Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11-03-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1433, 23/1063

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11-03-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1433, 23/1063

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11 maart 2025
Datum publicatie
21 maart 2025
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:1433
Formele relaties
Zaaknummer
23/1063
Relevante informatie
Art. 8:42 Awb, Art. 8:31 Awb

Inhoudsindicatie

Recht van schenking. Stichting Particulier Fonds. Beschikkingsmacht vermogen.

Uitspraak

Locatie Arnhem

nummer BK-ARN 23/1063

uitspraakdatum: 11 maart 2025

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 februari 2023, nummers ARN 17/271 en 18/6692, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De Inspecteur heeft met dagtekening 10 januari 2018 aan belanghebbende een aanslag in het recht van schenking opgelegd naar een belaste verkrijging in het jaar 2009 van € 1.432.187 (hierna: de aanslag). Tevens is bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 323.201.

1.2

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het tegen de aanslag gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de aanslag gehandhaafd en de boete vernietigd. Daarbij is een kostenvergoeding toegekend van € 166.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het volgende geoordeeld:

“De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaak met zaaknummer 17/271 (informatiebeschikking) gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op het belastingmiddel Schenkbelasting over het jaar 2011;
-vernietigt de informatiebeschikking voor zover die betrekking heeft op het belastingmiddel Schenkbelasting over het jaar 2011;
- verklaart het beroep in de zaak met zaaknummer 18/6692 (aanslag recht van schenking) ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 2.000;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.685 aan proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht tot een bedrag van € 46 aan eiser moet vergoeden.”

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 22 november 2023 een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft op 19 december 2023 een conclusie van dupliek ingediend met twee bijlagen. Bij brief van 5 april 2024 heeft belanghebbende een nader stuk, met twee bijlagen, ingediend.

1.5

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2024. Namens belanghebbende is verschenen, zijn gemachtigde mr. M.C.J. Schoenmakers. Namens de Inspecteur zijn verschenen, [naam1] , [naam2] en [naam3] . De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken met Hofkenmerken BK-ARN 23/1064 tot en met 23/1066. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat belanghebbende de gelegenheid wordt geboden om binnen vier weken schriftelijk te reageren op het aan het eind van de zitting uitgesproken bewijsvermoeden en dat de Inspecteur de gelegenheid krijgt daar binnen vier weken schriftelijk op te reageren. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt dat op 5 november 2024 in het digitale dossier op Mijn Rechtspraak is geplaatst.

1.6

Belanghebbende heeft bij brief van 13 november 2024 een reactie op het bewijsvermoeden gegeven. De Inspecteur heeft bij brief van 20 december 2024 zijn reactie daarop ingediend. Bij brief van 22 januari 2025 heeft belanghebbende een nadere reactie ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 24 januari 2025, zittingslocatie ’s-Hertogenbosch. Namens belanghebbende is verschenen, zijn gemachtigde mr. M.C.J. Schoenmakers. Namens de Inspecteur zijn verschenen, [naam1] , [naam2] en [naam3] . De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken met Hofkenmerken BK-ARN 23/1064 tot en met 23/1066. Al hetgeen ter zitting is aangevoerd wordt geacht te zijn aangevoerd in alle zaken. Van het verhandelde ter zitting van 24 januari 2025 is één proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2 De vaststaande feiten

2.1

Op 28 januari 2005 is Stichting [naam4] ( [naam4] ) opgericht naar het recht van Curaçao in opdracht van [de vader] (hierna: vader) en [de moeder] (hierna: moeder), de vader en moeder van belanghebbende.

2.2

In het e-mailbericht van 20 januari 2005 (bijlage 18 bij het verweerschrift eerste aanleg) van [naam5] van [naam6] N.V. ( [naam6] ), is het volgende opgenomen:

“Mw. [naam7] heeft bevestigd bereid te zijn de taak van Bestuurder van [naam8] op zich te nemen mits wij ( [naam6] ) alle dagelijkse werkzaamheden voor haar verrichten.
Zij zal vanwege de "vriendendienst" op basis van haar relatie met de familie [belanghebbende] , een fee van US$ 1,500.- p.a. in rekening brengen.”

2.3

In de brief van 21 januari 2005 (bijlage 19) van vader aan [naam7] (hierna: [naam7] ) is het volgende opgenomen:

“Het doet ons genoegen U zoals overeengekomen te mogen aanstellen als gevolmachtigd bestuurder van de [ [naam4] ].
Voor het voeren van dit bestuur kunt U de [ [naam4] ] jaarlijks een fee in rekening stellen van US$ 1.500,-.
Begin maart zullen wij tijdens een bespreking gezamenlijk het takenpakket omschrijven.”

2.4

In de Source of Funds Declaration van 20 januari 2005 (bijlage 25) is het volgende opgenomen:

“[vader]
(…)
in my capacity of Ultimated Beneficial Owner of: [ [naam4] ]
(…), hereby declare that the funds to be used and channeled through the abovementioned foundation is obtained from the following source(s):

future income/profits/dividends/savings, private wealth derived from [vader]”

2.5

In de Director's Agreement van 28 januari 2005 (bijlage 20) is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

“4. [ [naam4] ] shall pay [naam7] an annual basic Director's fee of US$ 1,500- payable annually in advance (…) In addition to the annual basic fee, time spent with any and all special services such as, but not limited to the holding of Board Meetings, will be charged separately to the Foundation on basis of [naam7] 's hourly fee as it may be established from time to time, (at the time of this agreement an average hourly fee of US$ 125,- will be charged) whilst [naam7] shall further be reimbursed for all and any expenses properly incurred in the performance of his duties.

(…)

6. [ [naam4] ] hereby undertakes and agrees both for himself and his heirs, administrators, executors and assigns to indemnify and save and hold [naam7] , as Director of [ [naam4] ] (…) harmless from and against any and all claims, demands, liabilities (including taxes and penalty taxes), expenses, losses and damages of any kind whatsoever which [naam7] or his successors may at any time incur or sustain by reason or in consequence of his acting or having acted as such Director, except such as may arise from its own wilful misconduct or default.

7.
The Ultimate Beneficial Owner of [ [naam4] ] undertakes to notify [naam7] forthwith of any change of address.”

2.6

In de Principal-Party Agreement van 28 januari 2005 (bijlage 21) is tussen vader en moeder, in de overeenkomst tezamen aangeduid als “Principal”, en [naam7] , in de overeenkomst aangeduid als “Director”, het volgende overeengekomen:

“1.1 PRINCIPAL declares to be fully acquainted with the contents of the Director's Agreement, and guarantees towards DIRECTOR that [ [naam4] ] shall at all times fulfill its obligations under the Director's Agreement and that PRINCIPAL will indemnify DIRECTOR in case [ [naam4] ] fails to fulfill such obligations.

1.2

In the event DIRECTOR'S performance under the Director's Agreement might give rise to liability of DIRECTOR towards PRINCIPAL, such liability shall be limited to damages resulting from gross negligence or willful misconduct in such performance.

1.3

PRINCIPAL shall fully indemnify DIRECTOR for and hold DIRECTOR harmless against any past, pending or future claims of whatever nature and none excluded, exercised by third parties for damages incurred as a result of the performance by DIRECTOR of its duties under the Director's Agreement or incurred as a result of actions or omissions of attorneys-in-fact unless such damages result from gross negligence or willful misconduct, by DIRECTOR.”

2.7

In de Formation & Administration Order and Power of Attorney van 28 januari 2005 (bijlage 22) is het volgende opgenomen:

Name of Foundation: [ [naam4] ]
Foundation’s Authorities
○ [naam7] or her substitute, in her capacity as founder shall not acquire any authorities by deed of formation.
○ [naam7] or her substitute, in her capacity as as founder shall acquire authorities by deed of formation.
● [naam7] or her substitute in her capacity as founder shall acquire authorities by deed of formation and these authorities shall be assigned to:
Name: [vader]
en
[moeder]

(…)

The Mandator [Hof: vader en moeder] guarantees to [naam7] that the [ [naam4] ] and its subsidiaries shall at all times fulfill their obligations under the Agreements and that the Mandator will fully indemnify [naam7] in the event that the [ [naam4] ] and, or its subsidiaries fail tot fulfill such obligations. The Mandator furthermore guarantees that the [ [naam4] ] and its subsidiaries shall at all times pay their debts to [naam7] as and when they become due.

Mandator agrees that, in the event that [naam7] ’s performance during and after the term of the Agreements give rise to liability towards the Mandator and/or the [ [naam4] ] and/or its subsidiaries, such liability shall be limited to damages resulting from gross negligence or willful misconduct in such performance.”

2.8

Tot de stukken van het geding behoort een bezoeknotitie van 4 maart 2005 opgesteld door [naam9] van [naam6] (bijlage 23). Bij dat gesprek waren aanwezig: “belanghebbende en zijn ouders, ter kennismaking op bezoek bij [naam6] ”. Onderwerp van het gesprek was onder meer de [naam4] . In de notitie is het volgende opgenomen:

Besproken:
- taken en verantwoordelijkheden van Bestuur van de [naam4] ’s
- bezorgdheid ten aanzien van het afstaan van hun assets t.g.v. de [naam4] zonder daar ‘formeel’ grip op te hebben
(…)
- fiscale aspecten m.b.t. de [naam4] en het vermogen dat daar in ondergebracht zal worden;
(…)
- Letter of Wishes – wij ontvangen aangepaste versie”

2.9

Bij akte van toetreding amendement koopovereenkomst is de [naam4] op 19 juli 2005 toegetreden tot de koopovereenkomst van [naam10] GmbH (vertegenwoordigd door belanghebbende) tot aankoop van [naam11] GmbH voor een bedrag van € 1.813.800 (bijlage 26).

2.10

[naam7] heeft belanghebbende leesrechten verleend voor de bankrekening van de [naam4] bij de [naam12] N.V. (bijlage 27) en gevolmachtigd voor de bankrekening van de [naam4] bij de [naam13] (bijlage 28). Uit een bankafschrift van 25 oktober 2006 van de [naam13] volgt dat een bedrag van € 405.000 is overgeboekt in opdracht van vader.

2.11

De [naam14] heeft in de Operational Audit 2005 (bijlage 30) het volgende opgenomen:

“1. [naam15] B.V.
(…)
Toelichting financieringsaanvraag/RN
- [ [naam4] ] (NL Antillen) verwerft 6% in GFG. Op welke wijze heeft de bank de (mede)zeggenschap van deze onderneming in GFG in beeld gebracht? Van wie is deze stichting?
Deze stichting van de ouders van [belanghebbende], de meerderheidsaandeelhouder. Dit belang heeft een fiscale reden. Omdat de entiteit van de DGA hierdoor minder dan 95% van de aandelen houdt, geeft dit een fiscaal voordeel. Verder invloed hebben de ouders niet, noch als bestuurder, noch als aandeelhouder, omdat het een minderheidsbelang betreft.”

2.12

Tot de stukken van het geding behoort het volgende e-mailbericht van 3 januari 2006 aan [naam7] (bijlage 31):

“Geachte [ [naam7] ],
Naar aanleiding van uw verzoek om de Euro 65.000 te kunnen beleggen op korte termijn voor [ [naam4] ], kan ik u de volgende mogelijkheden aanbieden.
(…)”

2.13

[naam7] reageert als volgt op bovenstaand bericht bij e-mail van 12 januari 2006:

“Gisteren kreeg ik pas een reactie van de familie [belanghebbende] . Zou je 65.000,00 euro kunnen vastzetten voor 1 [een] maand vast (…).”

2.14

In de wilsuiting van 20 september 2006 van vader en moeder gericht aan [naam7] (bijlage 32) is het volgende opgenomen:

“U heeft mede op ons verzoek opgericht de in hoofde genoemde [ [naam4] ] en u heeft de taak op zich genomen de directie over [ [naam4] ] te voeren. In de statuten van [ [naam4] ] zijn de voorwaarden opgenomen welke dienen te worden vervuld bij het beheer van het vermogen van [ [naam4] ] en/of het vermogen dat zal gaan behoren tot [ [naam4] ] (hierna het "Vermogen”).

Hoewel wij ons realiseren, dat wij het beheer over het Vermogen dat is overgedragen en/of zal worden overgedragen aan [ [naam4] ] verliezen, zenden wij u onze wensen met betrekking tot het beheer en bestemming van het vermogen van [ [naam4] ]. Wij vertrouwen erop, dat u voor het beheer van het vermogen zult zorg dragen met discretie en in overeenstemming met onze wensen, hoewel wij ons realiseren, dat u hieraan juridisch niet gebonden bent.

(…)

2. OVERLEG MET GERECHTIGDEN BETREFFENDE HET VERMOGENSBEHEER

Indien u het beheer van het Vermogen van [ [naam4] ] in overeenstemming met de hierboven genoemde richtlijnen verricht, stellen wij het op prijs als voorts de gerechtigden zullen worden geraadpleegd in overeenstemming met voornoemde richtlijnen. Voorts stellen wij het op prijs als dat de gerechtigden worden geconsulteerd met betrekking tot het Vermogen en in het bijzonder

a. a) het beheer van zaken met betrekking tot investeringen en aankopen,
(…)
c) enige plannen om het Vermogen te verdelen of het Vermogen toe te wijzen of een deel ervan toe te wijzen van de ene gerechtigde van de [ [naam4] ] aan een andere gerechtigde van de [ [naam4] ]; en
(…)

4. GERECHTIGDEN

Wij zouden het waarderen als de volgende persoon zal worden aangewezen als gelijkwaardige eerste gerechtigden meedelende in gelijke gedeelten:
Ondergetekenden, [vader] en [moeder]
Wij zouden, het waarderen als de volgende persoon zal worden aangewezen als gelijkwaardige tweede gerechtigden meedelende in gelijke gedeelten:
Onze zoon [de broer van belanghebbende] (…)
Onze zoon [belanghebbende] (…)

5. VERDERE WENSEN

(…)

Wij behouden ons de mogelijkheid voor om, tijdens ons leven, de gehele bovenstaande opsomming van suggesties en wensen (‘wilsuiting’) te vervangen door een andere opsomming.”

2.15

Bij schenkingsakte van 20 september 2006 (bijlage 33) hebben vader en moeder een bedrag van € 600.000 aan de [naam4] geschonken.

2.16

Bij overeenkomst tot overdracht van pensioenverplichtingen van 20 september 2006 (bijlage 34), heeft de [naam4] de pensioenverplichtingen van [naam16] B.V jegens vader, voormalig bestuurder van de vennootschap, en moeder, voormalig werknemer van de vennootschap, overgenomen.

2.17

Bij overeenkomst van cessie van 20 september 2006 (bijlage 35) hebben vader en moeder een vordering op [naam17] B.V. aan de [naam4] gecedeerd. De vordering heeft het karakter van een krediet faciliteit en het uitstaande bedrag bedraagt € 930.438,59 en de geaccumuleerde rente bedraagt € 52.992,34 (6% op jaarbasis).

2.18

Bij schenkingsakte van dezelfde datum, 20 september 2006 (bijlage 36), hebben vader en moeder de in 2.17 genoemde vordering aan de [naam4] geschonken.

2.19

Bij brief van 20 oktober 2006 (bijlage 37) hebben vader en moeder aan [naam7] bevestigd dat belanghebbende volledig gevolmachtigd is om in hun naam te handelen.

2.20

In een e-mailbericht van 24 oktober 2006 (bijlage 38) van de [naam13] aan [naam6] is het volgende vermeld:

“Wir haben von unserem gemeinsamen Kunden (dem Beneficial Owner des Geldes) einen Zahlungsauftrag über EUR 400.000 zu [naam18] GmbH erhalten.”

2.21

In de notulen van de bestuursvergadering van de [naam4] van 22 december 2009 (bijlage 40) is het volgende opgenomen:

“2. Aan de orde zijn de navolgende voorstellen in de volgende volgorde:

Het verrichten van de volgende eenmalige uitkeringen door banktransfer en betaalbaar per direct aan:
1. [Vader] (…) een bedrag ad EUR 191.000,00
2. [De broer van belanghebbende] (…) een bedrag ad EUR 1.039.000,00
3. [Belanghebbende] (…) een bedrag ad EUR 1.342.000,00
4. [De dochter van belanghebbende] (…) een bedrag ad EUR 250.000,00
5. [De dochter van belanghebbende] (…) een bedrag ad EUR 250.000,00”

2.22

Op 31 december 2009 heeft de [naam4] een deel van haar aandelenbelang in [naam17] B.V. overgedragen aan [naam19] N.V. voor € 37.919. Daarbij heeft de [naam4] een lening aan [naam19] N.V. verstrekt voor de schuldig te blijven koopsom, waarvan de aflossing in onderling overleg zal plaatsvinden (bijlage 41).

2.23

Bij e-mailbericht van 9 september 2010 (bijlage 42) schrijft belanghebbende het volgende aan een medewerker van [naam6] :

“Zoals ik reeds heb laten weten willen wij de aandelen [naam20] welke nog in [de [naam4] ] zitten overdragen aan [naam21] ”.

2.24

Op 5 oktober 2010 heeft de [naam4] het 6%-aandelenbelang in [naam20] GmbH verkocht aan [naam21] voor € 101.235 (bijlage 43). [naam21] is de koopsom schuldig gebleven en is daartoe een overeenkomst van geldlening aangegaan met de [naam4] . Het bestuursbesluit is genomen op 6 oktober 2010 (bijlage 44).

2.25

Op 9 oktober 2010 heeft [naam7] volmacht aan belanghebbende verleend om de [naam4] te vertegenwoordigen met betrekking tot het aandelenbelang in [naam20] GmbH (bijlage 46).

2.26

Bij brief van 16 maart 2010 heeft belanghebbende naar aanleiding van vragen van de Inspecteur verklaard op 23 december 2009 schenkingen ter grootte van € 1.436.743,34 te hebben ontvangen van de [naam4] (bijlage 45).

2.27

Bij brief van 28 november 2016 heeft de Inspecteur belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte van het recht van schenking over het jaar 2009 in verband met een schenking die hij vermoedelijk heeft ontvangen van vader.

2.28

Op 4 januari 2017 is de aangifte – oningevuld – retour gestuurd met als bijlage een brief van belanghebbende waarin onder meer het volgende is vermeld:

“Bijgaande zenden wij u de getekende aangiftes schenkingsrecht retour, de reden dat wij deze aangiftes doen is omdat u ons dit verzoek heeft gedaan.

[Vader] heeft eerder al een verklaring ondertekend dat hij niet van mening is dat hij enige belaste schenking heeft uitgevoerd. Er zijn dan ook geen begiftigden. Derhalve zijn de documenten verder ook niet ingevuld. Geen van de vragen heeft immers enig belang.

[Vader] (…)

(…) Wij zijn bereid en steeds bereid geweest alle relevante gegevens, voor zover het in onze macht ligt, aan de belastingdienst te verstrekken. Die gegevens zijn beschikbaar bij [naam inspecteur belastingdienst]. Het is nadrukkelijk niet onze bedoeling om onjuiste aangifte te doen dan wel niet aan onze informatieplicht te voldoen.”

Ook vader heeft een bijlage bij de aangifte schenkingsrecht gevoegd, waarin onder meer het volgende is vermeld:

“Bijgaand ontvangt u het aangifte schenkingsrecht retour, getekend door [vader]. De reden dat hij aangifte doet is dat u het biljet aan hem heeft uitgereikt.

[Vader] is niet van mening dat hij enige belaste schenking in 2009 heeft uitgevoerd. Er zijn dan ook geen begiftigden. Derhalve is het document verder niet ingevuld. Geen van de vragen heeft verder immers enig belang.

(…)

[Vader] is bereid en steeds bereid geweest alle relevante gegevens, voor zover het in zijn macht ligt, aan de belastingdienst te verstrekken. Die gegevens zijn beschikbaar bij [naam inspecteur belastingdienst]. Tevens zijn daar gegevens beschikbaar uit derdenonderzoeken. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling van [vader] om onjuiste aangifte te doen dan wel niet aan zijn informatieplicht te voldoen.”

2.29

Bij brief van 23 januari 2017 heeft de Inspecteur, onder bijvoeging van een memo van 16 januari 2017, zijn voornemen tot het opleggen van de aanslag kenbaar gemaakt en tevens aangekondigd een boete op te leggen.

2.30

Met dagtekening 10 januari 2018 is de aanslag ter zake van een schenking in 2009 door vader aan belanghebbende opgelegd naar een verkrijging van € 1.436.743.

Totale verkrijging € 1.436.743

Af: vrijstelling schenkingsrecht € 4.556

Belaste verkrijging € 1.432.187

2.31

Het over de belaste schenking verschuldigde recht van schenking is berekend op € 323.201. Bij de aanslag is tevens bij beschikking een boete opgelegd van € 323.201. De boete is bij uitspraak op bezwaar vernietigd.

3 Oordeel Rechtbank

3.1

De Rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

De informatiebeschikking

12. De informatiebeschikking heeft onder meer betrekking op het belastingmiddel Schenkbelasting in het jaar 2011. Ter zitting heeft verweerder erkend dat deze informatiebeschikking geen relevantie (meer) heeft en dat die in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. Gelet hierop is het beroep met zaaknummer ARN 17/271 gegrond.

De aanslag recht van schenking 2009

13. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de [naam4] fiscaal transparant is en dat de schenking in 2009 aan eiser moet worden toegerekend aan [de vader] . Ook is verweerder van mening dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, omdat de vereiste aangifte niet is gedaan.

14. Krachtens de Successiewet 1956 (tekst 2009) wordt recht van schenking geheven van de waarde van al wat door schenking wordt verkregen van iemand, die ten tijde van die schenking binnen het Rijk woonde.[2] Het Rijk betekent in die context het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden.[3]

15. Indien vermogen door een natuurlijke persoon wordt overgedragen aan een rechtspersoonlijkheid bezittende entiteit, zoals een [naam4] [4], dan is dat vermogen in algemene zin daarna onttrokken aan de beschikkingsmacht van de natuurlijke persoon. Dit kan anders zijn als komt vast te staan dat de natuurlijke persoon over het in de [naam4] aanwezige vermogen kan (blijven) beschikken als ware het zijn eigen vermogen.[5] In dat geval is de [naam4] fiscaal transparant en moet het vermogen van de [naam4] voor fiscale doeleinden worden behandeld als ware het vermogen van die natuurlijke persoon zelf. Niet vereist is dat er in feite geen onderscheid bestaat tussen het vermogen van de [naam4] en van de natuurlijke persoon noch dat de natuurlijke persoon zich in feite als rechthebbende van het vermogen van de [naam4] gedraagt.

16. De rechtbank is van oordeel dat [de vader] kon (blijven) beschikken over het vermogen van de [naam4] als ware het zijn eigen vermogen, ondanks dat [naam7] bestuurder van de [naam4] was. De rechtbank geeft daarvoor de volgende redenen. Allereerst volgt uit de afspraken die op 28 januari 2005 zijn gemaakt dat [naam7] geen enkele aansprakelijkheid als bestuurder van de [naam4] had, maar dat zij door [de vader] werd gevrijwaard van aansprakelijkheid.[6] [naam7] kreeg blijkens die afspraken ook maar een beperkte fee, zodat niet aannemelijk is dat zij de [naam4] daadwerkelijk bestuurde. Daarnaast volgt uit de e-mail van 12 januari 2006 en uit de operational audit 2005 van de [naam14] dat de gang van zaken in de praktijk ook verliep zoals afgesproken op 28 januari 2005.[7] Verder blijkt uit de verklaring van [de vader] van 20 januari 2005 en uit de cessie en schenking van [de vader] aan de [naam4] , dat hij de UBO is en dat al het vermogen van de [naam4] afkomstig was van [de vader] zelf en ook dat maakt het voor de hand liggend dat hij over dat vermogen wilde blijven beschikken.[8]

17. Omdat [de vader] over het vermogen van de [naam4] kon (blijven) beschikken als ware het zijn eigen vermogen, is het gelijk aan verweerder dat de [naam4] fiscaal transparant is en dat de schenking in 2009 aan eiser moet worden toegerekend aan [de vader] . Dan is, naar partijen ter zitting hebben bevestigd, niet in geschil dat de aanslag terecht en tot het juiste bedrag aan eiser is opgelegd. De rechtbank ziet ook anderszins geen aanleiding de aanslag te verminderen. Daarom komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.

18. Het beroep tegen de aanslag recht van schenking is ongegrond.

Verzoek om vergoeding immateriële schade

19. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek van eiser om een vergoeding van immateriële schade uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.[9]

20. Verweerder heeft de bezwaarschriften van eiser ontvangen op 31 mei 2016 (informatiebeschikking) en op 16 februari 2018 (aanslag recht van schenking). De periode tussen het oudste bezwaar en de uitspraak van de rechtbank is afgerond 56 maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet aanleiding de redelijke termijn hier met in totaal 36 maanden te verlengen en wel om de volgende twee redenen. Ten eerste heeft de rechtbank van 28 december 2018 tot en met 1 juli 2021 de behandeling van de zaken aangehouden op verzoek van partijen. Partijen waren in die periode aan het onderhandelen en de rechtbank begrijpt uit de dossierstukken dat de onderhandelingen betrekking hadden op (onder meer) de informatiebeschikking en de aanslag recht van schenking. Ten tweede ziet de rechtbank in de complexiteit van de zaken en de verknochtheid tussen de zaken, en met die van eisers broer en kinderen, aanleiding de redelijke termijn te verlengen. In totaal verlengt de rechtbank de redelijke termijn met 30 maanden voor de onderhandelingen en zes maanden vanwege de complexiteit en verknochtheid. De verlenging van de redelijke termijn met 36 maanden brengt mee dat deze 2 jaar + 3 jaar (36 maanden) = 5 jaar bedraagt.

21. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 20 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat 4 keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 2.000 (4 keer een half jaar ad € 500). De uitspraak op bezwaar van verweerder in de zaak over de informatiebeschikking dateert van 19 december 2016. Gelet hierop en op de verlenging van de redelijke termijn, is de overschrijding van de redelijke termijn dus ontstaan in de beroepsfase. De rechtbank zal de Staat veroordelen om de schadevergoeding aan eiser te betalen.

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep tegen de informatiebeschikking is gegrond. Dat betekent dat de rechtbank de informatiebeschikking vernietigt voor zover die betrekking heeft op het belastingmiddel Schenkbelasting over het jaar 2011.

23. Het beroep tegen de aanslag recht van schenking is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag, zoals deze nader is vastgesteld in de uitspraak op bezwaar, in stand blijft.

24. De rechtbank ziet in de gegrondverklaring van het beroep tegen de informatiebeschikking aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in het kader van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank stelt deze kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.685 (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting van 14 november 2018, 0.5 punt voor de zitting van 26 september 2022 met een waarde per punt van € 296 in bezwaar en € 837 in beroep en een factor 1). De rechtbank zal geen factor 1,5 wegens vier of meer samenhangende zaken toepassen,[10] omdat de proceskostenvergoeding alleen betrekking heeft op de gegrondheid van het beroep tegen de informatiebeschikking. Immers, de zaak over de informatiebeschikking hangt inhoudelijk niet samen met de andere zaak van eiser en de zaken van eisers broer en kinderen. Van andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen is de rechtbank niet gebleken.

25. Omdat het beroep betreffende de informatiebeschikking gegrond is, dient verweerder het griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

[2] Artikel 1, eerste lid, van de Successiewet 1956 (tekst 2009).

[3] Artikel 2, derde lid, van de AWR (tekst 2009).

[4] Vgl. Hoge Raad 8 juli 1999, ECLI:NL:HR:1998:ZD6926.

[5] Hoge Raad 30 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9086.

[6] Zie overweging 6 onder c, d en e.

[7] Zie overweging 6 onder f en g.

[8] Zie overweging 6 onder b en overweging 7.

[9] ECLI:NL:HR:2016:252.

[10] Zie onderdeel C2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.”

4 Het geschil en conclusies van partijen

5 Beoordeling van het hoger beroep

6 Griffierecht en proceskosten

7 Beslissing