Home

Gerechtshof Den Haag, 02-08-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1701, BK-21/00732

Gerechtshof Den Haag, 02-08-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1701, BK-21/00732

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
2 augustus 2022
Datum publicatie
5 oktober 2022
Annotator
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2022:1701
Formele relaties
Zaaknummer
BK-21/00732
Relevante informatie
Art. 225 GW

Inhoudsindicatie

De auto van belanghebbende was geparkeerd op een plaats waar uitsluitend met vergunning of met een dagvergunning geparkeerd mocht worden. De verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse en de wijze waarop deze kon worden voldaan was onvoldoende kenbaar. Het Hof vernietigt de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting, omdat de door de gemeente Delft gecreëerde verwarring voor haar rekening en risico komt. Geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-21/00732

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 2 augustus 2021, nummer SGR 20/4266.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting (de naheffingsaanslag) opgelegd ten bedrage van € 91, bestaande uit € 30 parkeerbelasting en € 61 kosten van de naheffingsaanslag. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 48. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 134. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgehad. De griffier heeft partijen bij brief van 20 januari 2022 bericht dat het Hof voornemens is een zitting achterwege te laten, tenzij partijen uiterlijk binnen twee weken na de dagtekening van de brief het Hof laten weten dat zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben niet verzocht om een mondelinge behandeling. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld een conclusie van repliek in te dienen en heeft hiervan gebruikgemaakt, waarop de Heffingsambtenaar heeft gereageerd met een conclusie van dupliek. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 6 februari 2020 zijn auto met het kenteken [kenteken] geparkeerd aan de [straat 1] te [woonplaats] (de locatie). De parkeerplaatsen aan de [straat 1] , tussen de [straat 2] en de [autosnelweg] , zijn in Bijlage 1 van het Aanwijzingsbesluit betaald parkeren Delft 2019 aangewezen als zone E. Dit betreft, volgens de Tarieventabel bij Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Delft 2019, parkeerplaatsen voor betaald parkeren waar alleen geparkeerd mag worden met een geldige parkeervergunning of een dagvergunning.

2.2.

Belanghebbende is op 6 februari 2020 een parkeeractie gestart via de applicatie Yellowbrick, voor zonenummer [nummer] , met 19:58:44 uur als begintijd en 22:22:59 uur als eindtijd. Hiervoor is een bedrag van € 7,98 aan parkeerbelasting betaald.

2.3.

Tijdens een controle op 6 februari 2020 is omstreeks 20:49 uur geconstateerd dat de auto van belanghebbende niet is geparkeerd met een geldige parkeervergunning of een dagvergunning. Aan belanghebbende is vervolgens de naheffingsaanslag opgelegd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de

Heffingsambtenaar als verweerder:

“4. Eiser stelt dat op de hoek van de [straat 1] en [straat 2] , kijkend in de richting van de [straat 3] , een bord staat waarop vermeld is dat er geparkeerd mag worden met een vergunning of door betaling van parkeerbelasting per uur. De betaalautomaat aan de overkant van de kruising [straat 2] en de [straat 1] heeft het zonenummer [nummer] , wat inhoudt dat ook per uurtarief geparkeerd kan worden. Hieruit volgt dat op de locatie per uur kon worden betaald, wat eiser — net als eerdere keren - heeft gedaan. De naheffingsaanslag is dan ook ten onrechte opgelegd.

5. Verweerder stelt zich onder verwijzing naar overgelegde foto's op het standpunt dat aan de hand van de bebording voldoende duidelijk is dat op de locatie alleen met een vergunning of dagvergunning geparkeerd kon worden en dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

6. De rechtbank stelt voorop dat van een parkeerder mag worden verwacht dat hij zich ter plaatse op de hoogte stelt van het op de parkeerlocatie van toepassing zijnde parkeerregime (vgl. Gerechtshof
's-Gravenhage 18 oktober 2002, ECLI:NL:GHDHA:2002:AS2261). Van de heffingsambtenaar mag daarentegen worden verwacht dat, onder andere door middel van bebording en aanduidingen op parkeerapparatuur, het ter plaatse geldende parkeerregime voldoende duidelijk is aangegeven. Het bestaan van de verplichting om parkeerbelasting voor een locatie te voldoen kan blijken uit de aanwezigheid van parkeerapparatuur bij of in de nabijheid van de parkeerplaats, maar ook uit borden of andere aanwijzingen bij of in de directe omgeving van de parkeerplaats op zo'n wijze dat over de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor die parkeerplaats redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan (vgl. Hoge Raad 22 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3126). Van geval tot geval dient te worden beoordeeld of aan deze laatste voorwaarde is voldaan.

7. Nu eiser heeft gesteld dat de bebording en dus het parkeerregime voor de locatie onvoldoende kenbaar was, ligt het op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat het geldende parkeerregime wel voldoende kenbaar was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hieraan voldaan. Eiser heeft aangegeven met de auto vanaf de [autosnelweg] (vanuit [woonplaats 2] ), via de [straat 4] en de [straat 5] , de [straat 1] in te zijn gereden. Eiser moet zodoende de bebording aan de [straat 4] ter hoogte van de [straat 5] met de tekst "zone P uitsluitend dagkaart" gepasseerd zijn, alsook het locatiebord met verwijzing naar de parkeerautomaat en zonecode "3333" (inhoudende parkeren uitsluitend middels vergunning of dagvergunning) aan het einde van de [straat 5] op de kruising met de [straat 1] . Dat eiser deze borden niet heeft opgemerkt, behoort tot zijn risicosfeer. Eiser had in redelijkheid ook niet kunnen concluderen dat het parkeerregime op de locatie gewijzigd/anders was, nu eiser na het passeren van het zonebord op de [straat 4] , geen bord is gepasseerd waaruit blijkt dat dit parkeerregime niet langer geldt. Het bord op de hoek van de [straat 1] en de [straat 2] waar eiser naar verwijst geeft een wijziging weer van het parkeerregime, evenwel heeft deze wijziging betrekking op het parkeren na het passeren van dit bord (vanuit de rijrichting van eiser bezien) en dus niet op de locatie waar eiser heeft geparkeerd. De achterzijde van voornoemd bord duidt het parkeerregime aan van de locatie waar eiser heeft geparkeerd. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 14 april 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:860 (in hoger beroep op de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 8 oktober 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:10949), kan hem niet baten, omdat die uitspraak betrekking heeft op een andere feitelijke situatie dan die bij de thans in geschil zijnde naheffingsaanslag.

8. Uit de omstandigheid dat aan eiser (blijkbaar) niet eerder naheffingsaanslagen zijn opgelegd, terwijl hij stelt wel op de locatie te hebben geparkeerd tegen betaling van de parkeerbelasting per uur, mocht eiser niet het vertrouwen ontlenen dat hij ook mocht parkeren tegen een betaling per uur op de locatie. Het enkele nalaten van het opleggen van naheffingsaanslagen is onvoldoende voor de rechtvaardiging van een dergelijk vertrouwen.

9. De rechtbank overweegt dat de bezwaren van eiser voor zover betrekking hebbend op de invordering van de naheffingsaanslag buiten het bestek van het door de rechtbank in de onderhavige zaak te beoordelen geschil vallen.

10. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Proceskosten en griffierecht