Gerechtshof Den Haag, 22-12-2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2500, 200.275.624-01
Gerechtshof Den Haag, 22-12-2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2500, 200.275.624-01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 22 december 2020
- Datum publicatie
- 12 januari 2021
- Annotator
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2500
- Formele relaties
- Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2020:895
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:1756, Bekrachtiging/bevestiging
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2022:378, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 200.275.624-01
Inhoudsindicatie
Belasting plicht, kort geding bij de civiele rechter. Bevel tot verstrekken van informatie aan de belastingdienst op straffe van een dwangsom. Art. 47 AWR, art. 52a AWR.
Uitspraak
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.275.624/01Rolnummer rechtbank : C/09/585947 / KG ZA 19/1257
in het kort geding van
1. [appellant],
wonende te [woonplaats] , en
2. [appellante],
wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna te noemen: [appellant] c.s.,
advocaat: mr. K.D. Smeele te Den Haag,
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst),
zetelend te Den Haag,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de Belastingdienst,
advocaat: mr. W.I. Wisman te Den Haag.
het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het dossier van de procedure voor de rechtbank Den Haag, eindigend met het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 18 februari 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:1756; hierna ook te noemen: het bestreden vonnis);
- de spoedappeldagvaarding en memorie van grieven van 16 maart 2020 tevens houdende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex art. 351 Rv;
- de memorie van antwoord tevens memorie van antwoord in het incident;
- het arrest in het incident van 19 mei 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:895);
- de akte na memorie van antwoord, met producties, van [appellant] c.s.;
- de antwoordakte van de Staat;
Op 4 december 2020 is de zaak mondeling met een videoverbinding voor het hof behandeld ter zitting. Ter gelegenheid daarvan hebben beide partijen een pleitnota overgelegd. Aan het slot is arrest bepaald.
de vaststaande feiten
De door de rechtbank in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal van die feiten uitgaan. Met in achtneming daarvan en van hetgeen verder in hoger beroep voorshands (in kort geding) tussen partijen is komen vast te staan, gaat het hof uit van het volgende.
[appellant] c.s. waren beiden tot en met maart 2008 als zelfstandig ondernemer werkzaam via hun eenmanszaken. Per 1 april 2008 hebben zij hun werkzaamheden voor hun eenmanszaken gestaakt en zijn zij als directie in dienst getreden bij [Limited I], een door hen naar het recht van Engeland en Wales opgerichte vennootschap. Deze vennootschap was onderdeel van een structuur van buitenlandse vennootschappen. Haar holdingmaatschappij was de door [appellant] c.s. opgerichte [holdingsmaatschappij]. Aandeelhouder van die holdingmaatschappij was [Limited I], een op Cyprus gevestigd en door Freemont Group opgericht ‘[naam]’.
Feitelijk bleven zowel [appellant] als [appellante] na 1 april 2008 via dezelfde tussenpersoon dezelfde werkzaamheden als vóór 1 april 2008 verrichten, in dezelfde functies voor dezelfde opdrachtgevers en tegen hetzelfde (en later een hoger) uurtarief. Zij hebben over de jaren vanaf 2008 aanmerkelijk lagere box 1-inkomens aangegeven dan daarvóór.
De structuur van buitenlandse vennootschappen is in 2014 ontmanteld en de verschillende vennootschappen zijn ontbonden. Nadat de structuur werd ontmanteld, zijn de activiteiten van [appellant] c.s. voortgezet via een op 23 september 2013 opgerichte vennootschap op [woonplaats] , Concertos Limited. [appellant] c.s. zijn per oktober 2013 uitgeschreven van hun woonadres in Nederland en ingeschreven op een adres op [woonplaats] .
Bij de Belastingdienst zijn op een gegeven moment vragen gerezen over de (rechtmatigheid van) de structuur, de inkomens van [appellant] c.s. en hun belastingaangiften. Op 26 maart 2016 is per e-mail voor de eerste maal aan [appellant] c.s. verzocht om contact op te nemen om enkele vragen te beantwoorden. Op 5 april 2016 zijn vragenbrieven aan [appellant] c.s. verstuurd met het verzoek om informatie over de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 – 2014. Bij brief van 8 september 2016, en ook in brieven daarna, heeft de Belastingdienst aan [appellant] c.s. gevraagd om informatie die deels betrekking had op de periode na vertrek naar [woonplaats] .
Op 22 november 2016 heeft de Belastingdienst aan [appellant] c.s. informatiebeschikkingen inkomstenbelasting (hierna: de informatiebeschikkingen) afgegeven over de jaren 2008 tot en met 2014. [appellant] c.s. hebben daartegen gemotiveerd bezwaar gemaakt. Na ongegrondverklaring van hun bezwaar zijn zij in beroep gegaan. De belastingrechter heeft nog geen uitspraak op het beroep gedaan.
In april 2019 (hangende voornoemde procedure over de informatiebeschikkingen) heeft de Belastingdienst via de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) stukken ontvangen met informatie over de geldstromen rondom de structuur van buitenlandse vennootschappen.
Bij brief van 16 september 2019 heeft de Belastingdienst [appellant] c.s. op de hoogte gesteld van zijn voornemen tot het opleggen van navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, inclusief vergrijpboete (hierna: de navorderingsaanslagen) over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012.
[appellant] c.s. hebben de Belastingdienst verzocht om de navorderingsaanslagen nog niet op te leggen totdat in de procedure over de informatiebeschikkingen onherroepelijk zou zijn beslist. De Belastingdienst heeft geweigerd aan dit verzoek te voldoen.
de vorderingen en grondslag
Bij dagvaarding van 3 januari 2020 hebben [appellant] c.s. in de onderhavige kortgedingprocedure (in conventie) gevorderd: een gebod aan de Belastingdienst om op straffe van een dwangsom na te laten navorderingsaanslagen op te leggen over 2008-2014, dan wel over 2008, 2009, 2011 en 2012, totdat de informatiebeschikkingen over diezelfde jaren onherroepelijk zijn.
Zij hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd (heel kort weergegeven): schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur en misbruik van bevoegdheid door de Belastingdienst en zij hebben aangevoerd dat aan [appellant] c.s. de rechterlijke toetsing van de informatiebeschikkingen, waaraan formele en materiële gebreken kleven, wordt onthouden als de navorderingsaanslagen worden opgelegd voordat de rechter over de informatiebeschikkingen heeft geoordeeld.
De Belastingdienst heeft de vordering bestreden en in reconventie gevorderd: een bevel aan [appellant] c.s. om binnen twee weken en op straffe van dwangsommen, volledig en onvoorwaardelijk de door de Belastingdienst gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken, waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend:
1. Informatie over werkzaamheden na de verhuizing naar Jersey die in dienstverband zijn verricht voor een werkgever:
a. gegevens van de werkgever/vennootschap;
b. kopie arbeidscontract;
2. Kopie van bankrekening-mutaties van alle door [appellant] c.s. gehouden buitenlandse bankrekeningen over 2013, 2014 en 2015, inclusief mutatie-overzichten van prepaid (credit)cards, waaronder ten minste de Caxton card;
3. Kopieën van de mutaties op de American Expres kaart van [appellant] c.s. in de periode van 2011 tot en met 2015;
4. Kopieën van alle communicatie, inclusief onderliggende documentatie, met BB Mangement Consultants Ltd. (Cyprus) en de heer [appellant] resp. mevrouw [appellante] , in welke hoedanigheid dan ook, met uitzondering van de reeds aangeleverde leningsovereenkomsten en dividendbesluiten van BB Mangement Consultants NL Ltd. en BB Management Consultants NL Holding Ltd. waar de Belastingdienst reeds over beschikt;
5. Kopieën van alle communicatie, inclusief onderliggende documentatie met (vertegenwoordigers van) de aanbieder c.q. facilitator van de structuur, zoals Freemont, Paritax, SBS7 en de heer [appellant] resp. mevrouw [appellante] , in welke hoedanigheid dan ook, specifiek over:
a. het aangaan van de structuur in 2008, inclusief het oprichten van de structuur, de oprichting van de entiteiten en de “verkoop” van de aandelen van de in Nederland ingeschreven entiteiten;
b. de betaling van de jaarlijkse fee’s;
c. de dividenden en “giften”/schenkingen;
d. het aangaan van de leningen, rentebetalingen en kwijtschelding van de leningen;
e. de omzetting van de structuur rondom 2009/2010;
f. de ontbinding van de structuur en financiële afwikkeling, met uitzondering van de reeds aangeleverde leningsovereenkomsten en dividendbesluiten van BB Management Consultants NL Ltd. en BB Management Consultants NL Holding Ltd.
De Belastingdienst heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd (kort samengevat), dat hij sinds 2016 heeft geprobeerd om de relevante informatie over de door [appellant] c.s gehanteerde structuur boven tafel te krijgen. Een deel van die informatie hebben [appellant] c.s. inmiddels verstrekt, maar de onder 3.3 genoemde informatie hebben zij geweigerd te geven. Die informatie kan van belang zijn voor de belastingheffing. [appellant] c.s. zijn op grond van artikel 47 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) verplicht om die informatie te verstrekken. De Belastingdienst heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen, aldus de Belastingdienst.
[appellant] c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Waar dit verweer in hoger beroep is herhaald, gaat het hof daarop hierna in bij de beoordeling van het hoger beroep.