Kansspelbelasting is geen verboden heffing als bedoeld in de BTW-richtlijn

Kansspelbelasting is geen verboden heffing als bedoeld in de BTW-richtlijn

Gegevens

Nummer
2025/580
Publicatiedatum
1 april 2025
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:4633
Rubriek
Overige heffingen
Relevante informatie

Belanghebbende verhuurt kansspelautomaten. De huurders, gelieerde vennootschappen, exploiteren deze automaten. Belanghebbende beschikt over een vergunning tot de exploitatie van kansspelautomaten en is belastingplichtig voor de kansspelbelasting. Partijen houdt verdeeld of de kansspelbelasting een verboden heffing is als bedoeld in art. 401 BTW-richtlijn, of de kansspelbelasting in strijd is met het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het (Unierechtelijke) gelijkheidsbeginsel en of sprake is van verboden staatssteun.

De rechtbank stelt vast dat lidstaten op grond van art. 401 BTW-richtlijn geen belastingen mogen invoeren die het karakter van een omzetbelasting bezitten. Voor de omzetbelasting geldt dat deze van toepassing is op transacties betreffende goederen of diensten, dat het bedrag evenredig is aan de prijs die wordt ontvangen, dat deze wordt geheven in elke fase van het productie- en distributieproces en dat de belastingplichtige eerdere bedragen kan aftrekken van de verschuldigde belasting zodat de last uiteindelijk op de consument drukt. Nu de kansspelbelasting deze kenmerken niet heeft is geen sprake van een verboden heffing zoals bedoeld in art. 401 BTW-richtlijn.

Ook oordeelt de rechtbank dat de wetgever een welbewust onderscheid heeft gemaakt tussen kansspelautomaten en kermisautomaten en verwijst naar de memorie van toelichting op het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de kansspelen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van omstandigheden waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden. De kansspelbelasting is niet in strijd met art. 1 EP EVRM en ook heeft belanghebbende overigens niet aannemelijk gemaakt dat voor haar sprake is van een individuele en buitensporige last. Er is dus geen reden om de WKB buiten toepassing te laten wegens strijd met algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht.

De klacht van belanghebbende dat de heffing van kansspelbelasting in strijd komt met het Unierechtelijk gelijkheidsbeginsel treft ook geen doel nu de WKB geen uitvoering van een Unierechtelijke verplichting vormt waardoor de regeling niet binnen het toepassingsbereik van het Unierecht valt.

De stelling dat sprake is van een vorm van verboden staatssteun voor bijvoorbeeld exploitanten van kermisautomaten kan belanghebbende ook niet baten. Ook als dat zo zou zijn moet belanghebbende de kansspelbelasting betalen.

(Beroep ongegrond.)