Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13-12-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:4171, 23/00299 en 23/00300

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13-12-2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:4171, 23/00299 en 23/00300

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13 december 2023
Datum publicatie
29 februari 2024
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2023:4171
Formele relaties
Zaaknummer
23/00299 en 23/00300
Relevante informatie
Art. 43 Zvw, Art. 27e AWR, Art. 47 AWR, Art. 8:42 Awb

Inhoudsindicatie

De aangifte 2015 van belanghebbende vermeldt een negatief belastbaar inkomen. De inspecteur stelt ter zake vragen die belanghebbende onvoldoende beantwoordt. De inspecteur corrigeert daarop eur. 50.000 extra belastbaar inkomen. Het hof is van oordeel dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, dat de inspecteur een redelijke schatting van het extra belastbaar inkomen heeft gemaakt, dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en dat van enige uitsluiting van bewijs geen sprake kan zijn.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 23/00299 en 23/00300

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 september 2022, nummers BRE 21/1261 en 21/1262, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 77.757 (hierna: de aanslag IB/PVV) en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet naar het maximum bijdrage-inkomen van € 51.976 (hierna: de aanslag Zvw). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslagen IB/PVV en Zvw heeft de inspecteur middels beschikkingen belastingrente in rekening gebracht (hierna: de rentebeschikkingen). Tenslotte heeft de inspecteur aan belanghebbende bij beschikking een verzuimboete van € 369 opgelegd (hierna: de boetebeschikking).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw, de rentebeschikkingen en de verzuimboete bezwaar aangetekend. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag IB/PVV verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.757 en de bijbehorende rentebeschikking dienovereenkomstig verminderd. De inspecteur heeft in hetzelfde geschrift de boetebeschikking en de aanslag Zvw met bijbehorende rentebeschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard, de verzuimboete verminderd tot € 313, de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.524, de minister van Justitie en Veiligheid veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 476 en de minister en de inspecteur gelast – elk voor 50% – het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Tegelijkertijd heeft belanghebbende een verzoek om versnelde behandeling/voorlopige voorziening ingediend bij het hof (hierna: het verzoek).

De inspecteur heeft gereageerd op het verzoek. Belanghebbende heeft in het kader van de behandeling van het verzoek door het hof nadere stukken overgelegd. Het verzoek is op de regiezitting van het hof van 16 november 2022 (inzake de bodemzaak alsmede het verzoek om een voorlopige voorziening) behandeld en hierbij is belanghebbende door het hof gevraagd betreffende de bodemzaak nadere stukken over te leggen.

1.5.

Belanghebbende heeft nadere stukken overgelegd die door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij zijn gezonden. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Met dagtekening 5 april 2023 heeft het hof uitspraak gedaan op het verzoek van belanghebbende tot toekenning van een voorlopige voorziening.

1.7.

Belanghebbende heeft op 1 mei 2023 nadere stukken overgelegd die door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij zijn gezonden.

1.8.

De zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2023 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen en gehoord belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.9.

Belanghebbende heeft op deze zitting een pleitnota overgelegd aan het hof en aan de wederpartij en daarna voorgedragen.

1.10.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is vanaf 14 maart 2003 enig aandeelhouder van [BV 1] (hierna: de BV). De BV had sinds 24 september 2012 een 100% deelneming in [BV 2] is per [datum] 2015 failliet verklaard.

2.2.

[BV 2] hield zich bezig met het beheer en onderhoud van drinkwaterinstallaties en technische advisering. [BV 1] is verwikkeld (geweest) in een aantal civielrechtelijke procedures tegen de (voormalig) aandeelhouders van (dochtermaatschappijen van) [BV 2] en de accountant van deze aandeelhouders. [BV 1] is daarin bijgestaan door een tweetal advocaten. Uit door belanghebbende overgelegde, op naam van [BV 1] gestelde, facturen blijkt dat de advocaatkosten in totaal in 2015 € 121.513 bedroegen. Genoemde procedures hebben geleid tot (voorschotten op) schadevergoedingen ter grootte van in totaal € 160.320 die zijn uitbetaald op de bankrekening derdengelden van één van de advocaten. Van laatstgenoemd bedrag is in totaal een bedrag van € 71.490 direct verrekend met facturen van de advocaat. Het restant van € 88.830 is door de advocaat vanaf zijn bankrekening derdengelden overgeboekt naar een bankrekening ten name van een vennootschap van [de zoon] , de zoon van belanghebbende (hierna: de zoon).

2.3.

Belanghebbende is bij brief van de inspecteur van 28 februari 2016 uitgenodigd tot het – uiterlijk op 30 april 2016 – doen van aangifte IB/PVV over 2015 (hierna: de aangifte). Met dagtekening 14 juni 2016 heeft de inspecteur belanghebbende een herinnering en met dagtekening 29 juli 2016 een aanmaning tot het doen van de aangifte IB/PVV gestuurd. Belanghebbende is daarbij in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 28 juni 2016 (herinnering) en 12 augustus 2016 (aanmaning) de aangifte in te sturen. De aangifte is door de inspecteur op 31 augustus 2016 ontvangen en vermeldt een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 42.243, bestaande uit inkomsten uit vroegere dienstbetrekking van € 4.575, een eigenwoningforfait van € 5.182 – gebaseerd op een eigen woning met een woz-waarde van € 691.000 – en een aftrek hypotheekrente van € 52.000 gerelateerd aan een eigenwoningschuld van € 1.000.000.

2.4.

Naar aanleiding van de aangifte heeft de inspecteur aan belanghebbende op 30 juli 2018 de volgende vragen gesteld:

-

Hoe heeft belanghebbende in 2015 in zijn levensonderhoud voorzien?

-

Waarvan heeft belanghebbende de hypotheekrente over 2015 betaald?

Belanghebbende heeft deze vragen – ook na een herinnering van de inspecteur – niet beantwoord. Daarop heeft de inspecteur met dagtekening 26 oktober 2018 de aanslag IB/PVV vastgesteld rekening houdend met een extra inkomen uit werk en woning groot € 120.000.

2.5.

In zijn bezwaarschrift tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2015 heeft belanghebbende gesteld dat hij in 2015 geen belastbare inkomsten heeft genoten. Na het horen in bezwaar is de in onderdeel 2.4 bedoelde correctie over 2015 in de uitspraken op bezwaar teruggebracht tot € 50.000 extra inkomen (waarbij het bijdrage-inkomen niet beneden het maximum bedrag aan bijdrage-inkomen uitkomt).

2.6.1.

De inspecteur heeft in beroep voor 2015 met betrekking tot belanghebbendes privépositie de volgende kasopstelling overgelegd:

Uitgaven:

Advocaatkosten

€ 121.513

Hypotheekrente

€ 52.000

Terugbetaling geleend geld derden

p.m.

Overige uitgaven

€ 36.000

€ 209.513

Ontvangsten:

Voorschot schadevergoeding civiele procedures

€ 0

Kostenvergoeding civiele procedures

€ 0

Terugontvangen van Belastingdienst

€ 18.530

Geleend van bv van de zoon

€ 23.101

Interen op banksaldi

€ 11.335

Pensioen/lijfrente (netto)

€ 2.900

€ 57.882

Tekort

€ 151.631

2.6.2.

Belanghebbende heeft in hoger beroep de volgende opstelling van zijn inkomsten in 2015 overgelegd:

Omschrijving

Bedrag in EUR

Betalingen op bankrekening door (BV van) zoon

21.682,00

Creditcard t.b.v. auto

17.766,07

[BV 1]

3.150,00

Creditcard overig

2.590,00

Voorschieten hypotheek

8.666,66

Banktegoed [belanghebbende]

10.540,53

Teruggave belastingen

18.530,00

Lijfrente [NV]

2.698,96

Totaal

85.624,22

Uit de bijgevoegde bescheiden blijkt dat de bedragen met de omschrijvingen ‘Creditcard t.b.v. auto’, ‘creditcard overig’ en ‘ [BV 1] ’ zijn betaald (door middel van creditcards) vanaf bankrekeningen die op naam staan van de zoon van belanghebbende dan wel de BV van de zoon.

2.7.

Uit renseignementen van bancaire instellingen zijn de volgende banksaldi van belanghebbende en zijn fiscaal partner gebleken:

Belanghebbende

Fiscaal partner

2011

€ 4.954

€ 1.018

2012

€ 6.948

€ 3.232

2013

€ 810

€ 600

2014

€ 10.594

€ 1.057

2015

€ 51

€ 265

2016

€ 5.989

€ 6.025

2.8.

Uit door belanghebbende in (hoger) beroep overgelegde stukken blijkt dat de zoon en diens vennootschap vanaf bankrekeningen op hun naam, in 2015 in totaal € 21.682 hebben overgeboekt op een bankrekening ten name van belanghebbende. Ook is daaruit gebleken dat de vennootschap van de zoon in februari 2015 € 8.667 heeft overgeboekt naar Nationale Nederlanden in verband met de eigenwoningschuld van belanghebbende, dat belanghebbende en zijn echtgenote in november 2015 € 18.530 hebben terugontvangen van de belastingdienst, in 2015 ca. € 11.335 zijn ingeteerd op hun banksaldo en in 2015 ca. € 2.700 lijfrente-uitkering hebben genoten. Tenslotte heeft belanghebbende verklaard in 2015 – naast de kosten betreffende de hypotheek – maandelijks ca. € 3.000 nodig te hebben gehad voor zijn kosten van levensonderhoud.

2.9.

Belanghebbende heeft geen afschriften overgelegd van een of meerdere bankrekening(en) op zijn naam noch op naam van zijn partner, waaruit zijn/hun inkomsten blijken.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

In hoger beroep is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is de bewijslast terecht omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte IB/PVV/Zvw 2015 heeft gedaan?

  2. Heeft de inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen IB/PVV en Zvw terecht extra inkomsten (uit werk en woning) in aanmerking genomen?

  3. Is de aanslag Zvw – met bijbehorende rentebeschikking – terecht en zo ja, tot het juiste bedrag aan belanghebbende opgelegd?

  4. Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

  5. Is er sprake van bewijsuitsluiting doordat belanghebbende in de bezwaarfase door de inspecteur op het verkeerde been is gezet?

  6. Heeft belanghebbende recht op een voorschotbetaling?

3.2.

Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat de verzuimboete, het lage tarief van de inkomensafhankelijke premie Zvw en de verschuldigdheid van een dwangsom wegens het te laat doen van uitspraak op bezwaar niet (meer) in geschil zijn en heeft hij zijn stelling(en) betreffende verrekening van loonheffingen met de aanslag IB/PVV 2015 ingetrokken. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat haar beroep op interne compensatie aldus moet worden begrepen dat als de inkomenscorrectie niet als resultaat overige werkzaamheid gekwalificeerd kan worden, deze als loon uit dienstbetrekking moet worden gekwalificeerd en als dat niet kan, als dividenduitdeling.

3.3.

Belanghebbende beantwoordt de vragen a tot en met d ontkennend en de vragen e en f bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en uitspraken op bezwaar, vermindering van de aanslag IB/PVV tot een naar een verzamelinkomen van negatief € 42.243 en vernietiging van de aanslag Zvw en de bijbehorende rentebeschikking. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing