Home

Gerechtshof Den Haag, 09-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:216, BK-24/465

Gerechtshof Den Haag, 09-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:216, BK-24/465

cassatie ingesteld (rolnr HR: 25/00752)

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
9 januari 2025
Datum publicatie
5 maart 2025
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2025:216
Zaaknummer
BK-24/465
Relevante informatie
Art. 225 Gemw, Art. 234 Gemw

Inhoudsindicatie

Kosten naheffingsaanslag parkeerbelasting. Art. 234, lid 5 en lid 6 van de Gemeentewet en art. 2 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen. De kostenraming voldoet aan de gestelde eisen. De Heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de betwiste kostenposten meer dan slechts zijdelings verband houden met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-24/465

in het geding tussen:

(gemachtigde: I.N.D.J. Rissema)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 maart 2024, nummer SGR 23/300.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Den Haag opgelegd ten bedrage van € 70,50 bestaande uit € 4 aan parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten van de naheffingsaanslag.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 138. Op 10 mei 2024 heeft belanghebbende de gronden van het hoger beroep aangevuld. Op 25 oktober 2024 heeft de Heffingsambtenaar, daartoe uitgenodigd door het Hof, een nader stuk ingediend, waarbij een gedetailleerde kostenraming is overgelegd. Op 6 november 2024 heeft belanghebbende gereageerd op dit nadere stuk.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 12 november 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Op 22 september 2022 om 17:01 uur stond de auto van belanghebbende met kenteken [kenteken] (de auto) geparkeerd ter hoogte van de [adres] te [woonplaats] . Deze locatie is door burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag aangewezen als een plaats waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting of met een geldige parkeervergunning mag worden geparkeerd. Tijdens een controle op het genoemde tijdstip is door de parkeercontroleur geconstateerd dat de auto zonder geldige parkeervergunning geparkeerd stond en dat ook geen parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding daarvan heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd.

2.2.

De kostenraming 2022 ter zake van de bij de naheffingsaanslagen in rekening te brengen kosten van de gemeente is onderverdeeld conform artikel 2, lid 1, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (het Besluit), namelijk als volgt:

A. vaste informatieverwerkingskosten;

B. variabele informatieverwerkingskosten;

C/D. kosten van afschrijving en interest;

E. personeelskosten;

F. overheadkosten.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“5. Uit artikel 3 van het Besluit volgt dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties jaarlijks voor 1 september in de Staatscourant bekendmaakt hoe hoog de kosten die in rekening worden gebracht bij het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting maximaal mogen zijn. Dit maximale bedrag geldt voor het daaropvolgende kalenderjaar. De rechtbank stelt vast dat de Minister dit bedrag op 13 september 2021 in de Staatscourant bekend heeft gemaakt voor het jaar 2022.

6. Op grond van artikel 139 van de Gemeentewet verbinden besluiten die algemeen verbindende voorschriften zijn, alleen wanneer ze zijn bekendgemaakt in het gemeenteblad. De Verordening is op 4 november 2021 vastgesteld en op 23 december 2021 bekendgemaakt.[1] Nu de Verordening is vastgesteld na de bekendmaking van de maximale naheffingskosten in de Staatscourant, is in zoverre de Verordening dus niet onverbindend en is het beroep in zoverre ongegrond. Vast staat dat het in artikel 5:10 van de Verordening vermelde kostenbedrag voor de naheffingsaanslag in overeenstemming is met het op grond van het Besluit aangepaste maximumbedrag van € 66,50. Conform het oordeel van het Gerechtshof Den Haag in haar uitspraak van 20 september 2023[2] heeft de omstandigheid dat het bedrag op 13 september 2021 bekend is gemaakt niet tot gevolg dat de Verordening op dit punt in strijd is met artikel 3, lid 2, van het Besluit en om die reden onverbindend zou zijn.

Kosten naheffingsaanslag

7. Het standpunt van eiseres dat verweerder bij het vaststellen van de kosten van de naheffingsaanslag in strijd met artikel 2 van het Besluit heeft gehandeld kan, gelet op de voornoemde uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, evenmin slagen. Verweerder heeft verklaard dat de huidige parkeerautomaten niet slechts zijn ingericht om de parkeerbelasting dagelijks te innen, maar dat het tegenwoordig technologisch geavanceerde apparaten zijn die in een rechtstreekse verbinding staan met de centrale systemen waar kentekens van auto’s worden geregistreerd, zodat de parkeercontrole met behulp van scanauto’s kan plaatsvinden. Daarmee is aannemelijk gemaakt dat de kosten van de huidige parkeerautomaten dusdanig samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen dat zij tot de vaste informatieverwerkingskosten behoren zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit.

8. Anders dan eiseres stelt, mag verweerder bij de vaststelling van de naheffingskosten uitgaan van een raming van de netto-baten van de opgelegde naheffingsaanslagen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 oktober 2001[3] geoordeeld dat bij de raming van de baten rekening mag worden gehouden met bedragen die naar verwachting niet inbaar zullen zijn.

9. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

[1] Gemeenteblad 23 december 2021, nr. 470965.

[2] ECLI:NL:GHDHA:2023:2043, rechtsoverweging 5.10.

[3] ECLI:NL:HR:2001:AD4849.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing