A-G Ettema concludeert over gebruik van statistische waarden voor bepaling douanewaarde
A-G Ettema concludeert over gebruik van statistische waarden voor bepaling douanewaarde
Gegevens
- Nummer
- 2025/604
- Publicatiedatum
- 4 april 2025
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Douane
- Relevante informatie
In deze zaak staan de vragen centraal of de inspecteur de transactiewaarde als grondslag voor de douanewaarde van een product met gebruik van een fair price list (FPL) kan verwerpen en de douanewaarde vervolgens zelf kan vaststellen aan de hand van die FPL. Een FPL is een lijst met gemiddelde waarden per GN-onderverdeling, gebaseerd op historische invoertransacties.
De inspecteur twijfelt in dit geval of de waarde die belanghebbende heeft opgegeven ter zake van het in het vrije verkeer brengen van (hoofdzakelijk) zendingen textiel overeenkomt met de totale betaalde of te betalen prijs voor die producten (transactiewaarde), omdat deze telkens meer dan 50% lager is dan de gemiddelde prijs uit een FPL. Volgens de inspecteur is deze twijfel niet weggenomen door aanvullende informatie die belanghebbende heeft verstrekt. Hij heeft om die reden de aangegeven transactiewaarde verworpen. Vervolgens heeft hij utb’s opgelegd en de douanewaarde telkens vastgesteld op het gemiddelde van de FPL.
Hof Amsterdam (18 januari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:267, ) heeft de visie van de inspecteur onderschreven maar heeft aanleiding gezien voor een afslag van 40% van de waarde, in verband met onder meer de kwaliteit van de ingevoerde goederen.
Belanghebbende voert in cassatie aan dat het niet mogelijk is de transactiewaarde te verwerpen louter op basis van statistische gegevens in een FPL. Vervolgens is het volgens haar evenmin mogelijk de douanewaarde vast te stellen aan de hand van deze gegevens, omdat de FPL bedoeld noch geschikt is voor het vaststellen van de douanewaarde. Voorts bedient de inspecteur zich met het gebruik van een FPL in wezen van een verboden ‘willekeurige of fictieve waarde’ dan wel een ‘minimumwaarde’.
A-G Ettema heeft deze zaak voor conclusie geselecteerd om te onderzoek of en, zo ja, in hoeverre de in de onderwerpelijke zaak gehanteerde statistische methode overeenkomt met twee bij het HvJ aanhangige zaken en of in deze zaak dezelfde vragen over de juiste toepassing van het Unierecht rijzen als in die zaken.
De A-G komt tot de slotsom dat het hof met juistheid heeft geoordeeld dat de inspecteur de transactiewaarde kon verwerpen op basis van de gegevens in de FPL. Het oordeel van het hof dat de onderschrijdingen van meer dan 50% van de statistische gemiddelden uit de FPL ruim voldoende zijn om gegronde twijfel bij de inspecteur te rechtvaardigen, houdt haars inziens in cassatie stand. Daarbij heeft het hof de bewijslast niet onjuist verdeeld. Twee van de vier cassatiemiddelen falen daarom.
Dat brengt mee dat wordt toegekomen aan de twee overige cassatiemiddelen. Wat die middelen betreft is er volgens de A-G redelijkerwijs ruimte voor twijfel over de vraag of de FPL-methode een ‘andere passende methode’ is in de zin van art. 144 lid 2 UDWU. Uit jurisprudentie van het HvJ volgt niet eenduidig of deze methode is toegestaan. Uit de wettelijke bepalingen betreffende de fall-backmethode volgt evenmin een eenduidig antwoord. Ook kan redelijkerwijs worden betwijfeld of het gebruik van de FPL-methode in wezen leidt tot de vaststelling van een minimumdouanewaarde in de zin van art. 144 lid 2 onderdeel f UDWU.
Inmiddels zijn er zaken aanhangig bij het HvJ over het gebruik van statistische waarden voor het bepalen van de douanewaarde. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging belanghebbende te volgen in haar verzoek de behandeling van het geding te schorsen en de beantwoording van de prejudiciële vragen af te wachten.