Home

Parket bij de Hoge Raad, 12-07-2024, ECLI:NL:PHR:2024:976, 24/02726

Parket bij de Hoge Raad, 12-07-2024, ECLI:NL:PHR:2024:976, 24/02726

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12 juli 2024
Datum publicatie
19 september 2024
Annotator
ECLI
ECLI:NL:PHR:2024:976
Formele relaties
Zaaknummer
24/02726

Inhoudsindicatie

Vordering van de procureur-generaal op grond van artikel 13a Wet RO. De vordering betreft een klacht over niet tijdig publiceren van een uitspraak in eerste aanleg in een fiscale zaak. De p-g komt tot de conclusie dat de klacht betrekking heeft op een rechterlijke beslissing en daarom in het kader van artikel 13a Wet RO niet inhoudelijk kan worden onderzocht.

Conclusie

Vordering als bedoeld in artikel 13a van de Wet op de rechterlijke organisatie

F.W. Bleichrodt

Aan de Hoge Raad der Nederlanden

Vordering dat de Hoge Raad zal overgaan tot de behandeling van de klacht van [verzoeker 1] B.V. (hierna: verzoeker 1) en [verzoeker 2] (hierna: verzoeker 2)

tegen

[de rechter],

rechter in de rechtbank Gelderland

Inhoudsopgave

1. Inleiding en strekking van de klacht

2. Feiten en het verloop van de klachtprocedure tot nu toe

3. De rechtsvragen die verband houden met de klacht

4. De redenen om geen toepassing te geven aan art. 13b lid 1 Wet RO

5. Het relevante kader ten aanzien van de openbaarheid van de uitspraak

6. Bepalingen ten aanzien van de verstrekking van een afschrift van rechterlijke uitspraken

7. Het verband met de Algemene Verordening Gegevensbescherming

8. Art. 13a Wet RO toepasselijk?

9. Bespreking van de klacht

10. Slotsom en vordering

Inleiding en strekking van de klacht

  1. Verzoeker 2 is directeur-grootaandeelhouder van verzoeker 1. Bij verzoekschrift van 25 april 2023 heeft verzoeker 2, mede namens verzoeker 1, bij mij een klacht ingediend als bedoeld in art. 13a Wet RO. De klacht ziet, voor zover relevant, op het niet publiceren van de schriftelijke uitspraak in eerste aanleg van de enkelvoudige belastingkamer van de rechtbank Gelderland tegelijkertijd of direct na de publicatie van de schriftelijke uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, in hoger beroep. De verzoekers verwijzen daarbij naar het bepaalde in art. 4 lid 2, aanhef en onder b, Besluit selectiecriteria uitsprakendatabank Rechtspraak.nl van de Raad voor de Rechtspraak, de Hoge Raad der Nederlanden, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de besturen van de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven 2012 (thans: Besluit selectiecriteria uitsprakendatabank Rechtspraak.nl 2024; hierna: Besluit selectiecriteria). De uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep is op [datum 1] gepubliceerd op rechtspraak.nl, terwijl de uitspraak in eerste aanleg is gepubliceerd op [datum 2]. De verzoekers klagen over de omstandigheid dat de uitspraak in eerste aanleg eerst (nagenoeg) vijf maanden na [datum 1], na een daartoe strekkend verzoek van verzoeker 2, is gepubliceerd.

  2. Het verzoekschrift vormt de aanleiding tot deze vordering. Met de vordering leg ik de klacht van verzoekers over het niet (tijdig) publiceren van een rechterlijke uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van de rechtbank Gelderland aan de Hoge Raad voor.

  3. Een belangrijk aspect van de openbaarheid van de rechterlijke uitspraak is de beschikbaarheid van het vonnis, het arrest, de uitspraak of de beschikking (hierna voor de leesbaarheid ook kortweg weergegeven als: uitspraak).1 Publicatie van rechterlijke uitspraken op rechtspraak.nl geeft (nadere) invulling aan de openbaarheid van rechterlijke uitspraken.2 In de vordering komen ook andere vormen van openbaarmaking aan de orde, zoals de verstrekking van afschriften van bijvoorbeeld een vonnis of arrest aan een belanghebbende. In lijn met de strekking van de klacht, zal de nadruk echter liggen op het al dan niet publiceren van rechterlijke uitspraken op rechtspraak.nl.

4. De publicatie van rechterlijke uitspraken is voorwerp van debat. Zo heeft de Venetië Commissie in een rapport uit 2021 aanbevolen in meer gevallen over te gaan tot publicatie van rechterlijke uitspraken in Nederland. In het rapport is in dit verband het volgende opgemerkt3:


“131. The Commission learned that in the Netherlands only some 5 per cent of court judgments are published. In some countries, the task of anonymising judgments takes much time and energy. Using IT tools, it might however be possible to prepare the cases from the outset in a way that they can be published in an anonymous way if the parts enabling an identification of the case are stored separately and are added in the version available to the parties only. Such a technique could enable the publication of a much higher percentage of judgments. This is especially important for enabling access to the reasoning in the judgments of the highest courts.”

5. De Rechtspraak is eind 2021 gestart met het programma ‘Meer én verantwoord publiceren’. Dit programma geeft uitvoering aan het streven om het merendeel van de rechterlijke uitspraken online te publiceren. Het doel van het programma is om er stapsgewijs voor te zorgen dat de publicatie van rechterlijke uitspraken op rechtspraak.nl het uitgangspunt wordt. Dit is een opgave voor de lange termijn die vooral afhankelijk is van slimme (data)technologie. Met het programma wordt de openbaarheid van rechtspraak voor de toekomst versterkt, terwijl publicatie blijft geschieden op een manier die rekening houdt met de belangen van alle bij rechtszaken betrokken partijen.4

6. De publicatie van rechterlijke uitspraken is ook voorwerp van debat geweest in de Tweede Kamer der Staten-Generaal. In november 2022 werd aangekondigd dat publicatie van uitspraken wettelijk zal worden verankerd.5Een dergelijke wettelijke grondslag voor de publicatie van rechterlijke uitspraken zou aansluiten bij pleidooien in de literatuur.6 Gedurende de behandeling van het voorstel tot wijziging van de Wet RO en enkele andere wetten in verband met enkele wijzigingen ‘in het belang van integere, onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak’ is getracht te bewerkstelligen een wettelijke bepaling over ‘publicatie van vonnissen’ toe te voegen aan het wetsvoorstel. De toenmalige minister voor Rechtsbescherming heeft ervan afgezien het wetsvoorstel dienovereenkomstig te wijzigen. Hij heeft betoogd dat een afzonderlijk wetsvoorstel zijn voorkeur heeft, in verband met advisering door de Afdeling advisering van de Raad van State en omdat tijd nodig is voor de uitwerking van de inhoud en het bepalen van de reikwijdte van het wetsvoorstel.7 Uit het verslag van het overleg van 28 februari 2024 tussen de toenmalige minister voor Rechtsbescherming en de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van de Tweede Kamer blijkt dat de minister verwachtte een eerste wetsvoorstel rond het zomerreces van 2024 in consultatie te brengen.8 Uit ambtshalve door mij ingewonnen informatie blijkt dat thans de verwachting bestaat dat eind 2024 een wetsvoorstel in consultatie kan worden gebracht.

7. In deze vordering staat de vraag centraal of een klacht over het niet (tijdig) publiceren van een rechterlijke uitspraak in een zaak als de onderhavige, waarin de verzoeker als procespartij is betrokken respectievelijk waarin de verzoeker niet als procespartij kan worden aangemerkt doch wel rechtens te respecteren belang heeft bij publicatie, binnen het bereik van de klachtregeling als bedoeld in de artikelen 13a tot en met 13g Wet RO valt. Voor de beantwoording van deze vraag is van belang of het (al dan niet) overgaan tot publicatie kan worden gerekend tot het rechterlijk domein. Gaat het om een gedraging van een rechter in de uitoefening van zijn functie jegens de verzoekers? In geval van bevestigende beantwoording, rijst vervolgens de vraag of sprake is van een ‘rechterlijke beslissing’ als bedoeld in art. 13a lid 1 Wet RO. Bevestigende beantwoording van de laatste vraag staat in de weg aan een inhoudelijke behandeling van de klacht. Zowel art. 13a lid 1 Wet RO (de externe klachtprocedure) als art. 26 lid 4 Wet RO (de interne klachtprocedure van (onder meer) rechtbanken) bepaalt immers dat op grond van deze artikelen niet kan worden geklaagd indien de klacht een rechterlijke beslissing betreft. In beginsel kunnen rechterlijke beslissingen enkel worden aangetast door een daartoe bij wet opengesteld rechtsmiddel aan te wenden.9Indien de wet geen rechtsmiddel openstelt, berust dat in het algemeen (kennelijk) op een weloverwogen keuze van de wetgever tussen de maatschappelijke kosten die gepaard gaan met het toekennen van een rechtsmiddel enerzijds en de in het geding zijnde belangen anderzijds. De genoemde klachtprocedures vormen dan niet een vluchtstrook die kan worden gebruikt om alsnog een rechterlijke beslissing ter toetsing voor te leggen.

Feiten en het verloop van de klachtprocedure tot nu toe

8. Op [datum 3] is door de enkelvoudige belastingkamer van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, uitspraak gedaan in een zaak tussen verzoeker 1 en de inspecteur van de belastingdienst. Dit beroep houdt verband met de uitspraak op bezwaar naar aanleiding van een naheffingsaanslag loonheffingen als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964. De uitspraak is gewezen door [de rechter] (hierna ook: de rechter). Verzoeker 1 heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van [datum 3]. Op [datum 4] is door de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, op het hoger beroep beslist.

9. Op [datum 1] is de genoemde uitspraak van het hof gepubliceerd op rechtspraak.nl. Verzoeker 2 heeft – na diverse malen contact te hebben gehad met de rechtbank en nadat de uitspraak alsnog op [datum 2] is gepubliceerd – op 6 februari 202310 een klacht ingediend bij het bestuur van de rechtbank Gelderland over het niet voldoen aan het bepaalde in art. 4 lid 2, aanhef en onder b, Besluit selectiecriteria. Volgens het bepaalde in art. 4 lid 2, aanhef en onder b, Besluit selectiecriteria wordt een uitspraak altijd gepubliceerd indien ‘binnen dezelfde rechtsgang reeds een uitspraak in eerdere of latere aanleg is gepubliceerd’.

10. De klacht van 6 februari 2023 is door verzoeker 2 als volgt omschreven:

“De uitspraak van de Rechtbank was [datum 3]. Op [datum 4] heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank vernietigd. Op 22 november 2022 heb ik per e-mail aan de rechtbank een vraag gesteld. Ik heb nog steeds geen antwoord mogen ontvangen. Ik heb nog twee keer gemaild (laatste keer 15 december 2022) en vier keer gebeld (laatste keer 2 februari 2023). Ik krijg telkens als antwoord dat de vraag bij de juridische afdeling ligt en dat ik over een week of drie nog maar weer eens contact moet opnemen als ik nog steeds niets heb ontvangen. Dat duurt nu toch wel erg lang.

Ik heb gevraagd waarom uitspraak […] ( […] ) niet op of kort na [datum 4] is gepubliceerd, terwijl de uitspraak in hoger beroep bij het Hof wel op die datum is gedaan en gepubliceerd ( […] ). Op [datum 2] is de uitspraak van de Rechtbank alsnog gepubliceerd, maar dat was op mijn eigen verzoek. Daarmee is mijn vraag niet beantwoord.

Volgens artikel 4 lid 2 onder b van het Besluit selectiecriteria uitsprakendatabank Rechtspraak.nl 2012 wordt een uitspraak altijd gepubliceerd indien binnen dezelfde rechtsgang reeds een uitspraak in eerdere of latere aanleg is gepubliceerd.”

11. Op 22 februari 2023 is namens het gerechtsbestuur als volgt op de klacht gereageerd:

“(…)

U klaagt erover dat ondanks uw diverse pogingen (via e-mail en telefonisch), nog steeds niet is gereageerd op uw vraag waarom een bepaalde uitspraak niet is gepubliceerd. Dat die uitspraak op uw verzoek inmiddels wel is gepubliceerd maakt volgens u niet dat daarmee uw vraag is beantwoord. U beroept zich bij uw vraag op artikel 4 lid 2 onder b van het besluit selectiecriteria uitsprakendatabank Rechtspraak.nl 2012.

(…)

Ik begrijp uit uw vraag dat uw gedachte is dat artikel 4 lid 2 onder b van het hiervoor genoemde besluit de rechtbank zou verplichten tot publicatie van zaken die in hoger beroep zijn behandeld. Mijn interpretatie van dat artikel is een andere. Namelijk dat er als voorwaarde staat dat binnen dezelfde rechtsgang al iets is gepubliceerd. Waarbij dat “reeds’ slaat op het moment van uitspraak in eerste lijn. Ik vermoed dat het ziet op terug verwijzingen van het gerechtshof naar eerste aanleg. Ik kan me namelijk niet goed voorstellen dat het met terugwerkende kracht voor eerste lijn is bedoeld. Maar wij zullen het intern nader laten uitzoeken.

Overigens, als artikel 4, lid 2 onder b de rechtbank hiertoe wel zou verplichten, dan is momenteel mijn standpunt dat dit niet haalbaar is zonder de voortgang van de afhandeling van zaken nog verder te vertragen. Wij hebben dus andere prioriteiten. Want helaas heeft ook deze rechtbank namelijk te kampen met forse werkachterstanden. Het grote tekort aan rechters en ondersteunende medewerkers en ook de Coronapandemie en de “vergrijzing” zijn hiervan de oorzaak.

De rechtbankorganisatie doet er dus alles aan om het tij te keren en dus zijn bepaalde keuzes niet te voorkomen. Dit is niet bedoeld als excuus maar als toelichting.”

12. Bij verzoekschrift van 25 april 2023 hebben de verzoekers zich tot mij gewend. Het verzoekschrift houdt, voor zover voor deze vordering van belang, het volgende in:

“Bij dezen vraag ik, ondergetekende, namens [verzoeker 1] B.V. als belanghebbende en namens mijzelf als medebelanghebbende, uw oordeel over de gang van zaken rondom de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van [datum 3] (bijlage 2). Het gaat, meer in het bijzonder, om schending van (…) art. 4 lid 2 onder b van het Besluit selectiecriteria uitsprakendatabank Rechtspraak.nl 2012.

(…)

De feiten

(…)

[datum 3]

(….) De uitspraak wordt niet gepubliceerd.

(…)

[datum 1]

De uitspraak van het Hof wordt gepubliceerd op Rechtbank.nl [lees: Rechtspraak.nl, P-G]. De uitspraak van de Rechtbank wordt niet gepubliceerd.

(…)

E-mail van belanghebbende aan de Rechtbank met de vraag waarom de uitspraak van de Rechtbank niet alsnog is gepubliceerd na de publicatie van de uitspraak van het Hof.

[datum 2]

De uitspraak van de Rechtbank wordt alsnog gepubliceerd na telefonisch contact van belanghebbende met de Rechtbank. De vraag van belanghebbende (vorige punt) is echter niet beantwoord.

Belanghebbende dient klacht in bij het Klachtenbureau van Rechtbank Gelderland.

(…)

Motivering

De procedure bij de rechtbank vertoont drie onregelmatigheden:

(…)

schending van artikel 4 lid 2 onder b van het Besluit selectiecriteria uitsprakendatabank Rechtspraak.nl 2012 door de Rechtbank, door de uitspraak niet tegelijk met of direct na de publicatie van de uitspraak van het Hof te publiceren. De uitspraak van de Rechtbank kreeg wel een ECLI-nummer ( […] ).

(…)

Ten aanzien van de derde onregelmatigheid (…):

Niet valt in te zien, ook niet vanuit het oogpunt van werkdruk, waarom het bezwaarlijk zou zijn een niet-gepubliceerde schriftelijke uitspraak, gedaan in eerdere aanleg, alsnog te publiceren na publicatie van de uitspraak in hoger beroep. In het onderhavige geval is de uitspraak immers alsnog gepubliceerd. Dit is echter pas vijf maanden na de publicatie van de uitspraak van het Hof gebeurd, op [datum 2], op verzoek van belanghebbende. (…)”

13. Het verzoekschrift bevat daarnaast andere klachtonderdelen. Deze klachtonderdelen worden niet aan de Hoge Raad voorgelegd en laat ik daarom in het vervolg van deze vordering buiten beschouwing. Ik concentreer mij op de klacht over het niet (tijdig) publiceren van de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank Gelderland.

14. Verzoekers motiveren het belang bij publicatie door erop te wijzen dat de staatssecretaris bij de toelichting van diens beslissing het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van [datum 4] in te trekken onder meer verwijst naar de uitspraak van de rechtbank.11

15. Bij brief van 4 oktober 2023 heb ik verzoekers bericht dat de klacht een rechtsvraag opwerpt die ook aan de orde is in een andere klachtzaak en dat ik voornemens ben deze rechtsvraag in een van die klachtzaken ter beantwoording voor te leggen aan de Hoge Raad. Bij brief van 15 april 2024 is aan verzoekers bericht dat ik het voornemen heb om de rechtsvraag in hun klachtzaak ter beantwoording voor te leggen en dat ik een vooronderzoek ben begonnen.

16. In het kader van het vooronderzoek heb ik het bestuur van de rechtbank Gelderland en de rechter bij brief van 8 mei 2024 in de gelegenheid gesteld schriftelijke inlichtingen te verstrekken en gevraagd welke beslissingen (door wie, wanneer en op basis van welke afwegingen) zijn genomen over het (al dan niet) publiceren van de uitspraak van [datum 3].

17. Bij brief van 17 mei 2024 heeft de voorzitter van het bestuur van de rechtbank Gelderland namens het bestuur en namens de rechter gereageerd. In de brief wordt onder meer het volgende opgemerkt:

“Bij de selectie van uitspraken voor publicatie op www.rechtspraak.nl vormt het Besluit selectiecriteria uitsprakendatabank Rechtspraak.nl 2012 (verder: het Besluit) het vertrekpunt. In het bijzonder artikel 5 en artikel 6 lid 1 zijn voor de rechtbank daarbij in de praktijk van belang (…)

Voor uitspraken in belastingzaken betekent dat in de praktijk dat enkelvoudige uitspraken niet worden gepubliceerd, tenzij de belastingrechter constateert dat een van de in artikel 5 genoemde omstandigheden aan de orde is.

Bij de (enkelvoudige) uitspraak in zaak […] was naar het oordeel van [de rechter] geen van de omstandigheden uit artikel 5 aan de orde. Daarom is deze in eerste instantie niet gepubliceerd.

Wanneer een uitspraak in hoger beroep over een ‘Gelderse’ zaak wordt gepubliceerd, is de praktijk dat de uitspraak in eerste aanleg op verzoek wordt gepubliceerd. Wanneer iemand verzoekt om publicatie van de uitspraak in eerste aanleg, wordt dit verzoek over het algemeen gehonoreerd, tenzij er een concrete reden is om niet op het verzoek in te gaan. Toen [verzoeker 2] om publicatie van de uitspraak in eerste aanleg vroeg, is dit gebeurd. (…)

In zijn klacht aan de rechtbank stelde [verzoeker 2] ook de vraag aan de orde of de rechtbank de uitspraak op eigen initiatief had moeten publiceren. Hij wijst daarop op artikel 4 lid 1 aanhef en sub b van het Besluit selectiecriteria uitsprakendatabank Rechtspraak.nl 2012: (…)

In de toelichting op dit artikel staat: (…)

Zoals uit de toelichting blijkt, gaat dit artikel primair over de situatie waarin een uitspraak in latere aanleg volgt nadat de uitspraak in eerste aanleg al is gepubliceerd. Zoals ik [verzoeker 2] in het antwoord op zijn klacht heb laten weten, vloeit volgens ons geen plicht voort uit het artikel om op eigen initiatief uitspraken te publiceren als de uitspraak in latere aanleg wordt gepubliceerd. Bij de ‘latere aanleg’ in dit artikel denken wij aan de situatie dat een hoger-beroepsinstantie een zaak terugverwijst naar de rechtbank.

Concreet betekent dit dus dat er na de publicatie van de uitspraak in hoger beroep niet ambtshalve een beslissing is genomen over het (al dan niet) publiceren van de uitspraak in eerste aanleg. Die beslissing heeft [de rechter] genomen nadat het verzoek om publicatie van [verzoeker 2] aan hem was voorgelegd.

(…)

Namens het bestuur en namens [de rechter],

(…)”

18. Bij brief van 22 mei 2024 heb ik de reactie van de voorzitter van het gerechtsbestuur van 17 mei 2024 aan de verzoekers toegezonden en hen in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.

In dat kader merken verzoekers bij brief van 29 mei 2024 het volgende op. Het verzoek om publicatie van de uitspraak en de publicatie zelf hebben op dezelfde dag plaatsgevonden. De klacht ziet dus niet op het uitblijven van een reactie. Verzoekers hebben, zo schrijven zij, van de behandelend medewerker niet meegekregen dat de rechter over de publicatie is geraadpleegd. Verzoekers vinden het jammer dat de rechter niet zelf heeft gereageerd.

De rechtsvragen die verband houden met de klacht

De redenen om geen toepassing te geven aan art. 13b lid 1 Wet RO

Het relevante kader ten aanzien van de openbaarheid van de uitspraak

Art. 13a Wet RO toepasselijk?

Bespreking van de klacht

Slotsom en vordering