Home

Gerechtshof Den Haag, 05-06-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1639, BK-23/42

Gerechtshof Den Haag, 05-06-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1639, BK-23/42

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
5 juni 2024
Datum publicatie
21 oktober 2024
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:1639
Formele relaties
Zaaknummer
BK-23/42
Relevante informatie
Art. 110 VWEU

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag bpm. VWEU. Handelsinkoopwaarde. Koerslijst Eurotaxglass’s. Toepassing correctiefactoren ‘markt- en dealersituatie’. Bevoegdheid van de nationale rechters om het Unierecht uit te leggen. Geen verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen. Het vooraf heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Geen recht op integrale proceskostenvergoeding.

Uitspraak

Team Belastingrecht

enkelvoudige kamer

nummer BK-23/42

in het geding tussen:

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 december 2022, nummer SGR 21/6280.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 3.473 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 146 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de naheffingsaanslag gedeeltelijk toegewezen, de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.683 en de in rekening gebrachte belastingrente evenredig verminderd tot € 124. Voorts heeft de Inspecteur aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend van € 530.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is € 181 griffierecht geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 759;

- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 181 aan eiser te vergoeden;

- bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 274 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een pleitnota en een nader stuk ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 februari 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 2.006 aan Bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Mercedes-Benz Vito Tourer 116 BT Pro (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 14 maart 2017.

2.2.

In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] . Rekening houdend met een waardevermindering wegens schade is de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald op € 7.310.

2.3.

De Inspecteur heeft een bedrag van € 3.473 aan Bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 16 juli 2018. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 68.722 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 34.582 (Eurotax XchangeNet). DRZ heeft geen schade in aanmerking genomen. In het rapport staat onder meer:

“Aan het voertuig ontbreken veel onderdelen aan de voor en achterzijde, tevens

zijn veel kostbare onderdelen in het interieur gedemonteerd.

Het is ook zeer opmerkelijk dat het voertuig in deze staat een goedkeuring bij de

RDW heeft gekregen zonder een eventuele WOK vermelding. Dit zou wel te

verwachten zijn aangezien er zeer scherpe en uitstekende delen aan de voorzijde

zitten. Ook het feit dat de RDW geen foto's van het voertuig heeft vastgelegd zou

impliceren dat het voertuig schadevrij is aangeboden.

Verder is opmerkelijk dat de RDW en de taxateur van de aangever een

kilometerstand hebben genoteert, bij de controle bij DRZ is er geen kilometerstand

af te lezen omdat het tellerpaneel ontbreekt.

Op basis van deze bevindingen hebben wij geen waardevermindering toegekend.”

2.4.

De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de naheffingsaanslag een vermindering van € 13.618 toegepast in verband met de aanschaf en herstelwerkzaamheden voor de ontbrekende onderdelen van de auto, zoals opgenomen in het taxatierapport van belanghebbende, en de handelsinkoopwaarde vastgesteld op € 20.964.

2.5.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de handelsinkoopwaarde vastgesteld op € 17.865, de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.683 en de in rekening gebrachte belastingrente evenredig verminderd tot € 124.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“5. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en naar een juist bedrag is opgelegd.

6. Eiser stelt dat de rechtbank niet bevoegd is het Unierecht uit te leggen zodat – mocht de rechtbank overwegen ten nadele van eiser te beslissen – de rechtbank eerst prejudiciële vragen moet stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.

7. Eiser stelt dat naheffen na het belastbaar feit in strijd is met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), omdat binnenlandse gebruikte voertuigen van een dergelijke belasting/modaliteit zijn uitgesloten. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De Bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 VWEU.

8. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor expliciet uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit het door eiser aangehaalde artikel 47 van het Handvest. Verweerder heeft eiser bij brief van 19 november 2019 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoe hoog die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder gehandeld overeenkomstig het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel.

9. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling) staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. Dat betekent dat verweerder mag en kan kiezen voor de onder het Ministerie van Financiën vallende DRZ. De door eiser aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels leidt niet tot een ander oordeel.

10. Het is aan eiser om de schade aannemelijk te maken én dat de volledige schadecalculatie in aftrek moet worden gebracht op de handelsinkoopwaarde. Met het rapport van DRZ heeft verweerder de conclusies uit het taxatierapport voldoende gemotiveerd weersproken. Het taxatierapport bevat verder geen informatie over de reden waarom in dit geval, in afwijking van het uitgangspunt zoals verwoord in artikel 8, lid 4, letter b, en bijlage I van de Uitvoeringsregeling, zou moeten worden uitgegaan van een hoger percentage dan 72. Ook overigens heeft eiser daarvoor geen argumenten aangedragen. De enkele algemene stelling dat uit het Unierecht volgt dat 100% in aftrek moet worden toegelaten, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank stelt overigens vast dat in het taxatierapport ook niet is uitgegaan van 100% aftrek.

11. Eiser heeft pas in een kort voor de zitting ingediende pleitnota gesteld dat, anders dan de 10% vermindering waar hij in bezwaar om heeft gevraagd en die bij de uitspraak op bezwaar is toegekend, een vermindering van 15% op de Eurotaxglass’s-handelsinkoopwaarde zou moeten plaatsvinden. Hij heeft dit niet nader gemotiveerd zodat de rechtbank geen aanleiding ziet eiser in deze stelling te volgen.[2]

12. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

14. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is op 11 maart 2020 door verweerder ontvangen en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 2 september 2021. De uitspraak van de rechtbank is op 21 december 2022 gedaan, zodat de bezwaar- en beroepsfase ruim twee jaar en negen maanden heeft geduurd. Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000. Aangezien de termijnoverschrijding geheel moet worden toegerekend aan de bezwaarfase dient verweerder deze schade te vergoeden.

15. Nu aan eiser een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor van 0,5 omdat de kostenvergoeding uitsluitend wordt toegekend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een integrale proceskostenvergoeding. Het standpunt van eiser dat aan artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een hogere vergoeding kan worden ontleend, vindt geen steun in het recht. Het HvJ EU heeft nergens gezegd dat in een geschil dat wordt beheerst door het Unierecht, altijd en overal de volledige proceskosten moeten worden vergoed. Eiser heeft ook niet gesteld dat door de proceskosten het haar onmogelijk of uiterst moeilijk is gemaakt om een beroep te doen op het Unierecht.

16. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank tevens aanleiding het betaalde griffierecht aan eiser te laten vergoeden. De stelling van eiser dat de hoogte van het griffierecht moet worden afgestemd op de hoogte van de onderliggende vordering, behoeft daarom geen behandeling. Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding op grond van het nationale recht. Ook het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente.[3] De rechtbank honoreert die aanspraak wel in zoverre dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht niet aan eiser wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak. Dit heeft ook te gelden voor de overige op grond van deze uitspraak aan eiser te betalen vergoedingen.

(…)

[2] Zie Gerechtshof Den Haag 22 december 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2638

[3] vgl. Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing