Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-03-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1270, 22/688
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-03-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1270, 22/688
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 4 maart 2025
- Datum publicatie
- 14 maart 2025
- Annotator
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2022:489, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 22/688
- Relevante informatie
- Art. 9 BPM, Art. 10 BPM, Art. 19a BPM, Art. 28c Iw 1990, Art. 6:19 Awb, Art. 26 AWR, Art. 27h AWR, Art. 30j AWR, Art. 267 VWEU
Inhoudsindicatie
BPM. Belastingrente.
Uitspraak
locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 22/688
uitspraakdatum: 4 maart 2025
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 maart 2022, nummer LEE 21/1235, in het geding tussen belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur).
1 Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende is een kennisgeving gestuurd ter zake van een vergoeding van € 49 belastingrente over de periode 1 april 2014 tot 29 juli 2019 in verband met een teruggaaf van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM).
Op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen die kennisgeving heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de hoogte van de te vergoeden belastingrente gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 2 maart 2022 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de Inspecteur opgedragen binnen drie maanden na de dag van verzending van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van die uitspraak, de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een vergoeding wegens immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.000, de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van € 49 aan belanghebbende te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop de uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.518.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De Inspecteur heeft bij verweerschrift incidenteel hoger beroep ingesteld, waarop belanghebbende schriftelijk heeft gereageerd.
Bij uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2022 heeft de Inspecteur niettemin gehoor gegeven aan de uitspraak van de Rechtbank en het bezwaar gegrond verklaard en een vergoeding van de kosten van bezwaar toegekend.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar na terugwijzing beroep ingesteld bij de Rechtbank (zaaknummer LEE 22/4018). De Inspecteur heeft, onder de vermelding dat belanghebbende slechts beroep kan instellen bij het Hof, een verweerschrift ingediend bij het Hof.
Het onderzoek ter zitting van het Hof heeft door middel van beeldbellen plaatsgevonden op 25 juni 2024 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord A.F.M.J. [naam7] , als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] en [naam2] namens de Inspecteur.
De gemachtigde van belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota aan het Hof en de Inspecteur gestuurd, welke geacht wordt te zijn voorgelezen.
De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof zijn incidentele hoger beroep ingetrokken.
Ter zitting heeft het Hof het in onder meer de schriftelijke reactie op het incidenteel hoger beroep (zie 1.5) gebezigde taalgebruik aan de orde gesteld, waarop belanghebbende ermee heeft ingestemd dat dit stuk door het Hof buiten beschouwing wordt gelaten.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Na de zitting heeft het Hof het vooronderzoek heropend. Daarbij is gebleken dat het dossier in de onderhavige zaak niet compleet is.
Op 2 mei 2023 heeft de griffier van het Hof de Rechtbank verzocht de behandeling van het beroep met nummer LEE 22/4018 naar het Hof te verwijzen. De Rechtbank heeft ter zake van dat beroep € 184 griffierecht geheven.
Door een interne fout van de griffie van het Hof zijn naar aanleiding van de hiervoor – onder 1.14 – bedoelde brief de door de Rechtbank aan het Hof gestuurde processtukken niet toegevoegd aan het onderhavige procesdossier. Deze fout is hersteld. Partijen zijn ervan in kennis gesteld dat de stukken in het desbetreffende procesdossier in hoger beroep geacht worden deel uit te maken van het dossier in de onderhavige zaak. De desbetreffende stukken zijn vervolgens alsnog op digitale wijze in afschrift aan partijen verstrekt.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren in de hiervoor – onder 1.14 – bedoelde zaak, maar zij hebben daar geen gebruik van gemaakt. De gemachtigde van belanghebbende heeft aangegeven aanleiding te zien voor een nadere mondelinge behandeling.
De nadere mondeling behandeling heeft door middel van beeldbellen plaatsgevonden op 17 december 2024 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord A.F.M.J. [naam7] , als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam3] en [naam4] namens de Inspecteur.
De gemachtigde van belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota en een aanvullende pleitnota aan het Hof en de Inspecteur gestuurd, welke geacht worden te zijn voorgelezen.
Het Hof heeft daarop het onderzoek gesloten.
Van het verhandelde ter nadere zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
2 De vaststaande feiten
Belanghebbende heeft op 25 maart 2013 op aangifte BPM voldaan, tegen welke voldoening hij bezwaar heeft gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 21 maart 2017 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard.
Bij brief van 29 mei 2019 heeft de Inspecteur belanghebbende een ‘Afschrift kennisgeving teruggaaf’ toegezonden. Deze kennisgeving luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“Bij deze bericht ik u over een teruggaaf BPM (en belastingrente) naar aanleiding van de uitspraak bezwaar d.d. 21 maart 2017.
Beschikkingsnummer: [nummer1]
Beschikkingsdatum: 24 juni 2019
(…)
Belastingrente over het bedrag €228,00 van 01-04-2014 tot 29-07-2019= €49,00
Teruggaaf BPM |
€ |
228,00 |
Belastingrente |
€ |
49,00 |
Totaal |
€ |
277,00 |
(…)
De beslissing inzake de rente is een voor bezwaar vatbare beschikking.
Als u het niet eens bent met deze beslissing, moet u binnen zes weken na de dagtekening ervan een bezwaarschrift sturen naar: (…)”
Tot het procesdossier behoort een brief van 30 juli 2020 van de Inspecteur aan [naam5] , werkzaam bij hetzelfde kantoor als de gemachtigde van belanghebbende. Deze brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“Ik heb op 21 juli jl. gereageerd op uw mail van 17 juli 2020. Ik heb niet ingestemd met uw voorstel in uw mail van 17 juli 2020. De door u voorgestelde manier van werken, zou ertoe leiden dat er onvoldoende dossiers afgedaan kunnen worden, gezien het tempo waarop bezwaarschriften worden ingediend. Uw voorstel zou op termijn een onacceptabel lange behandelduur van de bezwaren met zich meebrengen. Daarbij heeft navraag bij [naam6] uitgewezen dat er geen andere afspraken zijn gemaakt over de afhandeling van de door u ingediende bezwaarschriften.
Ik herhaal dan ook dat er iedere week minimaal één keer gehoord wordt en dat u de dossiers in de week ervoor kunt inzien. De wet vereist niet meer dan dat de dossiers één week ter inzage liggen vóór het moment van horen. Het is aan u van de inzage gebruik te maken. Ik herhaal hier nogmaals mijn aanbod om u de dossiers elektronisch te doen toekomen, zodat u niet voor de inzage naar Doetinchem hoeft te komen. Ook herhaal ik hier mijn aanbod het horen telefonisch te laten plaatsvinden dan wel via een videoverbinding teneinde u reistijd te besparen.”
Tot het procesdossier behoort eveneens een brief van 13 augustus 2020 van de Inspecteur aan [naam5] . Deze brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“Ik heb reeds eerder aangegeven dat het door u voorgestelde schema tot een volstrekt onvoldoende voortvarende afhandeling van de bezwaren leidt. Dit is voor de belastingdienst dan ook niet acceptabel.
Ik wil u erop wijzen dat u de bezwaren zelf indient en u dan ook mede verantwoordelijkheid hebt deze tot een spoedige behandeling te brengen. Ik constateer wederom dat de door u voorgestelde werkwijzen alleen maar zullen leiden tot oplopende behandeltermijnen.”
Bij brief van 31 augustus 2020 heeft de Inspecteur de gemachtigde van belanghebbende uitgenodigd voor een hoorgesprek op 16 september 2020 voor een reeks van circa 100 bezwaardossiers, waaronder het bezwaar van belanghebbende. De uitnodiging luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“Hierbij stel ik u op 16 september 2020, om 10.00 in gelegenheid om gehoord te worden. Bij het vaststellen van deze datum heb ik rekening gehouden met de mij bekende zittingsdagen MRB en BPM bij rechtbanken en hoven en de mij bekende hoorzittingen.
U hebt, indien door u gewenst, de mogelijkheid tot inzage. Mocht u de dossiers nog in willen zien dan stel ik u in de gelegenheid de dossiers in te zien - conform artikel 7:4, lid 2 Awb - na het maken van een afspraak. De dossiers liggen ter inzage vanaf een week voorafgaand aan het hoorgesprek. Op de dag van het hoorgesprek is geen inzage mogelijk.
Mocht u verhinderd zijn, dan verzoek ik u om uiterlijk 1 week na dagtekening van deze brief een alternatieve datum in dezelfde week door te geven.
Het bezoekadres voor inzage en horen is Hamburgerbroeklaan 12 te Doetinchem.”
Bij e-mail van 3 september 2020 heeft [naam5] gereageerd op de uitnodiging voor het hoorgesprek op 16 september 2020. Deze e-mail luidt – verbeterd gelezen en voor zover hier van belang – als volgt:
“Het hoorgesprek dat u wenst in te plannen op 16 september 2020 kan echter geen doorgang vinden aangezien [naam7] reeds verhinderd is op deze dag.
Eerder al gaf u een serie met data en het verzoek verhinderdata te geven. Nu komt u met alternatieve data en massale hoeveelheden bezwaarschriften. U [t]reedt het recht met voeten.
In mijn mail van 17 juli 2020 heb ik u meegedeeld dat wijzigingen in data tot 28 september 2020 worden niet meer geaccepteerd wegens de noodzaak tot normale bedrijfsvoering, advisering, etc. etc. Het behoeft geen enkel betoog natuurlijk dat meerdere dagen per week reizen naar Doetinchem, zowel voor de heer [naam7] en mij, alsook voor de heer [naam8] apert onmogelijk en uiterst ongewenst is voor de continuering van de betrokken entiteiten.
Hiermee liggen de data vast t/m 28 september 2020. Het is uw keuze af te wijken van de tot heden toegepaste praktijk om in de ochtend inzagerecht te verlenen en in de middag te horen.”
Bij brief van 17 september 2020 heeft de Inspecteur de gemachtigde van belanghebbende uitgenodigd voor een hoorgesprek op 5 oktober 2020 voor een reeks van circa 100 bezwaardossiers, waaronder het bezwaar van belanghebbende. De inhoud van deze brief is overigens gelijkluidend aan de brief van 31 augustus 2020 met de eerste uitnodiging (zie 2.5).
Bij brief van 14 oktober 2020 heeft de Inspecteur de gemachtigde van belanghebbende uitgenodigd voor een hoorgesprek op 2 november 2020 voor een reeks van circa 100 bezwaardossiers, waaronder het bezwaar van belanghebbende. De inhoud van deze brief is vrijwel gelijkluidend aan de brieven van 31 augustus 2020 en 17 september 2020 met de eerste en de tweede uitnodiging (zie 2.5 en 2.7).
Bij brief van 23 oktober 2020 heeft de Inspecteur belanghebbendes gemachtigde een brief gestuurd over de planning van hoorgesprekken in het algemeen. Deze brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“U heeft de afgelopen weken gereageerd op een aantal uitnodigingen voor fysieke hoorgesprekken in Doetinchem. In alle gevallen wijst u de uitnodiging af vanwege de verscherpte corona-maatregelen in België en in Nederland. Wat daar ook van zij, u bent niet bereid deel te nemen aan een fysiek hoorgesprek in Doetinchem.
Het houden van fysieke hoorgesprekken volgde logischerwijs omdat u weigerde mee te werken aan het houden van telefonische hoorgesprekken, althans u stelde voorwaarden (gebruik e-mailadres en aantal dossiers) die voor mij niet acceptabel waren. Ik wijs u op uw e-mail van 17 september 2020. Het stuit met name op het aantal dossiers. U bent bereidt slechts 20-25 dossiers per week in te zien.
Dat aantal was, is en blijft voor mij niet-acceptabel. Ik wijs u daarbij op het feit dat u gemiddeld 25-50 bezwaarschriften per week indient. Vanaf begin augustus heeft u 511 bezwaarschriften ingediend; ruim 50 per week. Willen we dat bijhouden en ook nog inlopen op de voorraad die er ligt is een aantal van 100-150 per week een minimum. Het feit dat uw organisatie - Netcar Juridische Dienstverlening B.V. en Hefna B.V. - zelfs het verwerken van het door u gemiddeld per week ingediende aantal bezwaarschriften niet aan kan is een probleem voor de bedrijfsvoering van beide ondernemingen. Ik acht deze afwijzingsreden niet relevant.
Nu fysieke hoorgesprekken niet mogelijk zijn ga ik u - verwijzend naar mijn voorstel van 22 september 2020 - u op korte termijn digitaal gescande dossiers aanbieden in een aantal van 100-150 per week. Daarbij zal ik zoveel mogelijk rekening houden met het feit of het voldoeningsdossiers of naheffingsdossiers betreft. Verzending geschiedt veilig via 'filetransfer'. Uw reacties komen - binnen een week - ook per 'filetransfer' terug.”
Bij brief van 17 december 2020 heeft de Inspecteur de gemachtigde van belanghebbende uitgenodigd voor een hoorgesprek op 22 januari 2021 voor een reeks van circa 100 bezwaardossiers, waaronder het bezwaar van belanghebbende. De uitnodiging luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“Op 16 september 2020, 5 oktober 2020 en 2 november 2020 bent u eerder uitgenodigd voor de in de bijlage genoemde bezwaren. U hebt van deze mogelijkheden om u moverende redenen geen gebruik gemaakt.
Hierbij nodig ik u nogmaals uit voor een hoorgesprek op: 22 januari 2021 van 10.00 uur tot 16.00 uur. Bij het vaststellen van deze datum heb ik rekening gehouden met de mij bekende zittingsdagen MRB en BPM bij rechtbanken en hoven en de mij bekende hoorzittingen.
U hebt, indien door u gewenst, de mogelijkheid tot inzage. U kunt voor de inzage een afspraak maken. De dossiers liggen één week ter inzage voorafgaand aan het hoorgesprek. Op de dag van het hoorgesprek is geen inzage mogelijk. De mogelijkheid bestaat u bij wijze van uitzondering de dossiers elektronisch toe te sturen. Indien u hiervan gebruik wilt maken, verzoek ik u mij dat te laten weten.
Het bezoekadres voor inzage en horen is Hamburgerbroeklaan 12 te Doetinchem. Het is ook mogelijk telefonisch of per tweezijdige videoverbinding gehoord te worden. Indien u gebruik wilt maken van één van deze alternatieven of van de mogelijkheid om de dossiers elektronisch te ontvangen, verzoek ik u om mij dat uiterlijk binnen één week na dagtekening van deze brief te laten weten.
Indien het hoorgesprek niet op genoemde datum zal plaats vinden zal ik uitspraak op bezwaar doen.”
Bij e-mail van 22 december 2020 heeft de gemachtigde van belanghebbende gereageerd op de uitnodiging voor het hoorgesprek op 22 januari 2021. Deze e-mail luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“heden 22 december 2020 ontving ik uw brieven met dagtekening van 17 december 2020 inzake uitnodigingen voor fysieke hoorzitting op 22 januari 2021. U merkt op dat bij wijze van uitzondering u ook dossiers toestuurt, dat aanbod doe ik u al maanden, sinds de eerste corona-golf! Maar u weigert om uw moverende redenen!.
U stelt dat u rekening gehouden heeft met zittingsdagen, maar op 22 januari 2021 staat gerechtshof den Haag ingepland, waarin ik met u procedeer. Aldus kan 22 januari 2021 geen doorgang vinden.
Ik verwijs naar mijn berichten van 23 november 2020, met inachtneming van de integrale inhoud. Zoals u mogelijk al weet is er een volledige lockdown in lidstaat Nederland tot 19 januari 2021 door de alsmaar toenemende coronabesmettingen, iets waar ik, zoals u weet, al tijden rekening mee houdt en mij correct en netjes houdt aan de voorschriften van de overheid.
U stuurt exact 100 bezwaarschriften.
Als u er nog 25 stuurt voor maandag 28 december 20220 om 10.00 uur en volgende week maandag 4 januari 2021 25 stuks voor 10 uur, 11 januari 2021 voor 10.00 uur en 18 januari 2021 voor 10 uur, kunt u op maandag 25 januari 2021 een hoorgesprek voeren en heeft u in elk geval alle 110 stuks aan de kant!! Briljant voorstel van ons, u heeft een (gemene) strategie die niet werkt kan ik u nu al zeggen…”
Bij brief van 19 januari 2021 heeft de Inspecteur de gemachtigde van belanghebbende uitgenodigd voor een hoorgesprek op 15 februari 2021 voor een reeks van circa 100 bezwaardossiers, waaronder het bezwaar van belanghebbende. Deze brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“Op 16 september 2020, 5 oktober 2020 en 2 november 2020 en 22 januari 2021 bent u eerder uitgenodigd voor de in de bijlage genoemde bezwaren. U hebt van deze mogelijkheden om u moverende redenen geen gebruik gemaakt.
Hierbij nodig ik u nogmaals uit voor een hoorgesprek op: 15 februari 2021 van 10.00 uur tot 16.00 uur.
U hebt, indien door u gewenst, de mogelijkheid tot inzage. U kunt voor de inzage een afspraak maken. De dossiers liggen één week ter inzage voorafgaand aan het hoorgesprek. Op de dag van het hoorgesprek is geen inzage mogelijk. De mogelijkheid bestaat u bij wijze van uitzondering de dossiers elektronisch toe te sturen. Indien u hiervan gebruik wilt maken, verzoek ik u mij dat te laten weten.
Het bezoekadres voor inzage en horen is Hamburgerbroeklaan 12 te Doetinchem. Het is ook mogelijk telefonisch of per tweezijdige videoverbinding gehoord te worden. Indien u gebruik wilt maken van één van deze alternatieven of van demogelijkheid om de dossiers elektronisch te ontvangen, verzoek ik u om mij dat uiterlijk binnen één week na dagtekening van deze brief te laten weten.
Indien het hoorgesprek niet op genoemde datum zal plaats vinden zal ik uitspraak op bezwaar doen.”
Bij e-mail van 20 januari 2021 heeft de gemachtigde van belanghebbende gereageerd op de uitnodiging voor het hoorgesprek op 15 februari 2021. Deze e-mail luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“heden 20 januari 2021 ontving ik uw brieven met dagtekening van 19 januari 2021 inzake uitnodigingen voor fysieke hoorzitting op 10 en 15 februari 2021. U merkt op dat bij wijze van uitzondering u ook dossiers toestuurt, dat aanbod doe ik u al maanden, sinds de eerste corona-golf! Maar u weigert om uw moverende redenen!.
Ik verwijs naar mijn berichten van 23 november 2020, met inachtneming van de integrale inhoud. Zoals u mogelijk al weet is er een volledige lockdown in lidstaat Nederland tot 31 januari 2021 door de alsmaar toenemende corona-besmettingen, iets waar ik, zoals u weet, al tijden rekening mee houdt en mij correct en netjes houdt aan de voorschriften van de overheid. Hiernaast is er in België ook een verbod op niet-essentiele reizen.
Ik moet aldus helaas ook afzeggen voor de uitnodiging van 10 en 15 februari 2021. Ik herhaal de mogelijkheid , die u om uw moverende redenen maar blijft weigeren, de dossiers in partijen van 25 stuks per week digitaal door te sturen.
U stuurt exact 100 bezwaarschriften.
Als u er nog 25 stuurt voor maandag 25 januari 2021 om 10.00 uur en volgende week maandag 1 februari 2021 25 stuks voor 10 uur, 8 februari 2021 voor 10.00 uur en 15 februari 2021 voor 10 uur, kunt u op maandag 22 februari 2021 een hoorgesprek voeren en heeft u in elk geval alle 100 stuks aan de kant!! Briljant voorstel van ons, u heeft een (gemene) strategie die niet werkt kan ik u nu al zeggen...”
Met dagtekening 9 maart 2021 heeft de Inspecteur uitspraak op het bezwaar van belanghebbende gedaan. De uitspraak op bezwaar luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“Horen
Ik heb u uitgenodigd voor een hoorgesprek op 16 september 2020, 5 oktober 2020, 2 november 2020, 17 december 2020 en 19 januari 2021. U bent op geen van de vier data verschenen, zonder een (werkbaar) alternatief voor te stellen. Ik concludeer dan ook dat u afziet van het recht om gehoord te worden.”
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 2 maart 2022 met zaaknummer LEE 21/1235 onder meer het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de Inspecteur opgedragen binnen drie maanden na de dag van verzending van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van die uitspraak.
De Inspecteur heeft belanghebbende vervolgens uitgenodigd voor een hoorgesprek op 28 april 2022 om 10.00 uur. De uitnodiging werd aangetekend en per gewone post verzonden aan belanghebbendes gemachtigde. De aangetekende versie van de uitnodiging is niet in ontvangst genomen. Per e-mail is daarna via Webex opnieuw een uitnodiging gestuurd voor het hoorgesprek. De scans van de dossiers zijn per filetransfer aangeboden. De dossiers zijn door de gemachtigde van belanghebbende niet binnengehaald. Tijdens het hoorgesprek op 28 april 2022 werd er niet ingelogd door belanghebbendes gemachtigde, zonder dat door de Inspecteur een afzegging is ontvangen. De Inspecteur heeft daaruit de conclusie getrokken dat de gemachtigde niet gehoord wil worden.
Belanghebbende heeft tegen de hiervoor - onder 2.15 - aangeduide uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
Bij uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2022 heeft de Inspecteur gehoor gegeven aan de uitspraak van de Rechtbank en het bezwaar gegrond verklaard. Er is daarbij een extra rentevergoeding van € 12 toegekend op basis van het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:89, r.o. 5.1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar na terugwijzing beroep ingesteld bij de Rechtbank die het beroep heeft geregistreerd met zaaknummer LEE 22/4018.
Na de zitting van op 25 juni 2024 heeft het Hof het vooronderzoek heropend. Daarbij is gebleken dat het dossier in de onderhavige zaak niet compleet is. Op 2 mei 2023 heeft de griffier van het Hof aan de Rechtbank het volgende geschreven:
“In een uitspraak van 2 maart 2022, met nummer LEE 21/2135 heeft de rechtbank Noord-Nederland het beroep van de heer [belanghebbende] gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de zaak teruggewezen naar de inspecteur. Tegen die uitspraak is door belanghebbende hoger beroep ingesteld (nummer 22/00688). De Inspecteur heeft er in het verweerschrift betreffende de procedure in hoger beroep op gewezen dat er inmiddels een nieuwe uitspraak op bezwaar is gedaan, namelijk op 18 oktober 2022. Tegen die uitspraak zou bij de rechtbank een beroep aanhangig zijn gemaakt op 9 november 2022. Aan die procedure is het nummer LEE 22/4018 toegekend. Het aanhangige hoger beroep wordt geacht mede
te zijn gericht tegen die nieuwe uitspraak op bezwaar (zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 september 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9176). Daarom verzoekt het Hof u, gelet op het bepaalde in artikel 6:15 en 6:19, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de behandeling van het beroep met nummer LEE 22/4018 naar het Hof te verwijzen. Het Hof stuurt een afschrift van deze brief naar partijen.”.
Door een interne fout van de griffie van het Hof zijn naar aanleiding van de hiervoor – onder 2.20 – bedoelde brief de door de Rechtbank aan het Hof gestuurde processtukken niet toegevoegd aan het onderhavige procesdossier. Deze fout is hersteld. Partijen zijn ervan in kennis gesteld dat die stukken deel uitmaken van het procesdossier in de onderhavige zaak.
3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
In het (principale) hoger beroep is in geschil of de nationale belastingrechter onbevoegd is het Unierecht uit te leggen, of er te weinig belastingrente is vergoed over de hiervoor – onder 2.2 – vermelde teruggaaf, of er in strijd met het Unierecht griffierecht is geheven, of er te weinig rente is vergoed over het griffierecht, of artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) in strijd komt met het Unierecht, of de proceskostenvergoeding door de Rechtbank tot een te laag bedrag is vastgesteld, of er door het Hof prejudiciële vragen moeten worden gesteld aan het Hof van Justitie van de EU (hierna: het Hof van Justitie) en of er termen zijn voor een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend.
Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in de processen-verbaal van de zitting en de nadere zitting.