Home

Rechtbank Noord-Nederland, 19-10-2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:4443, AWB - 21 _ 1878 tm 1881 en 1883

Rechtbank Noord-Nederland, 19-10-2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:4443, AWB - 21 _ 1878 tm 1881 en 1883

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19 oktober 2021
Datum publicatie
28 oktober 2021
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2021:4443
Formele relaties
Zaaknummer
AWB - 21 _ 1878 tm 1881 en 1883

Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak. IB/PVV 2010 tot en met 2015. Eiser heeft jaarlijks bij zijn aangifte inkomstenbelasting ook de AOW-uitkering van zijn echtgenote aangegeven. De echtgenote heeft zelf geen aangifte gedaan. Verweerder volgt steeds de aangifte zonder de fout van eiser op te merken, behalve in 2014. Verweerder stelt eiser niet op de hoogte van het feit dat en waarom de aanslag over 2014 afwijkend van de aangifte is vastgesteld. Met dagtekening 25 februari 2021 heeft verweerder eiser een brief gestuurd waarin wordt aangekondigd dat verweerder de ‘aangifte’ over 2016 gaat ‘herzien’. Er was al een definitieve aanslag opgelegd waarin opnieuw ten onrechte de AOW-uitkering van eisers echtgenote was begrepen. Naar aanleiding van deze correspondentie heeft eiser een verzoek ingediend om ambtshalve vermindering van de jaren 2010 tot en met 2015. Verweerder heeft het verzoek afgewezen, omdat het niet binnen de vijfjaarstermijn is ingediend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder had moeten onderzoeken of de termijnoverschrijding verschoonbaar was. De rechtbank is verder van oordeel dat in deze specifieke omstandigheden niet kan worden gezegd dat eiser in verzuim is geweest door zijn verzoek pas naar aanleiding van de brief van verweerder over 2016 in te dienen. Dat zou anders zijn geweest als eiser op de een of andere manier al eerder op de hoogte was van het onterecht aangeven van de AOW-uitkering van zijn echtgenote (en toen geen actie heeft ondernomen). De rechtbank merkt verder nog op dat van verschoonbaarheid in de zin van artikel 6:11 van de Awb niet alleen sprake is in typische overmachtssituaties, maar ook in gevallen waarin iemand buiten zijn schuld niet op de hoogte is van het bestaan van een bepaalde beslissing en daardoor de wettelijke termijn voor het instellen van een rechtsmiddel heeft gemist.

Uitspraak

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 21/1878 tot en met 21/1881 en 21/1883

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 oktober 2021 in de zaak tussen

en

Procesverloop

Eiser heeft op 16 maart 2021 (door verweerder ontvangen op 17 maart 2021) verweerder verzocht om ambtshalve vermindering van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2010 tot en met 2015.

Verweerder heeft dit verzoek afgewezen bij afwijzingsbeschikking met dagtekening 23 maart 2021, omdat er meer dan vijf jaren verlopen waren na elk van de kalenderjaren waarop de belastingaanslagen betrekking hadden en het verzoek niet binnen die vijfjaarstermijn is ingediend.

De beroepen zijn gericht tegen de uitspraken op bezwaar van verweerder met dagtekening 28 mei 2021 op de bezwaren van eiser tegen de afwijzingsbeschikking.

De beroepen betreffende de jaren 2010 tot en met 2015 zijn bij de rechtbank geregistreerd onder de zaaknummers 2010: 21/1878, 2011: 21/1879, 2012: 21/1880, 2013: 21/1881, 2014: 21/1882 en 2015: 21/1883.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [medewerker 1 Belastingdienst] , bijgestaan door [medewerker 2 Belastingdienst] .

Het beroep met zaaknummer 21/1882 (betreffende het jaar 2014) heeft eiser ter zitting ingetrokken.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en onmiddellijk daarna de mondelinge

uitspraak verdaagd voor de duur van 2 weken, onder aanzegging aan partijen van het tijdstip

van de uitspraak.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

-

vermindert in de zaak met zaaknummer 21/1878 (2010) de aanslag in die zin dat het belastbaar inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek wordt gesteld op € 72.243;

-

vermindert in de zaak met zaaknummer 21/1879 (2011) de aanslag in die zin dat het belastbaar inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek wordt gesteld op € 67.432;

-

vermindert in de zaak met zaaknummer 21/1880 (2012) de aanslag in die zin dat het belastbaar inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek wordt gesteld op € 64.502;

-

vermindert in de zaak met zaaknummer 21/1881 (2013) de aanslag in die zin dat het belastbaar inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek wordt gesteld op € 66.285;

-

vermindert in de zaak met zaaknummer 21/1883 (2015) de aanslag in die zin dat het belastbaar inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek wordt gesteld op € 66.626;

-

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiser te vergoeden.

Gronden

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Eiser is gehuwd en heeft voor de jaren 2010 tot en met 2015 jaarlijks aangifte gedaan voor de IB/PVV. In deze aangiftes heeft eiser ieder jaar ook de AOW-uitkering van zijn echtgenote aangegeven. Voor de jaren 2010 tot en met 2012 heeft eiser dit steeds gedaan in de vorm van één totaalbedrag ‘SVB’, ten bedrage van zijn eigen AOW-uitkering en die van zijn echtgenote samengeteld. Voor de jaren 2013 tot en met 2015 heeft eiser in zijn aangifte steeds een dubbele SVB-uitkering aangegeven. Eisers echtgenote heeft zelf geen aangifte gedaan voor de IB/PVV over de jaren 2010 tot en met 2015. De AOW-uitkering van eisers echtgenote bedroeg in de jaren 2010 tot en met 2015:

2010

7.427

2011

9.445

2012

9.552

2013

9.545

2014

9.732

2015

9.801

3. Verweerder heeft de aanslagen steeds overeenkomstig de aangiften van eiser vastgesteld, behalve voor het jaar 2014. Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2014 heeft verweerder het inkomen uit werk en woning van eiser gecorrigeerd en het bedrag van de AOW-uitkering van eisers echtgenote in mindering gebracht.

4. Over de jaren 2010 tot en met 2013 en 2015 heeft eiser dus jaarlijks ten onrechte belasting betaald over de AOW-uitkering van zijn echtgenote.

5. Met dagtekening 25 februari 2021 heeft verweerder eiser op de hoogte gebracht van het voornemen om (alsnog) af te wijken van de aangifte IB/PVV 2016, omdat eiser een te hoog bedrag aan inkomsten van de SVB heeft aangegeven. Ook hier ging het om de dubbel aangegeven AOW-uitkering (van eiser zelf en van zijn echtgenote). Met dagtekening 12 maart 2021 heeft verweerder een verminderingsbeschikking IB/PVV 2016 verstuurd.

6. Op 17 maart 2021 heeft eiser een verzoek gedaan om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV over de jaren 2010 tot en met 2015.

7. In geschil is of verweerder het verzoek van eiser terecht heeft afgewezen, omdat het niet binnen de vijfjaarstermijn is ingediend.

8. Het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV is een verzoek op basis van artikel 9.6 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Op een dergelijk verzoek is ook artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 van toepassing, waarin de voorwaarden voor ambtshalve vermindering van IB-aanslagen zijn uitgewerkt. Op de zitting heeft verweerder bevestigd dat aan alle voorwaarden van deze bepaling is voldaan, behalve aan de voorwaarde bedoeld onder letter a (de 5-jaarstermijn). Op zichzelf is tussen partijen niet in geschil dat voor alle jaren die 5-jaarstermijn is overschreden. Het verzoek van 17 maart 2021 is immers in alle gevallen buiten die termijn ingediend.

9.1.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 november 2019 overwogen dat een schriftelijk verzoek om ambtshalve vermindering als bedoeld in artikel 9.6 van de Wet IB 2001 een verzoekschrift is als bedoeld in artikel 60 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.1 Deze bepaling luidt:

Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend verzoekschrift is artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

9.2.

Artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt:

Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

10. De Hoge Raad heeft in het arrest van 29 november 2019 uit deze bepalingen afgeleid dat de inspecteur een na afloop van de 5-jaarstermijn ingediend verzoek in behandeling moet nemen als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

11. Het voorgaande betekent dat deze zaken puur gaan over de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is in de zin van artikel 6:11 van de Awb. Daarvoor is niet doorslaggevend wat eiser had kunnen of had moeten weten toen hij de aangiften indiende. In plaats daarvan gaat het om de vraag: kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest door pas op 17 maart 2021 een verzoek in te dienen over de jaren 2010 tot en met 2015? Voor de beantwoording van die vraag zijn de volgende omstandigheden van belang.

12. In 2014 is verweerder afgeweken van de aangifte en heeft verweerder bij het opleggen van de aanslag de AOW-uitkering van eisers echtgenote in mindering gebracht. Op de zitting heeft de rechtbank uitleg gekregen over hoe dat is gegaan. Kennelijk was er met betrekking tot het jaar 2014 een (onbekende) uitworpreden en is achter de schermen van de Belastingdienst de aangifte van eiser handmatig aangepast bij het verwerken ervan. Vervolgens is op het aanslagbiljet (met dagtekening 30 juni 2015) vermeld: “Deze definitieve aanslag is vastgesteld overeenkomstig uw aangifte over 2014”. De rechtbank constateert dat die bewering niet klopt, nu er juist is afgeweken van de aangifte. Verder constateert de rechtbank dat eiser nimmer op de hoogte is gesteld van de afwijking, laat staan van de redenen van de afwijking.

13. Over het jaar 2016 (hier niet in geschil) heeft verweerder op 25 februari 2021 een brief gestuurd waarin wordt aangekondigd dat verweerder de ‘aangifte’ gaat ‘herzien’. Er was al een definitieve aanslag opgelegd (dagtekening 7 december 2018) waarin opnieuw ten onrechte de AOW-uitkering van eisers echtgenote was begrepen. Met dagtekening 12 maart 2021 heeft eiser een vermindering ontvangen van die aanslag. Naar aanleiding van deze correspondentie heeft eiser een verzoek ingediend om ambtshalve vermindering van de jaren 2010 tot en met 2015.

14. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest door dat verzoek pas naar aanleiding van de brief van verweerder over 2016 in te dienen. Dat zou anders zijn geweest als eiser op de een of andere manier al eerder op de hoogte was van het onterecht aangeven van de AOW-uitkering van zijn echtgenote (en toen geen actie heeft ondernomen). Daarvan is hier geen sprake. De rechtbank neemt hierbij de volgende omstandigheden in aanmerking:

- Dat over alle jaren behalve 2014 de aangifte steeds is gevolgd zonder verdere correspondentie;

- Dat wat betreft 2014 eisers aangifte volgens het aanslagbiljet eveneens is gevolgd;

- Dat er over het jaar 2014 geen uitleg aan eiser is verstrekt in de vorm van een afwijkingsbrief of anderszins.

15. Het komt er dus op neer dat eiser jarenlang te veel heeft aangegeven zonder dat hij daarvan op de hoogte was. Met name kon hij daarvan redelijkerwijs niet op de hoogte raken toen verweerder de aanslag over 2014 oplegde. Als eiser toen wél een afwijkingsbrief had gekregen, vergelijkbaar met de afwijkingsbrief over 2016 (zie onder 5. en 13.), was hij nog op tijd geweest om zijn verzoeken om ambtshalve vermindering over de eerdere jaren in te dienen. Ook dit aspect weegt mee bij de redelijkheidstoets van artikel 6:11 van de Awb.

16.1.

In dit verband wijst de rechtbank ook op het arrest van de Hoge Raad van 18 juni 2010.2 Ook daar ging het om een geval waarin iemand ten onrechte de AOW-uitkering van zijn partner had aangegeven. De Hoge Raad merkt in dat arrest op dat de aangifte weliswaar een belangrijk hulpmiddel vormt bij de aanslagregeling, maar dat de inspecteur de daarin voorkomende gegevens behoort te vergelijken met informatie (lees: renseignementen) die hij tot zijn beschikking heeft. Deze onderzoeksplicht vloeit voort uit de eis van een zorgvuldige voorbereiding van besluiten in de zin van artikel 3:2 van de Awb. Als de normale zorgvuldigheid niet wordt betracht en de aanslag als gevolg daarvan te hoog is, is er volgens de Hoge Raad sprake van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, zelfs als de aangifte onjuist is en het opleggen van een te hoge aanslag dus mede het gevolg is van de handelwijze van de belastingplichtige.

16.2.

Hoewel het arrest van 18 juni 2010 binnen een ander wettelijk kader is gewezen, zegt het oordeel van de Hoge Raad wel iets. De Belastingdienst kan onrechtmatig handelen door een IB-aangifte met een dubbele AOW-uitkering erin klakkeloos te volgen, omdat de Belastingdienst beter moet weten. Dat geldt ook in eisers geval. Ondanks renseignementen van de SVB heeft verweerder de aangiftes van eiser niet uitgeworpen voor controle of na een uitworp niet gecontroleerd op dit punt. Dat terwijl het in één oogopslag duidelijk moet zijn geweest dat de aangiften onjuist waren, gelet op hetzij de omvang van het aangegeven bedrag, hetzij de dubbele opgave (zie 2.). Jaar in jaar uit heeft verweerder de aangifte van eiser niet gecontroleerd en automatisch afgedaan. Als verweerder de aangifte vervolgens wel een keer controleert (over 2014), wordt eiser niet behoorlijk geïnformeerd over de afwijking. De conclusie is dat de rechtbank vindt dat verweerder al eerder zelf had kunnen signaleren dat eiser misschien wel te veel had aangegeven en eiser hiervan op de hoogte had kunnen brengen. Nu dat niet is gebeurd, vindt de rechtbank het onredelijk om eiser tegen te werpen dat hij pas in 2021 in actie is gekomen en niet eerder zelf achter de fout is gekomen.

17. Verweerder heeft aangegeven dat er geen sprake is van verschoonbaarheid, omdat eiser eerder signalen heeft gehad over de oorzaak van de fout, te weten de afwijking met betrekking tot 2014 en een (vermeend) telefonisch contact in 2018 over het belastingjaar 2017. Wat betreft het signaal met betrekking tot 2014 vindt de rechtbank dat dit geen signaal was (zie onder 12.). Wat betreft het mogelijke contact tussen eiser en verweerder in 2018 over 2017 geldt dat dit onvoldoende is komen vast te staan. Sterker nog: de rechtbank weet niet eens zeker of eiser over 2017 wel of niet de AOW-uitkering van zijn echtgenote heeft aangegeven. Verder heeft eiser aangegeven dat hij niet (meer) weet of er toen contact is geweest over deze kwestie. De rechtbank vindt het ook onwaarschijnlijk dat, als eiser destijds op de hoogte zou zijn geraakt van de fout, dan niets zou hebben gedaan, gelet op de alerte reactie van eiser in 2021 naar aanleiding van de afwijkingsbrief over 2016.

18. De rechtbank merkt verder nog op dat van verschoonbaarheid in de zin van artikel 6:11 van de Awb niet alleen sprake is in typische overmachtssituaties, maar ook in gevallen waarin iemand buiten zijn schuld niet op de hoogte is van het bestaan van een bepaalde beslissing en daardoor de wettelijke termijn voor het instellen van een rechtsmiddel heeft gemist.3 De rechtbank vertaalt deze jurisprudentie van de Hoge Raad naar de situatie van eiser zo, dat het te laat indienen van het verzoek om ambtshalve vermindering is veroorzaakt doordat eiser pas in 2021 op de hoogte is geraakt van de fout. Die omstandigheid is niet toe te rekenen aan eiser (zie 16.1.). De slotsom is dat de rechtbank vindt dat er sprake is van verschoonbaarheid in de zin van artikel 6:11 van de Awb,.

19. Ook als er sprake is van verschoonbaarheid, geldt niet automatisch dat het verzoek alsnog tijdig is. Hiervoor is vereist dat eiser tijdig actie heeft ondernomen. Omdat artikel 6:11 van de Awb van overeenkomstige toepassing is, past de rechtbank ook de jurisprudentie toe die de Hoge Raad voor wat betreft de in dit kader vereiste ‘reactietijd’ heeft gewezen.4 Waar het om gaat, is dat eiser na ontdekking van de fout zo spoedig als redelijkerwijs kon worden verlangd alsnog actie heeft ondernomen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat er in ieder geval een termijn van twee weken wordt gegund en uit de wetsgeschiedenis van de Awb volgt dat er minimaal 2 á 3 weken de tijd is.5

20. De rechtbank stelt vast dat de brief van verweerder over de afwijking van de aangifte voor het jaar 2016 is gedagtekend op 25 februari 2021. Daarin staat dat eiser binnenkort een aanslagbiljet zal ontvangen en dat hij na ontvangst van het aanslagbiljet een bezwaarschrift kan indienen. Het biljet (de vermindering) heeft als dagtekening 12 maart 2021. Vervolgens heeft eiser met dagtekening 16 maart 2021 (door verweerder ontvangen op 17 maart 2021) de verzoeken ambtshalve vermindering ingediend waarbij hij heeft opgemerkt dat hij de afgelopen week de vermindering over 2016 heeft ontvangen. Volgens de rechtbank is eiser daarmee op tijd, want hij heeft binnen 5 dagen na dagtekening van het biljet de verzoeken ingediend en dat is zo spoedig als redelijkerwijs kan worden verlangd.

21. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gericht tegen de uitspraken op bezwaar gegrond verklaard. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat het belastbaar inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de giftenaftrek moet worden verlaagd met de AOW-uitkering van eisers echtgenote.

22. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond heeft verklaard, heeft de rechtbank bepaald dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank heeft geconstateerd dat 6 maal griffierecht is geheven, maar omdat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van samenhang is door de rechtbank opdracht gegeven om 5 maal het griffierecht terug te storten. Dat betekent dat per saldo alleen in de zaak 21/1878 griffierecht is betaald.

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Eiser heeft te kennen gegeven dat hij geen proceskosten heeft.

24. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Deze uitspraak is op 19 oktober 2021 gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt. De beslissing is op voormelde datum in het openbaar uitgesproken, evenals de rechtsmiddelenverwijzing.

w.g. griffier w.g. rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel