Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20-08-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335, 22/2333

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20-08-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335, 22/2333

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20 augustus 2024
Datum publicatie
23 augustus 2024
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2024:5335
Formele relaties
Zaaknummer
22/2333
Relevante informatie
Art. 9 BPM, Art. 10 BPM, Art. 19a BPM, Art. 8:118 Awb

Inhoudsindicatie

BPM. Vermindering (afschrijving). Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 22/2333

uitspraakdatum: 20 augustus 2024

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

en het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 27 oktober 2022, nummer AWB 21/2759, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 3.954.

1.2.

Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dit beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot € 3.784 en vergoedingen voor proceskosten en griffierecht toegekend van respectievelijk € 2.056 en € 181.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op 24 november 2022 hoger beroep ingesteld.

1.5.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op 26 april 2023 incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.7.

Belanghebbende heeft op 16 mei 2023 schriftelijk daarop gereageerd.

1.8.

De Inspecteur heeft op 15 juli 2024 een nader stuk ingediend.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2024. Namens belanghebbende is [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn [naam2] en [naam3] verschenen.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 4 april 2019 voor een VW Golf 2.0 TSI R 4Motion (hierna: de auto) op aangifte een bedrag van € 735 aan BPM voldaan.

2.2.

De Inspecteur heeft een ‘Onderzoek waardebepaling’ door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: de DRZ) laten doen. Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt. Daarin is onder meer opgemerkt dat de auto volledig is hersteld van eerdere schade. De afschrijving is berekend aan de hand van de handelsinkoopwaarde op basis van de koerslijst XRAY marge ten bedrage van € 25.968. De Inspecteur heeft de volgende naheffingsaanslag BPM opgelegd:

Catalogusprijs

€ 48.686

Historische BPM (CO2-uitstoot 165 gr/km)

10.978

= Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)

59.664

Handelsinkoopwaarde (XRAY marge)

€ 25.968

Afschrijving

56,48%

Historische BPM (CO2-uitstoot 165 gr/km)

€ 10.978

Afschrijving (56,48%)

-/- 6.200

= Verschuldigde BPM

4.778

Extra leeftijdskorting (0,913% van € 9.768)

-/- 89

Door belanghebbende is betaald op aangifte

-/- 735

Naheffingsaanslag

3.954

2.3.

De Rechtbank heeft overwogen dat de gestelde schade reeds voor de aangifte was hersteld, dat de auto dus niet meer dan normale gebruiksschade had, dat de auto wel voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst, en dat belanghebbende derhalve geen gebruik kan maken van de taxatiemethode. Dit brengt mee dat ook geen aanvullende vermindering wegens het schadeverleden kan worden toegepast. Verder heeft de Rechtbank geoordeeld dat de Inspecteur in strijd met het verbod op willekeur heeft gehandeld en dat daarom ook belanghebbende bij toepassing van de koerslijst Eurotax aanspraak kan maken op een correctie van 15% wegens ‘bijstelling markt- en dealersituatie’. Dit leidt tot een handelsinkoopwaarde van € 25.031 en een daaruit voortvloeiende naheffingsaanslag van € 3.784, aldus de Rechtbank. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag als volgt berekend:

Catalogusprijs

€ 48.686

Historische BPM (CO2-uitstoot 165 gr/km; tarief 2016)

10.978

Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)

59.664

Handelsinkoopwaarde onbeschadigd (Eurotax)

€ 29.081

Markt- en dealersituatie

-/- 4.050

= Handelsinkoopwaarde beschadigd

25.031

Afschrijving

58,05%

Historische BPM (CO2-uitstoot 165 gr/km; tarief 2016)

€ 10.978

Afschrijving (58,05%)

-/- 6.373

= Verschuldigde BPM

4.605

Extra leeftijdskorting (0,913% van € 9.416)

-/- 86

Door belanghebbende is betaald op aangifte

-/- 735

Naheffingsaanslag

3.784

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de naheffingsaanslag, zoals deze luidt na de uitspraak van de Rechtbank, terecht en tot een juist bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2.

Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat:

i) zijn taxatierapport van 8 maart 2019 – waarbij rekening is gehouden met een vermindering van de handelsinkoopwaarde wegens schade van € 19.250 – kan worden gebruikt voor de aangifte op 4 april 2019, omdat dit rapport op dat moment niet ouder is dan één maand;

ii) de Rechtbank ten onrechte geen schadevergoeding heeft toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

3.3.

Belanghebbende heeft ter zitting zijn grief dat de handelsinkoopwaarde met € 1.000 moet worden verminderd vanwege het schadeverleden, ingetrokken.

3.4.

In het incidentele hoger beroep heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat de Rechtbank ter bepaling van de handelsinkoopwaarde ten onrechte een waardevermindering ter zake van de ‘markt- en dealersituatie’ in aanmerking heeft genomen. In zijn nader stuk van 15 juli 2024 heeft de Inspecteur daarover opgemerkt dat ‘gelet op het standpunt van de Kennisgroep, alsmede de (…) conclusies van A-G Ettema van 26 april 2024 (ECLI:NL:PHR:2024:487), wordt dit standpunt (en het incidenteel hoger beroepschrift) hierbij ingetrokken”. Met laatstgenoemde opmerking heeft de Inspecteur zijn incidenteel hoger beroep uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.

3.5.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur en primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot handhaving van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing

1 Wegingsfactor C1 (gewicht van de zaak)

2 Kosten van een deskundige

3 Verletkosten

4 Bijzondere omstandigheden