Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-10-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3079, 23/195 tot en met 23/203, 23/124 tot en met 23/126 en 23/130

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-10-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3079, 23/195 tot en met 23/203, 23/124 tot en met 23/126 en 23/130

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
2 oktober 2024
Datum publicatie
6 februari 2025
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2024:3079
Formele relaties
Zaaknummer
23/195 tot en met 23/203, 23/124 tot en met 23/126 en 23/130
Relevante informatie
Art. 3.154 Wet IB 2001, Art. 3:2 Awb, Art. 4:17 Awb, Art. 4:18 Awb, Art. 6:22 Awb, Art. 7:2 Awb, Art. 8:42 Awb, Art. 8:113 Awb, Art. 26 AWR, Art. 14 EVRM, Art. 1 EP EVRM

Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting, box-3 heffing, hoorplicht, compromis. Belanghebbende is het niet eens met de aan hem opgelegde IB-aanslagen 2014 - 2020. Zijn klachten zien onder andere op de omvang van de box-3 heffing, schending van zijn hoorrecht en bevoegdheid van de rechtbank. Ook meent belanghebbende recht te hebben op een schadevergoeding.

Het hof oordeelt dat de uitspraak van de rechtbank is gedaan door een bevoegde rechter. De door belanghebbende bestreden uitspraak heeft derhalve rechtskracht. Het hof is voorts van oordeel dat de inspecteur de hoorplicht heeft geschonden, alvorens uitspraak op bezwaar te doen op de bezwaarschriften tegen de aanslagen IB/PVV 2014 tot en met 2016. Het hof wijst de zaken met betrekking tot deze jaren terug naar de inspecteur met de opdracht belanghebbende alsnog volgens de regels te horen en opnieuw uitspraken op bezwaar te doen. Daarbij heeft het hof met toepassing van artikel 8:113, lid 2, Awb bepaalt dat belanghebbende, indien hij beroep tegen de nieuwe uitspraken op bezwaar instelt, zulks bij het hof dient te doen (de judiciële lus).

Het hof is verder van oordeel dat geen allesomvattend compromis tussen partijen is bereikt tijdens de zitting bij de rechtbank. Het hof volgt de stelling van belanghebbende derhalve niet dat de inspecteur niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Ten aanzien van de box-3 heffing voor de jaren 2017 – 2020 bevestigt het hof de uitspraak van de rechtbank.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 23/195 tot en met 23/203, 23/124 tot en met 23/126 en 23/130

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

tegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 22 december 2022, nummers BRE 20/6194, BRE 20/6195, BRE 20/6196, BRE 21/821, BRE 21/822, BRE 21/823, BRE 21/824, BRE 21/3783, BRE 21/5287 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2014, de aanslag IB/PVV 2015, de aanslag IB/PVV 2016, de aanslag IB/PVV 2017, de aanslag IB/PVV 2018, de aanslag IB/PVV 2019 en de aanslag IB/PVV 2020 opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft in afzonderlijke geschriften bezwaar gemaakt tegen de onder 1.1 vermelde aanslagen. De inspecteur heeft eveneens in afzonderlijke geschriften uitspraak op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard. De bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV over de jaren 2017 tot en met 2020 zijn tevens opgenomen in een massaal bezwaarprocedure, voor zover de bezwaren zien op de vraag of de box 3-heffing op regelniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (artikel 1 EP bij het EVRM) en artikel 14 van het EVRM.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft de beroepen deels gegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het hof heeft de hierna volgende nummers aan het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de inspecteur toegekend:

Nummer hof

Nummer rechtbank

Betreft

Hoger beroep door

23/195

20/6194

IB/PVV 2014

Belanghebbende

23/196

20/6195

IB/PVV 2015

Belanghebbende

23/197

20/6196

IB/PVV 2016

Belanghebbende

23/198

21/821

IB/PVV 2018

Belanghebbende

23/199

21/822

IB/PVV 2017

Belanghebbende

23/200

21/823

Niet nemen dwangsombeschikking 2017

Belanghebbende

23/201

21/824

Niet nemen dwangsombeschikking 2018

Belanghebbende

23/202

21/3783

IB/PVV 2019

Belanghebbende

23/203

21/5287

IB/PVV 2020

Belanghebbende

23/124

21/821

IB/PVV 2018

Inspecteur

23/125

21/822

IB/PVV 2017

Inspecteur

23/126

21/3783

IB/PVV 2019

Inspecteur

23/130

21/5287

IB/PVV 2020

Inspecteur

1.7.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.

1.8.

De zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.9.

Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.

1.10.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.11.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

1.12.

Belanghebbende heeft op 13 juni 2024 en 15 september 2024, na sluiting van het onderzoek, een brief naar het hof gestuurd met een verzoek om heropening. Het hof heeft die verzoeken op de hierna onder 4.1 genoemde gronden afgewezen.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende, geboren op [geboortedatum 1] 1971, is heel de periode 2014 tot en met 2020 gehuwd met mevrouw [de vrouw] , geboren op [geboortedatum 2] 1971. Zij worden voor de belastingwetgeving als fiscaal partners aangemerkt.

2.2.

Belanghebbende en de fiscaal partner hebben in de periode 2014 tot en met 2020 drie minderjarige kinderen. Het vermogen van deze kinderen is aan belanghebbende en de fiscaal partner toegerekend.

2.3.

Belanghebbende genoot in de onderhavige jaren winst uit onderneming. Zijn winst (voor ondernemersaftrek) bedraagt volgens zijn aangiften IB/PVV:

2014

[bedrag]

2015

[bedrag]

2016

[bedrag]

2017

[bedrag]

2018

[bedrag]

2019

[bedrag]

2020

[bedrag]

2.4.

De partner van belanghebbende genoot in de onderhavige jaren inkomsten uit dienstbetrekking ten bedrage van:

2014

[bedrag]

2015

[bedrag]

2016

[bedrag]

2017

[bedrag]

2018

[bedrag]

2019

[bedrag]

2020

[bedrag]

2.5.

Belanghebbende en zijn partner beschikten in de jaren 2014 tot en met 2020 over een eigen woning, waarbij in alle onderhavige jaren de eigenwoningschuld lager is dan de WOZ-waarde.

2.6.

De grondslag sparen en beleggen voor belanghebbende en zijn partner tezamen is als volgt vastgesteld:1

Totaal bezittingen

Bezittingen na heffingsvrij vermogen

Aandeel belanghebbende

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Verschuldigde IB box 3

2014

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

2015

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

2016

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

2017

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

2018

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

2019

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

2020

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

[bedrag]

2.7.

Tijdens het onderzoek ter zitting bij de rechtbank zijn partijen overeengekomen dat het werkelijk rendement van het vermogen van belanghebbende en zijn partner tezamen over de jaren 2017 tot en met 2020 het volgende bedraagt:2

2017

[bedrag]

2018

[bedrag]

2019

[bedrag]

2020

[bedrag]

2.8.

Het tegen de aanslag IB/PVV 2017 gerichte bezwaarschrift is door belanghebbende digitaal ingediend op 9 september 2019. Met dagtekening 30 november 2020 heeft belanghebbende een aanvulling op het bezwaarschrift gestuurd, inclusief een ingebrekestelling. Met dagtekening 16 februari 2021 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaarschrift gedaan tegen de aanslag IB/PVV 2017. Op 17 februari 2021 heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet (tijdig) nemen van een dwangsombeschikking over 2017. Op 26 februari 2021 heeft de inspecteur een afwijzend besluit genomen op het verzoek een dwangsom uit te betalen (hierna: de dwangsombeschikking 2017).

2.9.

Het tegen de aanslag IB/PVV 2018 gerichte bezwaarschrift is door belanghebbende digitaal ingediend op 9 juli 2020. Met dagtekening 23 november 2020 belanghebbende een aanvulling gestuurd op het bezwaarschrift, inclusief een ingebrekestelling. Met dagtekening 15 januari 2021 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaarschrift gedaan tegen de aanslag IB/PVV 2018. Op 20 januari 2021 heeft de inspecteur een afwijzend besluit genomen op het verzoek een dwangsom uit te betalen (hierna: de dwangsombeschikking 2018). Op 17 februari 2021 heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet (tijdig) nemen van een dwangsombeschikking over 2018.

2.10.

De inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft de aanslag IB/PVV 2017 verminderd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.822, heeft de aanslag IB/PVV 2018 verminderd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.882, heeft de aanslag IB/PVV 2019 verminderd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.059 en heeft de aanslag IB/PVV 2020 verminderd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 274, voor alle genoemde jaren onder handhaving van de overige elementen. De rechtbank heeft voorts de beroepen gegrond verklaard voor zover deze betrekking hadden op de dwangsommen voor de jaren 2018 en 2019 en heeft de door de inspecteur te betalen dwangsommen voor de jaren 2018 en 2019 vastgesteld op in totaal € 2.749, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening. De rechtbank heeft de beroepen tegen het niet tijdig nemen van de dwangsombeschikking 2017 en 2018 en voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de inspecteur veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 7.000, in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 7,42 en heeft bepaald dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht tot een bedrag van € 147 aan hem vergoedt, alle hiervoor genoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.

2.11.

De rechter die de uitspraak bij de rechtbank heeft gedaan was tot 1 juni 2022 raadsheer in de Hoge Raad. Bij koninklijk besluit van 18 januari 2022 is zij per 1 april 2022 benoemd tot rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank. Bij koninklijk besluit van 28 maart 2022 is haar per 1 juni 2022 ontslag verleend als rechter-plaatsvervanger (vanwege het bereiken van de 70-jarige leeftijd) en is zij bij dat koninklijk besluit per 1 juni 2022 benoemd als rechter-plaatsvervanger op grond van artikel 3.3, lid 1, Tweede Verzamelspoedwet COVID-19.

3. Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

Algemeen

  1. Dient de uitspraak van rechtbank te worden vernietigd vanwege het feit dat de uitspraak is gedaan door een onbevoegde rechter?

  2. Heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding wegens het door de ECB gevoerde rentebeleid?

Ten aanzien van de jaren 2014 tot en met 2016

Is de hoorplicht van artikel 7:2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geschonden?

Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

Heeft belanghebbende recht op een rentevergoeding vanwege de late mogelijkheid te middelen?

Dient bij het vaststellen van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen rekening te worden gehouden met de verzameling munten?

Heeft de rechtbank het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor de jaren 2014 tot en met 2016 naar het juiste bedrag vastgesteld? Meer in het bijzonder is er sprake van een individuele en buitensporige last?

Dient er voor de jaren 2014 tot en met 2016 rekening te worden gehouden met vrijgestelde bezittingen van minderjarige kinderen? Dient aan de minderjarige kinderen en via de kinderen aan belanghebbende het heffingvrije vermogen toegekend te worden?

Ten aanzien van de jaren 2017 tot en met 2020

  1. Is over de jaren 2017 tot en met 2020 een allesomvattend compromis gesloten tijdens de zitting bij de rechtbank?

  2. Dient het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen over de jaren 2017 tot en met 2020 te worden verminderd naar nihil vanwege strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur?

  3. Heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding wegens stelselmatige en institutionele schending van de onder vraag j genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

  4. Heeft belanghebbende recht op een dwangsom wegens het niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar over 2017?

  5. Heeft de inspecteur de dwangsombeschikkingen 2017 en 2018 (tijdig) genomen?

  6. Heeft de rechtbank het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor de jaren 2017 tot en met 2020 naar het juiste bedrag vastgesteld?

  7. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van het belastbaar inkomen uit sparen beleggen tot het bedrag van nihil voor elk van de genoemde jaren, tot een immateriële schadevergoeding tot het bedrag van € 5.278 per jaar voor de jaren 2017 tot en met 2020, tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten in het bezwaar en tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep. De inspecteur concludeert, voor wat betreft het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor de jaren 2017 tot en met 2020, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot ongegrondverklaring van het bij de rechtbank ingediende beroep, en voor wat betreft de overige jaren en geschilpunten tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

3.3.

Belanghebbende heeft zijn stelling dat hij is geschaad in zijn verdediging omdat de bijlagen bij het beroepschrift in hoger beroep van de inspecteur zouden ontbreken, tijdens het onderzoek ter zitting, expliciet en zonder voorhoud, ingetrokken. Belanghebbende heeft eveneens zijn stelling dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen over de jaren 2017 tot en met 2020 geheel, dan wel voor een groter gedeelte dan door de rechtbank beslist, dient te worden toegerekend aan hem, ter zitting, expliciet en zonder voorhoud, ingetrokken. Ten slotte heeft belanghebbende zijn hoger beroep tegen de dwangsombeschikking over 2018, ter zitting expliciet en zonder voorbehoud ingetrokken.

4 Gronden

Vooraf

4.1.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. Dat betekent dat partijen daarna geen toelichting meer kunnen geven of stukken kunnen indienen, tenzij het hof het onderzoek heropent. Belanghebbende heeft na het sluiten van het onderzoek de onder 1.12 vermelde brieven verstuurd. Belanghebbende heeft verzocht tot heropening van het onderzoek vanwege de arresten van de Hoge Raad van 6 juni 2024, alsmede vanwege het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2024.34 Belanghebbende stelt dat partijen de gelegenheid moeten krijgen om zich uit te kunnen laten over de arresten van de Hoge Raad en de eventuele toekomstige reactie van de staatssecretaris hierop. Het hof heeft in dat wat belanghebbende heeft aanvoert geen reden gevonden om tot heropening van het onderzoek over te gaan. Het hof neemt in zijn oordeel de actuele jurisprudentie van de Hoge Raad in aanmerking. Het hof rekent belanghebbendes brieven van 13 juni 2024 en 15 september 2024 dan ook niet tot de gedingstukken en slaat daar geen acht op. De brieven worden met de uitspraak ter kennisneming aan de inspecteur gestuurd.

Ten aanzien van het geschil

Algemeen

Vraag a. Uitspraak rechtbank door onbevoegde rechter

4.2.

Belanghebbende stelt dat, onder vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, terugwijzing naar de rechtbank moet plaatsvinden, omdat die uitspraak is gewezen door een onbevoegde rechter. De hiervoor genoemde rechter is benoemd tot rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, terwijl zij op dat moment eveneens als raadsheer werkzaam was bij de Hoge Raad. Belanghebbende stelt dat het recht niet de mogelijkheid biedt om tegelijkertijd raadsheer in de Hoge Raad te zijn én rechter-plaatsvervanger in een gerecht dat valt onder de Hoge Raad. Dit is een incompatibiliteit naar de mening van belanghebbende. De benoeming tot rechter-plaatsvervanger heeft plaatsgevonden in strijd met het recht, is in strijd met doel en strekking van de wet en is in strijd met leerstuk van schijn en wezen, aldus belanghebbende.

4.3.

Het hof stelt voorop dat de wetgever niet heeft voorzien in een wettelijk verbod op het tegelijkertijd uitoefenen van de functie van rechter-plaatsvervanger en raadsheer in de Hoge Raad.

4.4.

Artikel 3.3, lid 1, Tweede Verzamelspoedwet COVID-19 (tekst zoals deze gold vanaf 15 juli 2020 tot 15 juli 2023) luidt als volgt:

‘Bij een gebrek aan capaciteit aan rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast als gevolg van de maatregelen getroffen na de uitbraak van COVID-19 kunnen rechterlijke ambtenaren als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2° en 3°, van de Wet op de rechterlijke organisatie alsmede raadsheren en raadsheren-plaatsvervangers bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Centrale Raad van beroep die op grond van artikel 46h, derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren worden ontslagen, vervolgens worden benoemd tot raadsheren-plaatsvervangers of rechters-plaatsvervangers.’

4.5.

Artikel 1, onderdeel b, onder ten eerste, ten tweede en ten derde Wet op de rechterlijke organisatie luidt als volgt:

‘1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

b. rechterlijke ambtenaren:

1°. de president van, de vice-presidenten van, de raadsheren in en de raadsheren in buitengewone dienst bij de Hoge Raad;

2°. de senior raadsheren, de raadsheren en de raadsheren-plaatsvervangers in de gerechtshoven;

3°. de senior rechters A, de senior rechters, de rechters en de rechters-plaatsvervangers in de rechtbanken;’

4.6.

Artikel 46h, derde lid Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren luidt als volgt:

‘Met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de rechterlijk ambtenaar de leeftijd van zeventig jaren heeft bereikt, wordt hij bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen.’

4.7.

Hoewel de situatie waarin iemand tegelijkertijd zowel rechter-plaatsvervanger in een rechtbank is en tevens raadsheer in de Hoge Raad wellicht als ongewenst kan worden beschouwd, is het naar het oordeel van het hof niet zozeer in strijd met doel en strekking van de wet om gedurende een periode van 1 tot 2 maanden tegelijkertijd de functie van rechter-plaatsvervanger en raadsheer in de Hoge Raad uit te oefenen en daarop volgend de faciliteit van artikel 3.3, lid 1, Tweede Verzamelspoedwet COVID-19 (tekst zoals deze gold vanaf 15 juli 2020 tot 15 juli 2023) toe te passen, om daaraan de conclusie te verbinden dat de rechter-plaatsvervanger niet zou gelden als een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast als bedoeld in de Wet RO. De bestreden uitspraak heeft derhalve rechtskracht.

4.8.

Het feit, dat de rechter die de uitspraak heeft gedaan, op de datum van het koninklijk besluit van 28 maart 2022, waarbij zij per 1 juni 2022 is benoemd tot rechter-plaatsvervanger op grond van artikel 3.3, lid 1, Tweede Verzamelspoedwet COVID-19, niet aan de voorwaarde voldeed die in dit artikel wordt gesteld, namelijk dat zij rechter-plaatsvervanger moest zijn, doet aan de juiste toepassing van dit artikel niet af. Niet relevant is dat de rechter in kwestie op 28 maart 2022 nog niet rechter-plaatsvervanger was, maar relevant is dat zij op die laatste datum, 1 juni 2022, al wel rechter-plaatsvervanger was (geworden per 1 april 2022).

4.9.

De stelling van belanghebbende dat de uitspraak van de rechtbank van 22 december 2022 is gedaan door een onbevoegde rechter faalt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen verwerpt het hof het standpunt van belanghebbende dat, onder vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, terugwijzing naar de rechtbank moet plaatsvinden.

Vraag b. Heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding wegens het door de ECB gevoerde rentebeleid?

4.10.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op een schadevergoeding vanwege het door de ECB gevoerde rentebeleid. Wat betreft het verzoek van belanghebbende, is het hof van oordeel dat de belastingrechter niet bevoegd is een oordeel te geven over (een schadevergoeding vanwege) het door de ECB gevoerde rentebeleid. Belanghebbende dient zich voor de vraag of hij recht heeft op een schadevergoeding te wenden tot de burgerlijke rechter.

Ten aanzien van de jaren 2014 tot en met 2016

Vraag c. Is er sprake van schending hoorplicht?

4.11.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht is geschonden doordat hij voorafgaand aan het doen van de uitspraken op bezwaar niet is gehoord. De inspecteur heeft daartegenover aangevoerd dat hij voldoende gelegenheid heeft gegeven aan belanghebbende om te worden gehoord, maar dat belanghebbende niet op de uitnodigingen om gehoord te worden is ingegaan. Voorts stelt de inspecteur dat, zo de hoorplicht is geschonden, belanghebbende niet is benadeeld en dat een terugwijzing naar de inspecteur om te voldoen aan de hoorplicht achterwege kan blijven.

4.12.

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 7:2, lid 1, Awb stelt de inspecteur, voordat hij op een bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord (hoorplicht).

4.13.

Tot de stukken van het geding behoren drie brieven van 28 februari 2020 met betrekking tot de Vooraankondiging uitspraak op het bezwaarschrift voor de jaren 2014 tot en met 2016. De vooraankondigingen vermelden (onder andere) het volgende:

‘Voorgenomen beslissing

Ik ben van plan om uw bezwaar af te wijzen.

Indien u van mening bent dat mijn voorgenomen beslissing onjuist is, verzoek ik u mij uw reactie, onderbouwd en aan de hand van duidelijke bewijsstukken, toe te sturen vóór 13 maart 2020. Indien ik op deze datum geen reactie met onderbouwing en bewijsstukken heb ontvangen, ga ik ervan uit dat u akkoord gaat met mijn voorgenomen beslissing.

Mondelinge toelichting

Ik stel u in de gelegenheid uw standpunt mondeling toe te lichten. Als u van de gelegenheid gebruik wilt maken, kunt u vóór 13 maart 2020 een afspraak maken. U kunt daarbij tevens aangeven of u gebruik wilt maken van uw recht de op de zaak betrekking hebbende stukken vooraf in te zien (inzagerecht).’

4.14.

Belanghebbende heeft bij afzonderlijk geschriften van 6 maart 2020 op elk van de vooraankondigingen een inhoudelijke reactie verstrekt. Belanghebbende heeft daarin niet uitdrukkelijk afgezien van het recht om gehoord te worden. Op 3 april 2020 heeft de inspecteur bij afzonderlijke geschriften uitspraak op bezwaar gedaan. In de uitspraak is (onder andere) het volgende vermeld:

‘In mijn brief van 28 februari 2020 heb ik u gewezen op de mogelijkheid die u hebt om uw bezwaarschrift mondeling toe te lichten. U heeft hiervan geen gebruik gemaakt.’

4.15.

Nu belanghebbende reeds bij het indienen van zijn bezwaarschrift te kennen had gegeven door de inspecteur gehoord te willen worden, mocht de inspecteur uit de omstandigheid dat geen reactie werd ontvangen op een door hem aan belanghebbende schriftelijk gedaan verzoek om binnen veertien dagen te reageren voor het maken van een afspraak, niet afleiden dat belanghebbende (stilzwijgend) afstand deed van zijn recht om gehoord te worden, reeds omdat het uitblijven van een reactie binnen de gestelde termijn een andere oorzaak of andere reden kon hebben. Bij twijfel over de vraag of belanghebbende al dan niet toestemming heeft gegeven om van het horen af te zien, blijft de inspecteur gehouden belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, hetgeen alsdan kan gebeuren door belanghebbende daartoe uit te nodigen op een door de inspecteur vastgesteld tijdstip en plaats.5 Dit geldt des te meer nu belanghebbende per mail van 7 april

2020 expliciet heeft aangegeven gebruik te willen maken van het hoorrecht, zodra de dan geldende Corona beperkende maatregelen dat zouden toestaan.

4.16.

Het standpunt van de inspecteur, inhoudende dat belanghebbende niet is benadeeld vanwege schending van zijn hoorrecht, wordt door het hof verworpen. Indien de belastingplichtige op zijn bezwaar niet overeenkomstig de daarvoor gestelde regels is gehoord, kan aan dat gebrek in de uitspraak op het bezwaarschrift worden voorbijgegaan als de belastingplichtige door de gang van zaken niet is benadeeld.6 In het onderhavige geval zijn partijen verdeeld over de vraag of de box 3 heffing voor belanghebbende in de jaren 2014 tot en met 2016 een individuele en buitensporige last vormt. Dit betreft een feitelijke vraag, waarvan beantwoording (mede) afhankelijk is van de feitelijke en specifieke situatie van belanghebbende en zijn partner. Nu dergelijke feiten en omstandigheden naar voren kunnen worden gebracht tijdens de hoorfase en kunnen worden meegewogen in de uitspraak op bezwaar, kan niet worden gesteld dat belanghebbende niet is benadeeld vanwege schending van zijn hoorrecht.

4.17.

Gelet op vorengaande is het hof van oordeel dat de inspecteur de hoorplicht heeft geschonden, alvorens uitspraak op bezwaar te doen op de bezwaarschriften tegen de aanslagen IB/PVV 2014 tot en met 2016. Overeenkomstig belanghebbendes verzoek, zoals desgevraagd tijdens het onderzoek ter zitting uitdrukkelijk bevestigd, wijst het hof de zaken met nummers 23/195 tot en met 23/197 terug naar de inspecteur met de opdracht belanghebbende alsnog volgens de regels te horen en opnieuw uitspraken op bezwaar te doen. Daarbij zal het hof met toepassing van artikel 8:113, lid 2, Awb bepalen dat belanghebbende, indien hij beroep tegen de nieuwe uitspraken op bezwaar instelt, zulks bij het hof dient te doen (de judiciële lus). Het hof wijst de inspecteur er volledigheidshalve op dat hij bij de rechtsmiddelverwijzing op zijn uitspraak op bezwaar rekening dient te houden met hetgeen is beslist in voorgaande volzin.

Vraag d. heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

4.18.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. In het bijzonder stelt belanghebbende dat hij de door de inspecteur ontvangen en toegepaste gerenseigneerde rendementen niet heeft ontvangen. De inspecteur heeft deze stukken in hoger beroep ingebracht, zoals belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting heeft beaamd, en stelt dat terugwijzing vanwege schending van artikel 8:42 Awb achterwege kan blijven, nu belanghebbende niet in zijn belangen is geschaad.7

4.19.

Indien de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak en daarom een verzoek doet tot overlegging van dat stuk door de inspecteur, moet aan dat verzoek wordt tegemoetgekomen, mits het bestaan van dat stuk aannemelijk is en bovendien aannemelijk is dat het de inspecteur ter beschikking staat of heeft gestaan.8 Het enkele vermoeden van belanghebbende dat er meer stukken zijn, is onvoldoende voor de conclusie dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Belanghebbende heeft in hoger beroep evenwel gemotiveerd gesteld welke stukken nog in de (hoger)beroepsfase ontbreken. Deze stukken zijn door de inspecteur alsnog in hoger beroep overgelegd.

4.20.

Uit het vorengaande volgt dat, naar het oordeel van het hof, de inspecteur in eerste aanleg niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen onder artikel 8:42, lid 1, Awb. Nu het hof, overeenkomstig belanghebbendes verzoek, de zaken met nummers 23/195 tot en met 23/197 zal terugwijzen naar de inspecteur, verbindt het hof aan de schending van artikel 8:42 Awb geen ander gevolg dan de enkele constatering ervan.

Vraag e. Heeft belanghebbende recht op een rentevergoeding vanwege de late mogelijkheid te middelen?

4.21.

Belanghebbende stelt, nu de aanslagen IB/PVV 2014 en 2015 nog niet onherroepelijk vaststaan, deze jaren nog niet in een beoogd middelingsverzoek kunnen worden meegenomen met het jaar 2013, welk jaar al wel onherroepelijk vaststaat. Bij een belastingteruggave op grond van een middelingsverzoek wordt geen rente vergoed. Het is aan de inspecteur te wijten dat de aanslagregeling en de bezwaarprocedure voor de jaren 2014 en 2015 onnodig lang hebben geduurd en daarnaast een (hoger) beroepsprocedure nodig is om de te hoog opgelegde aanslagen te verlagen, aldus belanghebbende. Belanghebbende verzoekt het hof te gelasten dat de inspecteur een wettelijke rente is verschuldigd over de nog te verlenen teruggaaf op grond van belanghebbendes nog in te dienen middelingsverzoek over de jaren 2013 tot en met 2015, te rekenen vanaf 1 januari 2018 tot aan de dag waarop de belastingteruggaaf bij beschikking is vastgesteld.

4.22.

Op grond van artikel 3.154 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB)9 beslist de inspecteur op het verzoek van de belastingplichtige om middeling bij voor bezwaar vatbare beschikking. Naar het oordeel van het hof dient de vraag of – gegeven het gesloten stelsel van bezwaar en beroep inzake belastingzaken10 – belastingrente of een andersoortige rente vergoed dient te worden ter zake van een uit hoofde van een besluit verleende teruggaaf van belasting, te worden beoordeeld bij het nemen van dat besluit; in dit geval, de bij voor bezwaar vatbare beschikking van artikel 3.154 Wet IB. Gelet op het vorengaande is het verzoek van belanghebbende naar het oordeel van het hof prematuur en derhalve niet-ontvankelijk.

Vragen f tot en met h.

4.23.

Nu het hof belanghebbendes hoger beroep met betrekking tot de aanslagen IB/PVV 2014, IB/PVV 2015 en IB/PVV 2016 gegrond zal verklaren en deze zaken zal terugwijzen naar de inspecteur met de opdracht belanghebbende alsnog volgens de regels te horen en opnieuw uitspraken op bezwaar te doen, behoeven de vragen f tot en met h geen beantwoording meer.

Ten aanzien van de jaren 2017 tot en met 2020

Vraag i. Is over de jaren 2017 tot en met 2020 een allesomvattend compromis gesloten tijdens de zitting bij de rechtbank?

4.24.

In zijn verweerschrift op het hoger beroep van de inspecteur stelt belanghebbende dat tijdens de zitting bij de rechtbank een compromis tussen partijen is overeengekomen voor wat betreft de jaren 2017 tot en met 2020. De inspecteur is derhalve niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, dan wel dient het hoger beroep van de inspecteur ongegrond verklaard te worden, aldus belanghebbende. De inspecteur stelt dat het compromis enkel ziet op de bedragen, indien de rechtbank zou uitgaan van het werkelijk rendement, en dat de tekst over het bereiken van een compromis niet goed is opgenomen in het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank.

4.25.

In het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank is onder meer het volgende opgenomen:

‘De inspecteur verklaart:

(…)

Ik wil belanghebbende graag een handreiking doen. Indien de rechtbank van oordeel is dat voor de belastingheffing over het inkomen uit box 3 vanaf 2017 het werkelijk rendement gehanteerd dient te worden, zijn wij akkoord met aansluiten bij de bedragen aan werkelijk rendement zoals door belanghebbende genoemd zijn. Deze handreiking geldt alleen voor de onderhavige procedures over de jaren 2017 tot en met 2020.

(…)

De zitting wordt geschorst om 10.05 uur. De zitting wordt herval om 10.10 uur.

De inspecteur verklaart:

We zijn tot overeenstemming gekomen. Nogmaals benadruk ik dat het hier gaat om een compromis dat enkel ziel op de onderhavige jaren. Belanghebbende heeft erkend dat hij hieraan geen rechten kan ontlenen voor andere procedures. De rechtbank mag uitgaan van de bedragen aan werkelijk rendement zoals door belanghebbende genoemd in zijn stuk van 28 oktober 2022. Het gaat dan om de volgende bedragen [bedrag] (2017), [bedrag] (2018), [bedrag] (2019) en [bedrag] (2020). Deze bedragen gelden voor alle belanghebbenden in totaal. Tevens hoeven er voor deze jaren geen zaken te worden teruggewezen naar de inspecteur.’

4.26.

Het hof stelt voorop dat het proces-verbaal van de zitting in beginsel de enige kenbron vormt van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank.11 De vastlegging in en de vaststelling van het proces-verbaal zijn voorbehouden aan de rechtbank.12 Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank komen weliswaar aanknopingspunten naar voren voor de stelling van belanghebbende dat een allesomvattend compromis is bereikt, maar deze aanknopingspunten rechtvaardigen naar het oordeel van het hof niet de conclusie dat een allesomvattend compromis tussen partijen is bereikt. Dit strookt ook met de verklaring van belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting bij het hof dat de zitting bij de rechtbank rommelig is verlopen, en met het standpunt van de inspecteur in punt 4.1.22 van zijn beroepschrift in hoger beroep, inhoudende dat geen allesomvattend compromis tussen partijen is bereikt.

4.27.

Uit het bovenstaande volgt dat de stelling van belanghebbende dat de inspecteur niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep, dan wel dat het hoger beroep van de inspecteur ongegrond dient te worden verklaard, faalt.

Vraag j. Dient het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen over de jaren 2017 tot en met 2020 te worden verminderd naar nihil vanwege strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

4.28.

Belanghebbende stelt dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor de jaren 2017 tot en met 2020 vanwege schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur, dient te worden verminderd naar nihil. Indien hij een beroep doet op de uitspraak van 24 december 202113, dan wordt zijn voordeel uit sparen en beleggen gemaximeerd op het werkelijke rendement, aldus belanghebbende. Belanghebbende stelt dan in een fiscaal nadeliger positie te komen dan andere belastingplichtigen die hetzelfde werkelijke rendement hebben gerealiseerd, maar een vermogen hebben dat niet uitkomt boven het heffingvrije vermogen zoals dat bij belanghebbende wel het geval is. Het rendement van deze andere belastingplichtigen blijft geheel onbelast in tegenstelling tot het (lagere) werkelijke rendement van belanghebbende.

4.29.

Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet geoordeeld dat algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden. Het hof overweegt daartoe als volgt.

4.30.

Het hof verwerpt belanghebbendes beroep op de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.14 Het hof stelt voorop dat een zorgvuldigheidsgebrek in de regel niet kan leiden tot vernietiging van de aanslag.15 Voor het overige merkt het hof op dat de inspecteur in de motivering bij de verschillende uitspraken op bezwaar is ingegaan op de gronden van het bezwaar waarbij hij tevens uiteen zet waarom hij daarin geen aanleiding ziet om de aanslagen te verminderen. Voorafgaand aan het opleggen van de aanslagen, heeft de inspecteur belanghebbende ruimschoots gelegenheid gegeven zijn zienswijze naar voren te brengen. Naar het oordeel van het hof is daarom geen sprake van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.

4.31.

Het hof is verder van oordeel dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast ten aanzien van de schending van het gelijkheidsbeginsel. Voor zover belanghebbende betoogt dat beleggers met een vermogen gelijk aan of minder dan het heffingvrije vermogen in een fiscaal gunstiger situatie zitten dan belanghebbende faalt, nu dit naar het oordeel van het hof geen gelijke gevallen zijn met de situatie van belanghebbende.

4.32.

Belanghebbendes beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin. Box 3-heffing kan naar het oordeel van het hof niet achterwege blijven met een beroep op het evenredigheidsbeginsel, omdat dit beginsel de wet niet opzij kan zetten.

4.33.

Voor zover belanghebbende ten slotte nog klaagt over schending van het verbod op willekeur faalt deze klacht. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur jegens hem willekeurig heeft gehandeld.

4.34.

Uit vorenstaande volgt dat naar het oordeel van het hof geen sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel of het verbod op willekeur. Voor zover belanghebbende heeft gemeend dat sprake is van een schending van enig ander beginsel van behoorlijk bestuur, oordeelt het hof dat belanghebbende niet heeft gesteld waaruit de schending van enig ander algemene beginsel van behoorlijk bestuur zou bestaan.

Vraag k. Heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding wegens stelselmatige en institutionele schending van de onder vraag i genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

4.35.

Belanghebbende stelt recht te hebben op een schadevergoeding wegens stelselmatige en institutionele schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur door de inspecteur. Belanghebbende stelt voor elk van de jaren van 2017 tot en met 2020 recht te hebben op een schadevergoeding voor het bedrag van € 5.278.

4.36.

De inspecteur stelt dat belanghebbende geen recht heeft op een schadevergoeding wegens handelen in fraudem conventionis door de inspecteur. Naar de mening van de inspecteur zijn de aanslagen steeds opgelegd in overeenstemming met de dan geldende wettelijke voorschriften. Voorts is de inspecteur van mening dat de belastingrechter niet bevoegd is te beslissen op een dergelijk verzoek.

4.37.

De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld:

‘3.19. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het toekennen van een schadevergoeding, al dan niet op grond van de door belanghebbende gestelde onrechtmatige daad, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij – naast de volgens hem niet verschuldigde belasting – enige schade heeft geleden.’

4.38.

Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.

Vraag l. Heeft belanghebbende recht op een dwangsom wegens het niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar over 2017?

4.39.

Op grond van artikel 4:17, lid 6, onderdeel a, Awb is geen dwangsom verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. Belanghebbende heeft het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2017 ingediend op 9 september 2019. Op 30 november 2020 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet doen van uitspraak op bezwaar. Deze datum is meer dan een jaar gelegen na het einde van de termijn waarbinnen de inspecteur uitspraak op bezwaar had moeten doen.

4.40.

In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:17 van de Awb is het volgende vermeld:16

‘De eerste uitzonderingen op de dwangsomregeling is dat geen dwangsom verschuldigd is als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de term ‘onredelijk’ zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen.

(…)

Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan (Zie bijvoorbeeld CRvB 26 februari 2004, LJN AO4639, en ABRvS 20 februari 2002, JB 2002/113).’

4.41.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen dwangsom is verschuldigd omdat onredelijk laat in gebreke is gesteld. Het hof constateert dat het tijdsverloop tussen het einde van de beslistermijn voor het doen van uitspraak op bezwaar en het moment waarop belanghebbende de inspecteur in gebreke heeft gesteld inderdaad aanzienlijk langer is dan het in de wetsgeschiedenis genoemde tijdsverloop van ‘hooguit enkele weken’. De beantwoording van de vraag of daarvan sprake is moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer van belang zijn of het uitblijven van een ingebrekestelling verband hield met bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een lopend overleg tussen de aanvrager en het bestuursorgaan.17 De inspecteur heeft gesteld dat in het onderhavige geval geen sprake is geweest van wisseling van gedachten tussen aanvrager en bestuursorgaan tussen 9 september 2019, zijnde datum indiening van bezwaar en 30 november 2020, datum indiening van ingebrekestelling. Belanghebbende heeft dit als zodanig ook niet betwist. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende daarmee de inspecteur onredelijk laat in gebreke gesteld. Het gevolg hiervan is dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar over 2017.18

Vraag m. Heeft de inspecteur de dwangsombeschikking 2017 en 2018 (tijdig) genomen?

4.42.

Het hof stelt voorop dat de weigering tot het afgeven van een beschikking ingevolge artikel 4:18 van de Awb moet worden opgevat als een afwijzing van het verzoek tot toekenning van een dwangsom. Een dwangsombeschikking is evenwel geen beschikking op aanvraag in de zin van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb, zodat de inspecteur niet krachtens deze bepaling een dwangsom kan verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking.19

4.43.

De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld:

3.18.

Belanghebbende heeft op 17 februari 2021 beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) nemen van een dwangsombeschikking voor de jaren 2017 (zaaknummer BRE 21/823) en 2018 (zaaknummer BRE 21/824). De inspecteur heeft op 26 februari 2021 beslist dat geen dwangsom voor 2017 verschuldigd is. Het beroep tegen de aanslag voor het jaar 2017 wordt dan geacht mede gericht te zijn tegen deze beschikking. [voetnoot: artikel 4:19 Awb] De termijn van artikel 4:18 van de Awb geldt daarvoor echter niet, omdat over 2017 geen dwangsom verschuldigd is. De rechtbank zal het beroep daartegen ongegrond verklaren.

Voor het jaar 2018 is een dwangsom verschuldigd tot de datum dat uitspraak op bezwaar is gedaan (15 januari 2021). Uit artikel 4:18 van de Awb volgt dat de beschikking dan binnen 14 dagen na 15 januari 2021 moet zijn gegeven. De beschikking dat geen dwangsom wordt vastgesteld voor 2018 is gegeven op 20 januari 2021. Dat is tijdig. Gelet op deze data is het beroep ongegrond.

4.44.

Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.

Vraag n. Heeft de rechtbank het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor de jaren 2017 tot en met 2020 naar het juiste bedrag vastgesteld?

4.45.

Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor de jaren 2017 tot en met 2020 moet worden vastgesteld op nihil wegens strijd met artikel 94 Grondwet. Belanghebbende stelt zich subsidiair op het standpunt dat hem rechtsherstel dient te worden verleend zoals ook is verleend aan de houders op 1 januari van bank- en spaartegoeden vanwege schending van algemene beginselen, meer subsidiair dat bij de omzetting van het overeengekomen werkelijk behaalde rendement naar het voordeel uit sparen en beleggen rekening dient te houden met het heffingvrije vermogen door in de noemer van de breuk de rendementsgrondslag op te nemen en niet de grondslag sparen en beleggen, en nog meer subsidiair dat het door de rechtbank vastgestelde voordeel uit sparen en beleggen dient te worden bevestigd. De inspecteur stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen dient te worden vastgesteld op basis van het toen geldende besluit rechtsherstel (thans de Wet rechtsherstel).

4.46.

De Hoge Raad heeft in het kerstarrest20 geoordeeld dat de forfaitaire rendementsheffing zoals deze geldt met ingang van 2017 een relatieve ongelijke behandeling creëert op basis van een omstandigheid die de betrokkenen niet zelf in de hand hebben. Voorts oordeelt de Hoge Raad dat – ook met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die de wetgever toekomt – in redelijkheid niet kan worden gezegd dat het sinds 2017 geldende forfaitaire stelsel de uit artikel 1 EP voortvloeiende proportionaliteitstoets kan doorstaan. Voor dit stelsel is dus geen toereikende rechtvaardiging aan te wijzen. Voor degene die door dit forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement leidt dit tot een schending van zijn door artikel 1 EP, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten. De Hoge Raad heeft voorts aanleiding gezien om belanghebbenden adequate rechtsbescherming te bieden tegen de geconstateerde schending van hun fundamentele rechten. Deze rechtsbescherming vergt een op rechtsherstel gerichte compensatie, waarvan de rechter de omvang in het algemeen slechts naar redelijkheid zal kunnen vaststellen. De Hoge Raad heeft dat rechtsherstel geboden door te bepalen dat alleen het werkelijke rendement in de heffing wordt betrokken.

4.47.

Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 202221 dient de feitenrechter vanaf de datum waarop de collectieve uitspraak op bezwaar is gedaan bij de behandeling van het hoger beroep dat betrekking heeft op het individuele bezwaar, de gevolgen van de collectieve uitspraak in zijn oordeel te betrekken, met inbegrip van een krachtens artikel 25e, lid 4, Algemene wet inzake rijksbelastingen genomen besluit inzake vermindering. Dit betekent dat het hof in de onderhavige zaak rekening moet houden met het kerstarrest.

4.48.

De wijze waarop rekening wordt gehouden met het kerstarrest in de vorm van verminderingen van de aanslagen is neergelegd in de Wet rechtsherstel box 3. Deze wet leidt in het onderhavige geval niet tot een vermindering van de aanslag over de jaren 2017 tot en met 2020, aangezien het voordeel uit sparen en beleggen met toepassing van deze hoger zou worden vastgesteld dan reeds vastgesteld in de aanslagen IB/PVV 2017 tot en met 2020. Ten aanzien van de Wet rechtsherstel box 3 heeft de Hoge Raad op 6 juni 2024 als volgt geoordeeld:22

‘5.3.7. In overeenstemming met de beslissing van de Hoge Raad in het arrest van 24 december 2021, moet daarom worden aangenomen dat ook bij degene die door het forfaitaire stelsel van de Herstelwet wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement, daardoor een schending optreedt van zijn door artikel 1 EP in samenhang met artikel 14 EVRM gewaarborgde rechten.’

4.49.

Uit vorenstaande volgt dat aan belanghebbende, in afwijking van de Wet rechtsherstel box 3, compensatie moet worden geboden. De op rechtsherstel gerichte compensatie dient in beginsel aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement. Uit de uitspraak van de Hoge Raad volgt dat gerealiseerde en ongerealiseerde positieve en negatieve waardeveranderingen behoren tot het werkelijk rendement en dienen te worden meegenomen in de berekening. Bij de berekening van het werkelijk rendement in een jaar, behoeft volgens de Hoge Raad geen rekening te worden gehouden met positieve of negatieve rendementen uit andere jaren. Kosten mogen niet afgetrokken worden, financieringskosten wel.23

4.50.

Nu uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij schending van door artikel 1 EP in samenhang met artikel 14 EVRM gewaarborgde rechten het voordeel uit sparen en beleggen dient te worden vastgesteld op basis van het werkelijk rendement, zal het hof belanghebbende niet zal volgen in zijn primaire standpunt. Het hof volgt belanghebbende evenmin in zijn subsidiaire standpunt. Het hof oordeelt dat belanghebbende, met al hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat één of meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden, op grond waarvan hem rechtsherstel dient te worden verleend zoals ook verleend aan de houders op 1 januari van bank- en spaartegoeden. Nu belanghebbendes meer subsidiaire standpunt resulteert in een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen hoger dan door de rechtbank vastgesteld, zal het hof belanghebbende ook niet volgen in dit standpunt. Omdat belanghebbende door het instellen van hoger beroep niet in een slechtere positie mag komen te verkeren dan zonder het instellen van hoger beroep het geval zou zijn geweest (reformatio in peius), geldt het door de rechtbank vastgestelde bedrag in ieder geval als maximum.24 Dit betekent dat het hof het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in de jaren 2017 tot en met 2010 niet hoger kan vaststellen dan door de rechtbank is vastgesteld.

4.51.

Gelet op vorenstaande zal het hof het standpunt van de inspecteur evenmin volgen. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van belanghebbende over de jaren 2017 tot en met 2020 dient te worden vastgesteld aan de hand van het werkelijk rendement.

4.52.

Partijen zijn ter zitting in eerste aanleg overeengekomen dat het werkelijk rendement in dit geval kan worden vastgesteld zoals weergegeven in 2.7 hierboven. Dit betekent dat, gelijk het oordeel van de rechtbank, het voordeel uit sparen en beleggen (en dus het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen) van belanghebbende moet worden bepaald op:

- voor het jaar 2017: € 3.822 ( [bedrag] gedeeld door [bedrag] maal [bedrag] );

- voor het jaar 2018: € 3.882 ( [bedrag] gedeeld door [bedrag] maal [bedrag] );

- voor het jaar 2019: € 3.059 ( [bedrag] gedeeld door [bedrag] maal [bedrag] );

- voor het jaar 2020: € 274 ( [bedrag] gedeeld door [bedrag] maal [bedrag] ).

Vraag o. Heeft belanghebbende recht op in bezwaar gemaakte kosten voor de jaren 2017 tot en met 2020?

4.53.

Belanghebbende heeft in de bezwaarfase verzocht om een vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten. Er hebben hoorgesprekken plaatsgevonden bij de Belastingdienst in Breda op 7 januari 2021, 9 juni 2021 en op 20 oktober 2021. Het hof ziet aanleiding om de inspecteur te veroordelen in de vergoeding van de reiskosten van belanghebbende naar de hoorgesprekken ten bedrage van € 6,38 (openbaar vervoer tweede klasse, retour) per hoorgesprek, totaal € 19,14. Het hof ziet geen aanleiding de inspecteur te veroordelen in vergoeding van verletkosten. Belanghebbende heeft, zonder nadere onderbouwing, niet aannemelijk gemaakt dat hij inkomsten heeft gederfd vanwege de aanwezigheid ter zitting.

Tussenconclusie

4.54.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is en dat het hoger beroep van de inspecteur ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.55.

De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 136 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank (gedeeltelijk) wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.

4.56.

De griffier heft van de inspecteur een griffierecht van € 548, omdat het door hem ingestelde hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van de proceskosten

4.57.

Het hof ziet aanleiding om de inspecteur te veroordelen in de vergoeding van de reiskosten van belanghebbende naar de zitting ten bedrage van € 30,64 (openbaar vervoer tweede klasse, retour). Het hof ziet geen aanleiding de inspecteur te veroordelen in vergoeding van verletkosten. Belanghebbende heeft, zonder nadere onderbouwing, niet aannemelijk gemaakt dat hij inkomsten heeft gederfd vanwege de aanwezigheid ter zitting.

5 Beslissing