Gerechtshof Den Haag, 16-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:80, BK-23/852
Gerechtshof Den Haag, 16-01-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:80, BK-23/852
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 16 januari 2025
- Datum publicatie
- 17 februari 2025
- Annotator
- Zaaknummer
- BK-23/852
- Relevante informatie
- Art. 9 BPM, Art. 10 BPM, Art. 6:119 BW, Art. 110 VWEU, Art. 267 VWEU
Inhoudsindicatie
Wet bpm. VWEU. Voldoening op aangifte. Bevoegdheid van de nationale rechters om het Unierecht uit te leggen. Geen verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen. Het vooraf heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Vergoeding immateriële schade. Hoogte proceskosten. Vergoeding wettelijke rente.
Uitspraak
Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-23/852
in het geding tussen:
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 20 juli 2023, nummer SGR 22/3215.
Procesverloop
Belanghebbende heeft op aangifte belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) voldaan.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het op aangifte voldane bedrag. De Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep in gesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om toekenning van vergoeding immateriële schade afgewezen.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 548. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 8 maart 2024, 30 maart 2024 (recente machtiging), 21 oktober 2024 en 12 november 2024 nadere stukken ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgevonden in Den Haag op 5 december 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 8.372 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Toyota Yaris 1.6 GR Premium (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 18 november 2020.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Bewijslast
5. Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017 [1], 17 januari 2020 [2] en 15 juli 2022 [3], volgt dat op de belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de door hem op aangifte voldane Bpm, de plicht rust om feiten te stellen en, zo nodig, aannemelijk te maken die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. De enkele stelling dat de nationale wettelijke bepalingen in strijd zijn met het Unierecht, is daarvoor onvoldoende.
CO2-uitstoot
6. Eiseres heeft gesteld dat de CO2-uitstoot voor de berekening van de bruto Bpm moet worden verminderd met 50 gram per kilometer omdat bij de voldoening op aangifte ten onrechte is uitgegaan van de CO2-uitstoot die volgt uit de WLTP-methode. Ter zitting heeft zij hierover desgevraagd toegelicht dat onderzoek heeft uitgewezen dat voor een Mercedes 63 AMG een verschil in CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer bestaat tussen de WLTP-methode en de NEDC-methode. De rechtbank volgt eiseres hierin niet, reeds omdat een Mercedes 63 AMG een ander merk en type auto is dan de onderhavige Toyota GR Yaris. Dit zijn in de zin van artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) geen vergelijkbare auto’s. Daar komt bij dat verweerder ter zitting heeft weersproken dat een dergelijk verschil van 50 gram per kilometer is bewezen. De rechtbank ziet in deze enkele stelling dan ook geen aanleiding van een lagere uitstoot uit te gaan dan eiseres in de aangifte heeft vermeld.
Ex-rental
7. Eiseres stelt dat moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een verhuurverleden (ex-rental) en dat daarom de verschuldigde belasting moet worden verminderd met 10%. Het zijn van een ex-rental is echter een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental auto bevindt zich ten opzichte van ex-rental auto’s dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het Europese Hof van Justitie (HvJ EU) van 19 december 2013 [4]. Eiseres heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat de hier in geding zijnde auto geen ex-rental is. Er is dan ook geen aanleiding desalniettemin uit te gaan van een referentievoertuig met een verhuurverleden. [5]
Verzoek prejudiciële vragen
8. Eiseres betoogt dat alleen het HvJ EU bevoegd is het Unierecht uit te leggen en dat de rechtbank daarom prejudiciële vragen moet stellen aan het HvJ EU. Het betoog van eiseres houdt in de kern in dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is het Unierecht zelf uit te leggen en toe te passen. Dit is onjuist. Tegen beslissingen van de rechtbank staat hoger beroep en vervolgens beroep in cassatie open. Op basis van artikel 267, onderdeel b, van het VWEU, is de rechtbank daarom wel bevoegd maar niet verplicht prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJ EU. De rechtbank ziet in al hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
Vergoeding voor immateriële schade
10. ( De gemachtigde van) eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade omdat de redelijke termijn is overschreden. Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 19 maart 2021 en de uitspraak van de rechtbank is van 20 juli 2023. Daarmee is de redelijke termijn overschreden met (afgerond naar boven) vijf maanden. Namens eiseres is een machtiging getekend waarin zij ermee instemt dat onder meer een eventuele immateriële schadevergoeding rechtstreeks door de gemachtigde in ontvangst wordt genomen en op zijn rekening wordt overgemaakt. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting verklaard dat, voor zover deze vergoeding (vanwege verrekening of anderszins) toch naar eiseres wordt overgemaakt, eiseres uit hoofde van de machtiging verplicht is de vergoeding over te maken naar de gemachtigde. Hieruit maakt de rechtbank op dat eiseres niet persoonlijk gecompenseerd wordt voor veronderstelde spanning en frustratie. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om te volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en geen compensatie in de vorm van schadevergoeding toe te kennen.
11. Nu het beroep ongegrond is verklaard, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.
[1] ECLI:NL:HR:2017:847.
[2] ECLI:NL:HR:2020:63.
[3] ECLI:NL:HR:2022:1087.
[4] ECLI:EU:C:2013:857.
[5] zie ook Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331.”