Home

Rechtbank 's-Gravenhage, 22-05-2012, BX4246, AWB 10/3457

Rechtbank 's-Gravenhage, 22-05-2012, BX4246, AWB 10/3457

Gegevens

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22 mei 2012
Datum publicatie
10 augustus 2012
ECLI
ECLI:NL:RBSGR:2012:BX4246
Formele relaties
Zaaknummer
AWB 10/3457

Inhoudsindicatie

IB 2001, 2002 en 2003. De douane heeft een opslagbox onderzocht en daarin administratie en een groot bedrag in contanten aangetroffen. Eiser blijkt de huurder van de opslagbox. Vervolgens heeft de FIOD-ECD twee door eiser gehuurde bedrijfsruimten onderzocht en daarin hennepkwekerijen aangetroffen. Verweerder heeft aan eiser correcties opgelegd voor de resultaten uit de hennepkwekerijen. Eiser stelt dat, nu de douane niet bevoegd was de opslagbox te doorzoeken, de daarin aangetroffen administratie en contanten onrechtmatig verkregen bewijs vormen en dat het gebruik daarvan voor de belastingheffing zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht (vgl. HR 1 juli 1992, BNB 1992/306). De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Eiser was ingevolge art. 47 AWR verplicht informatie te verschaffen over de in de opslagbox aangetroffen administratie en contanten. Derhalve mocht verweerder het daaraan ontleende bewijs gebruiken voor de belastingheffing. De beroepen zijn ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/3457

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 mei 2012 in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiser

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag (aanslagnummer [a]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 203.900 (hierna: de aanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft verweerder een verzuimboete van € 340 (hierna: de boetebeschikking) opgelegd en heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 8.553 (hierna: de beschikking heffingsrente).

Eiser heeft bij brief van 24 februari 2006 bezwaar gemaakt tegen de aanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente. Verweerder heeft bij uitspraak op van 23 april 2010 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft daartegen bij brief van 18 mei 2010, ontvangen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij schrijven van 8 december 2010 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2011. Namens eiser is verschenen de gemachtigde, vergezeld door [B], juridisch stagair. Namens verweerder is verschenen [C]. Ter zitting is deze zaak gezamenlijk behandeld met de zaken AWB 10/3454 (2001) en AWB 10/2898 (2002). Hetgeen in die zaken is aangevoerd en overgelegd wordt geacht eveneens in deze zaak te zijn aangevoerd en overgelegd.

Overwegingen

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1. Eiser heeft, ook nadat hij door verweerder was uitgenodigd en aangemaand, geen aangifte IB/PVV gedaan.

2. De Douane heeft op 28 februari 2003, opslagboxen van de [D] te [E] (hierna: het opslagbedrijf) onderzocht. Een van de boxen was bij eiser in gebruik. Uit de administratie van het opslagbedrijf bleek niet welke box aan eiser was verhuurd. De Douane heeft de opslagbox van eiser, zonder dat eiser daarvan wist, geopend. In de opslagbox heeft de Douane dozen met administratie en een bedrag van € 216.900 in contanten aangetroffen. Op dezelfde dag is eiser gehoord waarbij hij verklaarde dat hij het geld verdiend had met het zwart leggen van houten vloeren. Vervolgens heeft de FIOD-ECD een opsporingsonderzoek (hierna: het strafrechtelijke onderzoek) ingesteld; daarbij zijn de in de opslagbox aangetroffen administratie en het geldbedrag in beslag genomen.

3. In het kader van het strafrechtelijke onderzoek is eiser geobserveerd en heeft de FIOD-ECD op 3 juli 2003 de door eiser gehuurde bedrijfsruimten aan de [a-straat 1] te [F] en aan de [b-straat 1] te [G] doorzocht. Daar zijn hennepkwekerijen aangetroffen. Eiser huurde de bedrijfsruimte in [F] sinds 1 september 2002 en de bedrijfsruimte in [G] sinds 23 april 2001.

4. In het rapport van 27 augustus 2003 heeft de FIOD/ECD het totale wederrechtelijk verkregen voordeel uit de twee hennepkwekerijen van de aanvang van de huurovereenkomsten tot aan de ontmanteling op 3 juli 2003 berekend op € 1.016.317. Daarbij is de volgende opbrengst per oogst berekend:

"[a-straat 1] [F]

Op de locatie aan de [a-straat 1] te [F] zijn op 3 juli 2003 1885 hennepplanten aangetroffen.

Opbrengst per oogst in kilogrammen:1885 × 18 gram = 33,930 kilo

Opbrengst per oogst in geld: 33,930 × € 2268 = € 76.953

[b-straat 1] [G]

Op de locatie aan de [b-straat 1] te [G] zijn op 3 juli 2003 2236 hennepplanten aangetroffen.

Opbrengst per oogst in kilogrammen: 2236 × 18 gram = 40,248 kilo

Opbrengst per oogst in geld: 40,248 × € 2268 = € 91.282

Opmerking: Bovengenoemde opbrengsten zijn gebaseerd op 2 oogsten per periode van 10 weken teeltcyclus. Zoals reeds beschreven was verdachte op beide lokaties in staat om twee oogsten van ongeveer 1000 planten te oogsten per periode van 10 weken vanwege het gefaseerde kweken van de hennep. (1000 planten stek/ 1000 planten volgroeide hennep"

[...]

"[a-straat 1] [F]

[...]

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel bij 1 oogst

Totale verkoopinkomsten € 76.953

Totale aftrekbare kosten € 8.906

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel € 68.047

[...]

[b-straat 1] [G]

[...]

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel bij 1 oogst

Totale verkoopinkomsten € 91.282

Totale aftrekbare kosten € 8.601

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel € 82.681"

5. De officier van justitie heeft in zijn brief van 7 februari 2006 aan de raadsman van eiser het volgende bericht:

"[Eiser] is gedagvaard ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Rotterdam op 17 augustus 2005. Het onderzoek is door de rechtbank voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage in een soortgelijke zaak. Het Gerechtshof heeft bij beslissing van 21 november jl. arrest gewezen in deze zaak (parketnummer 22-007568-04 (parketnummer 1e aanleg 10/150226-03)). [...] Het hof concludeert [...] dat nu de opslagruimten niet vallen onder artikel 12, onder c, Douanewet, noch zijn aan te merken als een van de overige in artikel 12 Douanewet opgesomde plaatsen die aan onderzoek door de inspecteur zijn onderworpen dat er voor de doorzoeking van de opslagruimten geen bevoegdheid op grond van de controle op de naleving van de douanevoorschriften bestond. Voor een rechtmatige doorzoeking dient er een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit te bestaan. De verdenking in de betreffende strafzaak is eerst ontstaan nadat douanebeambten zich toegang hadden verschaft tot de opslagruimten van onder meer [het opslagbedrijf]. Derhalve, zo stelt het hof, is er van een rechtmatige doorzoeking geen sprake. Doordat de doorzoeking heeft plaatsgevonden door ambtenaren van de douane die daartoe niet bevoegd waren heeft er in het voorbereidend onderzoek een onherstelbaar vormverzuim plaatsgevonden. Het bewijsmateriaal dat is verkregen is rechtstreeks door dit vormverzuim verkregen. Het hof stelt dat dit bewijs niet mag bijdragen aan het bewijs voor het ten laste gelegde. Omdat er geen ander bewijsmateriaal is wordt verdachte vrijgesproken.

[...]

Wel zijn er aanwijzingen aangetroffen waaruit naar voren kwam dat [eiser] betrokken is geweest bij hennepkwekerijen. Voorts bleek uit de aangetroffen administratie dat [eiser] tenminste 5 panden had gehuurd of huurde. Deze informatie is kennelijk de basis geweest om een bevel stelselmatige observatie af te geven. Daaruit is naar voren gekomen dat [eiser] een tweetal panden heeft bezocht. Bij het passeren van een observant werd er bij [eiser] een penetrante hennepgeur waargenomen. Daarop rees de verdenking, zo blijkt uit het proces-verbaal, dat [eiser] zich bezig hield met het kweken van hennep en is er in beide panden, te weten aan de [a-straat 1] te [F] en aan de [b-straat 1] te [G] binnengetreden.

[...]

Ik stel vast dat ook in de strafzaak tegen uw cliënt er op grond van artikel 12 Douanewet een onderzoek is ingesteld bij [het opslagbedrijf]. Daarvoor bestond echter geen bevoegdheid.

[...]

Dit heeft tot gevolg dat de uit de doorzoeking verkregen informatie onrechtmatig is en niet mag bijdragen aan het bewijs en de verdere verdenking tegen [eiser]. Omdat de voortzetting van het onderzoek en de ingezette dwangmiddelen louter en alleen hun grondslag hebben in deze onrechtmatig verkregen informatie raakt dit ook het op grond daarvan verkregen bewijs. Zonder deze verkregen informatie was eer geen vervolgonderzoek geweest en was er geen bevel observatie afgegeven. Nu de doorzoeking als onrechtmatig moet worden beschoud moet ook alle daaruit voortkomende kennis en onderzoeksgegevens buiten beschouwing worden gelaten. Deze zijn immers als uitvloeisel van onrechtmatigheid ook als onrechtmatig te beschouwing.

Omdat er ook overigens geen bewijs voorhanden is dient verdachte van het aan hem ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken, reden waarom het openbaar ministerie aanstonds bij hervatting van het onderzoek ter terechtzitting tot vrijspraak zal requireren."

6. In haar vonnis van 7 maart 2006 heeft de rechtbank Rotterdam eiser vrijgesproken van het tenlastegelegde.

7. De aanslag is ambtshalve vastgesteld. In zijn brief van 20 april 2006 heeft verweerder desgevraagd de aanslag als volgt gemotiveerd:

"Op 3 juli 2003 zijn twee hennepkwekerijen ontmanteld en bent u door de FIOD/ECD meerdere malen verhoord. Uit deze verhoren valt op te maken dat u zich gedurende de jaren 2001 tot en met 2003 heeft bezig gehouden met het kweken en verkopen van hennep. Op basis van dit gegeven is u een ambtshalve aanslag opgelegd waarbij uw inkomsten uit de handel in hennep in 2003 zijn vastgesteld op € 200.000."

9. In zijn uitspraak op bezwaar heeft verweerder de correctie nader toegelicht:

"In het verzamelinkomen is een correctie begrepen van € 200.000 wegens niet aangegeven inkomsten uit het kweken en verkopen van hennep. De inspecteur heeft de correctie gebaseerd op informatie die hij heeft gekregen van de officier van justitie naar aanleiding van een door de FIOD-ECD ingesteld strafrechtelijk onderzoek. De correctie voor het jaar 2003 berust op een schatting. (...) In het geval aangesloten wordt bij de nadeelberekening als gevolg van de hennepteelt, bedraagt de correctie zelfs € 325.749."

Geschil

10. In geschil is:

- of verweerder bij het opleggen van de aanslag gebruik mocht maken van het onrechtmatig verkregen bewijs;

- of belastingheffing in vervolg op een strafrechtelijk onderzoek verenigbaar is met het beginsel van una via;

- of verweerder terecht de omkering en verzwaring van de bewijslast heeft toegepast;

- of de aanslag is gebaseerd op een redelijke schatting.

11. Eiser beantwoordt de in geschil zijnde vragen ontkennende en voert daartoe -samengevat - het volgende aan. Verweerder mocht de navorderingsaanslag niet baseren op de onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen. Dit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Belastingheffing na strafrechtelijke vervolging is in strijd met het una via beginsel omdat in het kader van een strafrechtelijke vervolging het wederrechtelijk verkregen voordeel al wordt ontnomen op basis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Dit volgt ook uit de besluiten van de staatssecretaris van Financiën van 1 december 1997 (AFZ1997/2041) en 31 oktober 2001 (DGB2001/602M). Voor omkering en verzwaring van de bewijslast is geen aanleiding. Van een redelijke schatting is geen sprake omdat verweerder de aanslag niet heeft gemotiveerd.

12. Verweerder beantwoordt de in geschil zijnde vragen bevestigend. Hij heeft de standpunten van eiser gemotiveerd weersproken.

Beoordeling van het geschil

Onrechtmatig verkregen bewijs

13. In zijn arrest van 1 juli 1992 (nr. 26.331, BNB 1992/306) heeft de Hoge Raad aangaande het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs voor de heffing van belastingen het volgende overwogen.

"3.2.5. Met betrekking tot bewijsmiddelen waarvan de inspecteur, ook indien de onrechtmatige handelingen van de vervolgende instanties niet hadden plaatsgevonden, zonder wettelijke belemmering kennis had kunnen nemen, kan in het algemeen van strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet worden gesproken, zo de inspecteur van deze bewijsmiddelen gebruik maakt.

Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat ingevolge de artikelen 47 en volgende van de Algemene wet inzake rijksbelastingen belastingplichtigen en, voor zover zij binnen het Rijk een bedrijf of beroep uitoefenen, derden verplicht zijn om desgevorderd aan de inspecteur gegevens en inlichtingen te verschaffen dan wel boeken en andere bescheiden ter inzage te verstrekken.

Gebruik van vorenbedoelde bewijsmiddelen door de inspecteur is slechts dan niet toegestaan, indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht."

14. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bewijsmiddelen niet op een wijze verkregen die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijke overheid mag worden verwacht, dat zij voor de heffing van belastingen niet mogen worden gebruikt. Daaraan doet niet af dat de bewijsmiddelen zijn verkregen door of naar aanleiding van een onderzoek van douane-ambtenaren dat, naar volgt uit de onder 5. aangehaalde brief van de Officier van Justitie, niet berustte op een wettelijke bevoegdheid. Eiser zou immers ingevolge artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) desgevraagd aan verweerder informatie hebben moeten verschaffen over de in de opslagbox aangetroffen administratie en contanten. Gelet hierop was het instellen van een nader onderzoek door verweerder naar aanleiding van hetgeen door de Douane in de opslagbox van eiser is aangetroffen naar het oordeel van de rechtbank niet ontoelaatbaar. Verweerder mocht het later aan de in beslaggenomen administratie en contanten ontleende bewijs gebruiken voor de vaststelling van de navorderingsaanslag.

Una via

15. Ingevolge artikel 67o van de AWR (tekst 2003) vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete indien ter zake van het beboetbare feit tegen de belastingplichtige een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen ingvolge artikel 76 AWR of artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht. In artikel 69a van de AWR is, voor zover hier van belang, bepaald dat het recht tot strafvervolging met betrekking tot een vergrijp als bedoeld in artikel 67e van de AWR indien de inspecteur voor dat vergrijp al een boete heeft opgelegd. Tezamen bewerkstelligen deze bepalingen dat voor hetzelfde feit(encomplex) niet zowel een strafvervolging kan worden ingesteld als een vergrijpboete kan worden opgelegd (hierna: het una via beginsel) Nu aan eiser bij het vaststellen van de navorderingsaanslag geen vergrijpboete is opgelegd, faalt eisers beroep op het una via beginsel. Voor het geval dat eiser heeft beoogd te stellen dat het una via beginsel aan het opleggen van de navorderingsaanslag en het geven van de beschikking heffingsrente in de weg stond, overweegt de rechtbank dat het una via beginsel zich niet uitstrekt tot de samenloop van het instellen van een strafvervolging met het heffen van belasting en het in rekening brengen van heffingsrente.

Omkering en verzwaring van de bewijslast

16. Verweerder heeft zich al in de bezwaarfase op het standpunt gesteld dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met hetgeen hij in dit verband heeft aangevoerd, onder meer aan de hand van het rapport van de FIOD-ECD van 27 augustus 2003, aannemelijk gemaakt dat eiser met de kweek en verkoop van hennep voordelen heeft behaald die het door eiser aangegeven inkomen (zie onder 1.) verre overtreffen. Deze voordelen heeft eiser niet in zijn aangifte vermeld. Hieraan verbindt de rechtbank de gevolgtrekking dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Aan het niet-doen van de vereiste aangifte verbindt artikel 26, lid 6, van de AWR (tekst 2003) het gevolg dat bij de uitspraak op het bezwaarschrift de belastingaanslag wordt gehandhaafd tenzij gebleken is dat en in hoeverre de belastingaanslag onjuist is. Gelet op deze bepaling heeft verweerder bij het doen van de uitspraak op bezwaar de bewijslast terecht omgekeerd en verzwaard. Voorts dient, als de vereiste aangifte niet is gedaan, de rechtbank ingevolge artikel 27e, aanhef, onderdeel a en slot, van de AWR eveneens tot omkering en verzwaring van de bewijslast over te gaan.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken, dat verweerder het belastbare inkomen uit werk en woning tot een te hoog bedrag in aanmerking heeft genomen. Dit laat evenwel onverlet dat de aanslag moet zijn berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning dat berust op een redelijke schatting.

Redelijke schatting

18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de door hem gegeven onderbouwing aannemelijk gemaakt dat de aanslag berust op een redelijke schatting van het inkomen van eiser. De winst uit de hennepteelt is door verweerder geschat op f 268.444 (€ 121.815, zie 4.). Deze schatting heeft verweerder met de onder 4. opgenomen nadeelberekening nader gemotiveerd. Daarnaast staat vast dat eiser loon uit vroegere dienstbetrekking heeft genoten. Mede gelet op het feit dat op 28 februari 2003 in de opslagbox € 216.900 in contanten is aangetroffen, mocht verweerder naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs ervan uitgaan dat eiser in 2001 in totaal ruim € 300.000 aan inkomsten heeft genoten.

Verzuimboete

19. Omdat eiser voor het jaar 2003 geen aangifte heeft gedaan, heeft verweerder aan eiser op grond van artikel 67a van de Awr een verzuimboete opgelegd naar een tweede verzuim. Ingevolge artikel 26a, tweede lid, van de Awr, in samenhang gelezen met artikel 24a, tweede lid, van de Awr, wordt het beroepschrift, indien de bedragen van een belastingaanslag en van een boetebeschikking op één aanslagbiljet zijn vermeld, geacht mede te zijn gericht tegen de boete, tenzij uit het beroepschrift het tegendeel blijkt.

20. Eiser heeft geen gronden tegen de verzuimboete aangevoerd, doch heeft evenmin verklaard dat hij de verzuimboete niet bestrijdt.

21. Nu vaststaat dat eiser, hoewel verweerder hem daartoe heeft uitgenodigd en aangemaand, geen aangifte heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat de verzuimboete terecht is opgelegd. Het bedrag van de boete acht de rechtbank passend en geboden.

Slotsom

22. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Proceskosten

23. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. R.C.H.M. Lips en mr. J.M. van Kempen, rechters, in aanwezigheid van mr. C.J.M. Reniers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.