht in verband met de spoedeisendheid van een zaak, kan deze zaak worden voorgedragen in afwijking van de volgorde op de rol.”50

7.4

Aan het bepaalde in artikel 15 BODG wordt in de praktijk uitvoering gegeven doordat de griffie van het gerecht vóór de rolzitting een uittreksel uit de rol maakt,51 dat ter inzage wordt gelegd.

7.5

Van belang is verder dat het derde lid uitdrukkelijk bepaalt, dat de gegevens die op de rol staan genoteerd, niet in alle gevallen bekend worden gemaakt. Dat gebeurt niet indien zwaarwegende belangen van anderen, waaronder partijen, zich daartegen verzetten. Het kan daarbij gaan om, onder meer, het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken procespartijen, of om de veiligheid van de betrokken procespartijen dan wel de behandelende rechters.52

7.6

Met het oog op inwerkingtreding van de KEI-wetgeving, waarin de rolzitting werd afgeschaft, is de tekst van artikel 15 BODG in 2016 daarop aangepast. In de Nota van Toelichting bij deze wijziging zijn enkele opmerkingen gemaakt over de toegankelijkheid van informatie over aanhangige zaken. Daaruit blijkt dat uitdrukkelijk rekening is gehouden met de mogelijkheid dat advocaten zaken willen observeren waarbij hun cliënt nog geen partij is. In de Nota van Toelichting is daarover het volgende opgenomen:53

“Met de komst van het digitale systeem van gegevensverwerking worden de te behandelen zaken ook niet meer voorgedragen op de rol en heeft het beschikbaar stellen van een als agenda fungerend overzicht van die zaken voor elke openbare zitting geen zin meer. Toch bestaat nog behoefte aan een digitaal roljournaal voor het in de praktijk gangbare observeren van zaken door advocaten van wie de cliënt (nog) geen partij is bij die zaak en dus via «Mijn Zaak» geen toegang heeft, maar die wel de procedure wil volgen. Hierbij kan worden gedacht aan een derde beslagene, die overweegt een vordering tot voeging of tussenkomst in te stellen. Artikel 15 (zie onderdeel C) wordt daarom zodanig aangepast dat het bestuur van een gerecht steeds een overzicht van de bij dat gerecht te behandelen zaken beschikbaar stelt.”

7.7

In de Nota van Toelichting wordt verder toegelicht dat het overzicht van aanhangige zaken niet op papier wordt verstrekt, maar enkel elektronisch beschikbaar zal zijn en wordt opgemerkt dat partijen die geen gebruik (kunnen) maken van de digitale weg, telefonisch bij de griffie van het gerecht de door hen gewenste informatie kunnen opvragen.

7.8

De Nota van Toelichting bevat vervolgens de volgende passage:54

“Op het overzicht van de bij een gerecht in behandeling zijnde zaken staat alleen het nummer waaronder die zaak bij het gerecht geregistreerd staat (het zaaknummer (…)) en de stand waarin de zaak zich in de procedure bevindt (…). Andere informatie, waaronder zaakinhoudelijke gegevens, kan niet uit het overzicht worden afgeleid. De stand van de procedure (…) geeft uitsluitend aan wat de volgende proceshandeling in een zaak is. Als bijvoorbeeld een advocaat voor zijn cliënt wil achterhalen of een procedure tussen twee of meer partijen aanhangig is, dan kan hij dit bij de griffie navragen. Voorstelbaar is dat hiervoor een centraal punt beschikbaar wordt gesteld. Desgewenst kunnen de gerechten er ook voor kiezen om advocaten of andere betrokkenen de mogelijkheid te geven om langs elektronische weg (bijvoorbeeld een specifieke functie binnen «Mijn Zaak» of via de automatische systeemkoppeling) navraag te doen. Met deze bepaling blijft de huidige praktijk van het observeren van (andermans) zaken gehandhaafd.”

7.9

Als gezegd ziet artikel 15 BODG-KEI erop dat na de invoering van KEI bij de gerechten steeds een elektronisch overzicht van de aanhangige zaken beschikbaar moet zijn. Bij de invoering daarvan is, zo blijkt uit het eerste citaat, overwogen dat deze informatie beschikbaar zal moeten worden gesteld middels een op het huidige Roljournaal gelijkend systeem, ten behoeve van degenen die niet via ‘Mijn Zaak’ inzicht hebben in het verloop van een procedure. Het gaat hier, gelet op het in de toelichting gegeven voorbeeld van de derde-beslagene, om een bredere categorie personen dan de beoogde procespartijen: die worden immers opgeroepen en krijgen daarna toezicht tot ‘Mijn Zaak’, waarin zij het verloop van de zaak waarin zij zijn opgeroepen kunnen zien. Het overzicht van aanhangige zaken wordt dus verstrekt ten behoeve van derden, die niet bij de zaak betrokken zijn (maar die zich eventueel wel zouden willen voegen of tussenkomen).

7.10

Ook in het tweede citaat gaat het om het observeren van zaken. In dat verband wordt opgemerkt dat het alleen ter beschikking stellen van het in artikel 15 BODG-KEI bedoelde overzicht niet altijd voldoende zal zijn, omdat hierin alleen het zaaknummer wordt weergegeven, en de volgende proceshandeling die in die zaak moet worden verricht. Er wordt uitdrukkelijk rekening gehouden met de mogelijkheid dat advocaten meer informatie willen, en bijvoorbeeld willen weten of tussen bepaalde partijen een procedure aanhangig is. Volgens de toelichting moeten zij dit bij de griffie kunnen navragen, of kan daarvoor een digitale voorziening worden getroffen. In de toelichting wordt overwogen dat hiervoor een centraal punt zou kunnen worden ingericht.

7.11

Hoewel in de hierboven geciteerde Nota van Toelichting door de Minister is verwoord dat anderen dan de (beoogde) procespartijen en hun advocaten belang kunnen hebben bij informatie over aanhangige procedures, is de context van de geciteerde passages over het doen van navraag toch vooral het handhaven van de al bestaande mogelijkheid van het observeren van zaken. M.i. biedt het BODG of de toelichting op het BODG-KEI dan ook geen uitdrukkelijke (wettelijke) basis voor het telefonisch verstrekken van informatie over aanhangige procedures in het algemeen aan derden (waaronder advocaten van derden) die niet zelf bij die procedures zijn betrokken.

8. Andere mogelijke grondslag voor het verstrekken van informatie over lopende procedures: openbaarheid als beginsel van behoorlijke rechtspleging

8.1

Openbaarheid is een beginsel van behoorlijke rechtspleging, dat zowel ziet op de behandeling ter zitting als op de uitspraak. Openbaarheid maakt de deugdelijkheid van de rechtsgang transparant en controleerbaar voor de individuele procespartijen én voor het publiek, en vormt een bescherming tegen willekeur en partijdigheid. Door openbaarheid kan wantrouwen worden weggenomen; het beginsel fungeert dan als voorwaarde voor het vertrouwen in de rechtspraak. Openbaarheid van de uitspraak heeft verder betekenis voor de rechtsvorming.55Het EHRM heeft de betekenis van openbaarheid meermalen als volgt geformuleerd:

“The Court reiterates that the public character of proceedings before the judicial bodies referred to in Article 6 § 1 protects litigants against the administration of justice in secret with no public scrutiny; it is also one of the means whereby confidence in the courts, superior and inferior, can be maintained. By rendering the administration of justice visible, publicity contributes to the achievement of the aim of Article 6 § 1, namely a fair trial, the guarantee of which is one of the fundamental principles of any democratic society, within the meaning of the Convention (…).”56

8.2

Het uitgangspunt van openbaarheid is al bijna respectievelijk meer dan twee eeuwen in de Nederlandse wet verankerd: het voorschrift van openbaarheid van de uitspraak is in 1814 in de Grondwet opgenomen; de Wet op de Rechterlijke Organisatie bevatte in 1838 in art. 20 RO het voorschrift van openbaarheid van behandeling.57

(i) Openbaarheid van zitting/behandeling 58

8.3

Het recht op een openbare zitting is neergelegd in verschillende Nederlandse wetsartikelen, namelijk in art. 121 Gw, art. 4 RO, en (voor de civiele procedure) art. 27 Rv. Deze bepalingen luiden alle drie iets anders, maar stemmen inhoudelijk overeen59:

121 Gw

“Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.”

Art. 4 RO

“1. Tenzij bij de wet anders is bepaald, zijn, op straffe van nietigheid, de zittingen openbaar.

2. Om gewichtige redenen kan het onderzoek ter zitting geheel of gedeeltelijk plaatsvinden met gesloten deuren. In het proces-verbaal van de zitting worden de redenen vermeld.

3. Indien in zaken betreffende het personen- en familierecht of waarop artikel 803 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing is de zitting geheel of gedeeltelijk openbaar is, worden in het proces-verbaal van de zitting de redenen daarvoor vermeld.”

Art. 27 Rv

“1. De zitting is openbaar. De rechter kan evenwel gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren of slechts met toelating van bepaalde personen bevelen:

a. in het belang van de openbare orde of de goede zeden,

b. in het belang van de veiligheid van de Staat,

c. indien de belangen van minderjarigen of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eisen, of

d. indien openbaarheid het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden.

2. Indien iemand op een zitting de orde verstoort, kan de rechter hem laten verwijderen.”

8.4

Het recht op een openbare zitting/behandeling is daarnaast neergelegd in art. 6 lid 1 EVRM. Dit artikellid luidt, in de oorspronkelijke Engelse tekst, als volgt:

Article 6 Right to a fair trial

“1. In the determination of his civil rights and obligations or of any criminal charge against him, everyone is entitled to a fair and public hearing within a reasonable time by an independent and impartial tribunal established by law. Judgment shall be pronounced publicly but the press and public may be excluded from all or part of the trial in the interests of morals, public order or national security in a democratic society, where the interests of juveniles or the protection of the private life of the parties so require, or to the extent strictly necessary in the opinion of the court in special circumstances where publicity would prejudice the interests of justice.”

8.5

Uit de eerste volzin blijkt dat art. 6 EVRM zowel een mondelinge behandeling (‘hearing’) als de openbaarheid daarvan (‘public’) garandeert, waarbij de openbaarheid in de eerste plaats vorm krijgt door de aanwezigheid van de pers en het publiek bij de zitting.60 Uit de tweede volzin van art. 6 lid 1 EVRM blijkt verder dat openbaarheid van de zitting uitgangspunt is, maar dat hierop uitzonderingen mogelijk zijn in de in het artikel limitatief opgesomde gevallen. Deze, en de in de Nederlandse wetgeving opgenomen, uitzonderingen komen hierna onder 8.11 e.v. aan de orde.

8.6

Dat het publiek en de pers bij de zitting aanwezig moeten kunnen zijn, impliceert dat tijdig en op adequate wijze bekend is dat een zitting plaatsvindt, en waar en wanneer die zal zijn. Dat strookt met het uitgangspunt van het EHRM, dat het EVRM rechten beoogt te bieden die “not theoretical or illusory, but practical and effective” zijn. Dat is in het bijzonder van belang met betrekking tot art. 6 lid 1 EVRM, gezien de prominente rol die het recht op een eerlijk proces speelt in een democratische samenleving, aldus het EHRM.61

8.7

In twee uitspraken, die hierna worden besproken, heeft het EHRM overwogen dat en hoe het publiek moet worden meegedeeld dat een zitting wordt gehouden. Hoewel beide uitspraken strafzaken betreffen, zijn deze ook voor civiele zaken relevant. Art. 6 lid 1 EVRM maakt wat de daarin neergelegde waarborgen betreft geen onderscheid tussen strafzaken en civiele zaken.62 Het uitgangspunt van openbaarheid van de zitting geldt in beide soorten zaken63, waarmee de uitspraken van het EHRM in strafzaken dus ook van belang zijn voor dit onderzoek.

8.8

De zaak Riepan t. Oostenrijk64betrof een zitting in een strafzaak, waarin de verdachte gedetineerd was en de zitting in de gevangenis werd gehouden. De verdachte klaagde bij het EHRM dat de zitting niet openbaar was geweest, omdat het publiek weliswaar formeel was toegelaten, maar praktisch gezien geen toegang had tot de zitting. Het EHRM overwoog vervolgens dat een zitting slechts als openbaar kan worden beschouwd als deze niet alleen wordt gehouden in een voor het publiek toegankelijke ruimte, maar ook als het publiek kan achterhalen waar en wanneer een zitting plaatsvindt (curs. A-G):

“29. Nevertheless, it must be borne in mind that the Convention is intended to guarantee not rights that are theoretical or illusory but rights that are practical and effective (see the Artico v. Italy judgment of 13 May 1980, Series A no. 37, pp. 15-16, § 33). The Court considers that a trial complies with the requirement of publicity only if the public is able to obtain information about its date and place and if this place is easily accessible to the public. In many cases these conditions will be fulfilled by the simple fact that a hearing is held in a regular courtroom large enough to accommodate spectators. (…)”65

Wanneer, zo vervolgt het EHRM, een zitting in een niet (eenvoudig) voor het publiek toegankelijke locatie zoals een gevangenis wordt gehouden, moeten aanvullende maatregelen worden genomen om te zorgen dat het publiek en de media op adequate wijze over de zitting worden geïnformeerd en ‘effectieve toegang’ krijgen. Daaraan was in de zaak Riepan niet voldaan: de zitting was weliswaar aangekondigd in een wekelijks overzicht van zittingen dat bij de rechtbank ter inzage lag en aan de media werd verstrekt, maar dat was gelet op het feit dat de zitting in de gevangenis werd gehouden niet voldoende.66 Van belang is dat niet alleen juridische, maar (juist) ook feitelijke obstakels voor het bijwonen van een zitting een schending van het beginsel van een openbare behandeling kunnen opleveren, zo benadrukt het EHRM.

8.9

In de zaak Luchaninova t. Oekraïne67had een (straf)zitting plaatsgevonden in een voor het publiek niet toegankelijke kliniek, zonder dat de zitting van tevoren was aangekondigd en zonder dat daarbij anderen dan de betrokkenen aanwezig mochten zijn. Het EHRM achtte die gang van zaken niet verenigbaar met art. 6 lid 1 EVRM:

“56. The Court observes that, although public access to the hearing at issue was not formally excluded, the circumstances in which the hearing was held constituted a clear obstacle to its public character. First, the hearing was held in a clinic with restricted access. Secondly, the trial court did not allow persons other than those participating in the proceedings to remain in or enter the room in which it was held. Thirdly, it does not appear that there was any public information about the date and place of the hearing.”

Uit deze rechtsoverweging blijkt andermaal dat, om van een openbare zitting te kunnen spreken, mede van belang is of het publiek op de hoogte is gebracht van de plaats en het tijdstip van de zitting.

8.10

In Nederland wordt, zoals hierboven aan de orde is geweest, op dit moment voor verreweg de meeste zaken nog (steeds) niet publiekelijk aangekondigd dat er zittingen zijn, ook niet geanonimiseerd.

Uitzonderingen op openbaarheid van behandeling

8.11

Op het uitgangspunt van openbaarheid van behandeling bestaan algemene uitzonderingen, die in alle soorten zaken kunnen worden toegepast (art. 4 lid 2 RO en art. 27 lid 1 Rv). De algemene uitzonderingen op het beginsel van openbaarheid in art. 27 lid 1 Rv zijn ontleend aan art. 6 lid 1 EVRM.68 Daarom zal bij de bespreking van deze uitzonderingen ook de EHRM-rechtspraak worden betrokken.

8.12

Daarnaast bestaan er specifieke uitzonderingen voor bepaalde categorieën van zaken, zoals zaken waarbij minderjarigen zijn betrokken (art. 803 Rv).69 Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat het verenigbaar is met art. 6 lid 1 EVRM om een bepaalde categorie van zaken altijd met gesloten deuren te behandelen, zo lang de rechter maar de mogelijkheid heeft om daarvan in individuele gevallen af te wijken.70

8.13

In de parlementaire geschiedenis van art. 27 Rv is nader toegelicht wanneer de uitsluitingsgronden van lid 1 zouden kunnen worden toegepast.71Met betrekking tot de openbare orde of goede zeden (art. 27 lid 1 aanhef en onder a. Rv) wordt opgemerkt dat in het concrete geval ter beoordeling van de rechter staat onder welke omstandigheden deze gronden tot beperking van de openbaarheid aanleiding geven. Vervolgens wordt als voorbeeld genoemd dat de openbare orde of goede zeden in zaken van smaad of laster, afhankelijk van de aard van de beschuldigingen, kunnen meebrengen dat getuigenverhoren niet in het openbaar plaatsvinden.

8.14

De veiligheid van de Staat (art. 27 lid 1 aanhef en onder b. Rv) kan zich volgens de toelichting onder omstandigheden verzetten tegen een openbare behandeling van zaken betreffende aankopen van defensiematerieel, waarbij militaire gegevens een rol kunnen spelen, of ook als het gaat om kwesties waarbij een inlichtingendienst is betrokken.72Ook in de rechtspraak van het EHRM is benadrukt dat het enkele feit dat in een bepaalde zaak geheime informatie een rol speelt, niet automatisch het behandelen van die zaak achter gesloten deuren rechtvaardigt: steeds zal de rechter moeten afwegen of dat nodig is met het oog op het betrokken belang, en zal hij de maatregel moeten beperken tot wat noodzakelijk is om dat belang te beschermen.73

8.15

Art. 27 lid 1 aanhef en onder c. Rv bepaalt dat de rechter gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren of slechts met toelating van bepaalde personen kan bevelen indien de belangen van minderjarigen of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eisen. Over de belangen van minderjarigen wordt in de toelichting alleen vermeld dat in zaken betreffende minderjarigen behandeling met gesloten deuren al snel aangewezen zal kunnen zijn omdat voor minderjarigen een verschijning ter terechtzitting reeds snel een zeer belastende ervaring kan zijn. Dat behandeling achter gesloten deuren in beginsel gerechtvaardigd is waar de belangen van minderjarigen aan de orde zijn, blijkt ook uit art. 6 lid 1 EVRM zelf en uit rechtspraak van het EHRM.74

8.16

Met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer van de partijen kan volgens de parlementaire geschiedenis worden gewezen op zaken waarin (gevoelige) medische gegevens of gegevens betreffende de seksuele geaardheid een rol spelen. Zoals nader in de memorie van toelichting uiteengezet, kan het ook gaan om vertrouwelijke bedrijfs- of financiële gegevens van natuurlijke personen of rechtspersonen.75 De wet voorziet reeds in dergelijke uitzonderingen zoals bijvoorbeeld in art. 4 lid 1 Faillissementswet (Fw), op grond waarvan een verzoek tot faillietverklaring achter gesloten deuren wordt behandeld.

8.17

In art. 6 lid 1 EVRM en art. 27 lid 1 Rv wordt enkel gesproken over de persoonlijke levenssfeer van partijen zelf. Het EHRM heeft echter geoordeeld dat ook met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen van het uitgangspunt van openbaarheid kan worden afgeweken, zoals bijvoorbeeld de persoonlijke levenssfeer van getuigen76 of patiënten in geval van een medische tuchtzaak.77Omgekeerd kan het belang van een openbare rechtspraak ook een rechtvaardiging vormen voor een inmenging in de persoonlijke levenssfeer, zo heeft het EHRM geoordeeld in zaken betreffende art. 8 EVRM. Wel moet dan steeds worden onderzocht of die inmenging noodzakelijk is om dat belang te beschermen, waarbij de rechter een beoordelingsmarge toekomt om deze belangen tegen elkaar af te wegen.78

8.18

In welke gevallen kan worden gesproken van een risico dat openbaarheid van de zitting het belang van de rechtspleging ernstig zou schaden (art. 27 lid 1 aanhef en onder d. Rv), is ook volgens de wetgever moeilijk concreet te maken. Een mogelijk voorbeeld, dat in de Nota naar aanleiding van het Verslag wordt genoemd, betreft de openbare behandeling van een wrakingsverzoek waarin ernstige beschuldigingen worden geuit tegen een of meer leden van de rechterlijke macht die zo weinig gesubstantieerd zijn dat daartegen niet op eenvoudige wijze verweer kan worden gevoerd.79

(ii) Openbaarheid van de uitspraak

8.19

Zoals eerder besproken, garandeert art. 6 lid 1 EVRM zowel een openbare zitting als een openbare uitspraak. Dit recht is ook verankerd in art. 121 Gw, art. 5 RO en art. 29 Rv. M.i. speelt het aspect van openbaarheid van de uitspraak een ondergeschikte rol bij de vraag of gegevens over aanhangige zaken openbaar moeten worden gemaakt. De uitspraak is immers het sluitstuk van een lopende procedure.

8.20

Wel kan bij het antwoord op de vraag op welke wijze gegevens over aanhangige zaken bekend moeten worden gemaakt, de handelwijze bij het verstrekken van een afschrift van een uitspraak op de voet van art. 29 leden 2 en 4 Rv worden betrokken alsmede de Anonimiseringsrichtlijnen van de Rechtspraak, die worden gehanteerd bij de publicatie van uitspraken.

8.21

In art. 29 lid 2 Rv is bepaald dat wanneer zwaarwegende belangen van partijen of anderen dat vereisen, het aan derden te verstrekken afschrift van een uitspraak kan worden geanonimiseerd, of dat daarvan een uittreksel kan worden verstrekt. Ook kan de griffier weigeren een afschrift te verstrekken. Het is aan de griffier om te beoordelen of hiervoor aanleiding bestaat; dat partijen zelf bezwaar hebben tegen verstrekking van een afschrift aan derden is onvoldoende reden om dat te weigeren.80 Van zaken die achter gesloten deuren zijn behandeld, wordt de uitspraak niet verstrekt (lid 4).

8.22

Alle op www.rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraken worden geanonimiseerd volgens de Anonimiseringsrichtlijnen.81 Die houden, kort gezegd, in dat in beginsel alle gegevens van natuurlijke personen worden geanonimiseerd,82 tenzij zij professioneel bij de procedure waren betrokken (bijvoorbeeld als advocaat). Daarbij gaat het om hun namen, maar ook om hun adressen, geboortedata en om andere gevoelige gegevens zoals burgerservicenummers en paspoortnummers. Deze worden vervangen door een neutrale term die de rol van de weggelaten tekst aangeeft, zoals [eiser], [gedaagde], [adres] et cetera. Andere gegevens aan de hand waarvan personen zouden kunnen worden geïdentificeerd (en die dus onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) als persoonsgegevens gelden), worden niet standaard geanonimiseerd; te denken valt aan uiterlijke kenmerken en sociale en economische kenmerken zoals beroep, inkomen en opleiding. Dat leidt er soms toe dat de betrokkenen aan de hand van die gegevens alsnog kunnen worden geïdentificeerd. Een andere benadering is echter moeilijk denkbaar zonder dat de uitspraak onbegrijpelijk wordt.83 Gegevens van rechtspersonen worden in beginsel niet geanonimiseerd, tenzij die herleidbaar zijn tot een natuurlijk persoon.

8.23

Het recht op openbaarheid van de uitspraak biedt m.i. dus geen grondslag voor een recht op informatie over aanhangige zaken, maar de keuzes die in verband met openbaarheid van de uitspraak zijn gemaakt, zijn wel informatief. Analoog aan genoemde bepalingen zou met betrekking tot het geven van informatie over lopende zaken in voorkomende gevallen geen, of slechts beperkte (geanonimiseerde) informatie kunnen worden verstrekt. Een dergelijke benadering past in de bestaande wet- en regelgeving.

9 Vergelijking met internationale en buitenlandse gerechten

10 De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)

11 Bevindingen, enkele nadere gedachten en slotsom

12 Cassatiemiddel en vordering