Home

Gerechtshof Den Haag, 25-05-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1351, BK-22/00400 en BK-22/00478

Gerechtshof Den Haag, 25-05-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1351, BK-22/00400 en BK-22/00478

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25 mei 2023
Datum publicatie
8 augustus 2023
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2023:1351
Zaaknummer
BK-22/00400 en BK-22/00478
Relevante informatie
Art. 9 BPM, Art. 10 BPM, Art. 8 Uitv.reg. BPM, Art. 110 VWEU

Inhoudsindicatie

Art. 10, leden 1, 2 en 8, Wet Bpm. De Rechtbank heeft de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde correct vastgesteld. Voor de vaststelling van de CO2-uitstoot wordt uitgegaan van de gegevens in het Duitse kentekenbewijs. Waardevermindering in goede justitie niet toegestaan indien de Inspecteur betwist dat sprake is van een waardevermindering wegens een schadeverleden van de auto en belanghebbende het schadeverleden onvoldoende inzichtelijk maakt. Ten onrechte geen extra leeftijdskorting toegepast. Het Hof kent een vergoeding van immateriële schade en een juiste proceskostenvergoeding voor beroep toe.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-22/00400 en BK-22/00478

in het geding tussen:

(gemachtigde: S.M. Bothof)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van de Inspecteur en het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 29 maart 2022, nummer SGR 20/5789.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 11.016. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 465 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag Bpm (de naheffingsaanslag) en de beschikking inzake belastingrente gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 354. De beslissing van de Rechtbank luidt als volgt:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 7.535 en vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.620;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354 aan eiseres te vergoeden.”

1.4.

Partijen hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht geheven van € 548. Partijen hebben ieder een verweerschrift ingediend in het hoger beroep van de wederpartij. Belanghebbende heeft een nader stuk, aangeduid als pleitnota, ingediend, ingekomen bij het Hof op 4 april 2023.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 april 2023. De gemachtigde van belanghebbende heeft aan de zitting deelgenomen via MS Teams, waarbij sprake was van een rechtstreekse beeld- en geluidsverbinding met het Hof. De Inspecteur is fysiek ter zitting verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Ter zake van de registratie van een Mini Cooper S (de auto) heeft belanghebbende op 16 mei 2018 een aangifte Bpm ingediend naar een te betalen Bpm van € 981. De verschuldigde Bpm is berekend met behulp van een taxatierapport van [A] B.V. (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op 15 mei 2018 plaatsgevonden en het taxatierapport is op 16 mei 2018 opgesteld.

2.2.

Belanghebbende heeft bij het berekenen van het voor de auto verschuldigde bedrag aan Bpm een vermindering op grond van artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet Bpm) in aanmerking genomen (tekst 2018). De vermindering (de afschrijving) heeft belanghebbende bepaald op 95,24%. Belanghebbende gaat uit van een historische nieuwprijs van € 38.180 en een handelsinkoopwaarde van de auto van € 1.819.

2.3.

De taxateur van belanghebbende heeft deze handelsinkoopwaarde vastgesteld door de handelsinkoopwaarde zonder schade van € 23.197 te verminderen met een door de taxateur bepaald bedrag aan schade van € 15.878 en een waardecorrectie van € 5.500 wegens de import en het schadeverleden. De handelsinkoopwaarde zonder schade van € 23.197 is gebaseerd op de koerslijst Autotelex Pro (de koerslijst), een in de handel algemeen toegepaste koerslijst als bedoeld in artikel 8, lid 4, letter a, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (UR Bpm) voor een in het binnenland geregistreerde vergelijkbare gebruikte personenauto van hetzelfde merk en type in onbeschadigde staat. Het bedrag aan schade van € 15.878 betreft de door de taxateur vastgestelde kosten die zijn gemoeid met het volledig herstellen van de beschadigingen aan de auto, inclusief omzetbelasting (de herstelkosten). Van de waardecorrectie van € 5.500 heeft € 3.000 betrekking op het schadeverleden, hetgeen belanghebbende baseert op de taxatierichtlijn van het TMV en de NIVRE-richtlijn.

2.4.

Met inachtneming van de afschrijving van 95,24% heeft belanghebbende de hiervoor bedoelde vermindering van Bpm toegepast op het bij de auto in nieuwe staat behorende, in 2018 verschuldigde bedrag aan Bpm (€ 20.590 historische Bpm minus € 19.609 afschrijving). Belanghebbende heeft in de berekening een CO2-uitstoot van 183gr/km in aanmerking genomen.

2.5.

De auto (VIN [nummer] ) betreft een auto met schade door een aanrijding. De datum van eerste toelating is 24 maart 2017. De auto is op 8 mei 2018 in Duitsland goedgekeurd door de daartoe bevoegde Duitse instantie, de DEKRA. De DEKRA heeft de CO2-uitstoot van de auto vastgesteld op 183 gr/km. Vervolgens is de auto (weer) naar Nederland overgebracht.

2.6.

Op 18 mei 2018 heeft een keuring bij de RDW plaatsgevonden. De RDW heeft de CO2-uitstoot daarbij op basis van het Duitse kentekenbewijs bepaald op 183 gr/km. Deze CO2-uitstoot is berekend aan de hand van de Scandinavische rekenmethode.

2.7.

Naar aanleiding van de aangifte Bpm heeft de Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) in opdracht van de Inspecteur belanghebbende verzocht de auto te tonen voor een hertaxatie. Belanghebbende heeft de auto op 29 mei 2018 aan DRZ getoond. De schade aan de auto was op dat moment volledig hersteld. DRZ heeft vastgesteld dat er geen schade aan de auto was. De bevindingen van DRZ zijn neergelegd in een rapport, gedagtekend 4 juni 2018. DRZ heeft de catalogusprijs van de auto op basis van het VWE SilverDAT/VIN-informatiesysteem vastgesteld op € 38.350 (consumentenprijs € 32.850 + opties ten bedrage van € 5.500) en de handelsinkoopwaarde vastgesteld op € 22.349 op basis van de laagste waarde uit de XRAY BPM koerslijst voor een margeauto. De verschuldigde Bpm van € 11.997 is door de Inspecteur als volgt berekend:

CO2-bedrag (CO2-uitstoot van 183 gr/km)

Bruto Bpm

€ 20.590

€ 20.590

Historische nieuwprijs

€ 38.350

Inkoopwaarde in Nederland

€ 22.349

Afschrijving o.b.v. werkelijk afschrijvingspercentage (41,73%)

€ 8.592,21

Verschuldigde Bpm

(naar beneden afgerond)

€ 11.997

2.8.

Met dagtekening 12 februari 2020 is aan belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 11.016 (€ 11.997 verschuldigde Bpm minus € 981 aangegeven Bpm) opgelegd. Bij de gelijktijdig gegeven beschikking belastingrente heeft de Inspecteur een bedrag van € 465 aan belastingrente in rekening gebracht.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

Beoordeling van het geschil

Historische nieuwprijs

8. Onder verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 22 december 2021[3] moet naar het oordeel van de rechtbank bij de berekening van de verschuldigde BPM voor de auto van een historische nieuwprijs van € 53.672 te worden uitgegaan nu voor de voor de auto verschuldigde BPM uitgegaan moet worden van de CO2 uitstoot (en dus de bruto BPM) van de auto zelf. De netto catalogusprijs is tussen partijen niet in geschil, zodat – rekening houdend met een BTW percentage van 21 % – de historische nieuwprijs als volgt moet worden berekend:

Netto catalogusprijs: € 27.341

BTW 21%: € 5.741

Catalogusprijs: € 33.082

Historische Bruto BPM: € 20.590

Historische nieuwprijs: € 53.672

De handelsinkoopwaarde

9. Bij het vaststellen van de afschrijving, bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Wet gaat de rechtbank uit van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 23.197 (waarde referentieauto volgend uit de koerslijst van Autolexpro mei 2018). De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 21.164 dient te worden gesteld, zoals volgens eiseres volgt uit de koerslijst van Eurotaxglass’s voor zover daarin de correctiefactoren ‘bijstelling markt- en dealersituatie’ zijn aangevinkt. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat eiseres geen onderbouwing voor een dergelijke aftrek in het geval van de auto heeft gegeven.[4] Eiseres maakt voorts, tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder dat geen sprake is van beleid of met eiseres gelijke gevallen, niet aannemelijk dat verweerder in strijd met intern beleid of met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door bij eiseres niet de korting van 15% toe te passen.

Aftrek wegens schade?

10. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. De belastingplichtige die bij het vaststellen van de vermindering van BPM uitgaat van de handelsinkoopwaarde uit een koerslijst en stelt dat die handelsinkoopwaarde moet worden verminderd vanwege – niet in deze koerslijst verwerkte – beschadigingen aan de te registreren personenauto, draagt bij betwisting dan ook de last te bewijzen dat en in hoeverre beschadigingen een waardedaling ten opzichte van de uit die koerslijst volgende waarde tot gevolg hebben.[5] Naar het oordeel van de rechtbank maakt eiseres met het bij de aangifte gevoegde taxatierapport en hetgeen zij verder heeft aangevoerd niet aannemelijk dat de schade aan het voertuig op 18 mei 2018 (het moment van doen van aangifte) € 15.878 bedroeg, noch dat enig ander bedrag aan schade op de handelsinkoopwaarde onbeschadigd in mindering kan worden gebracht. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de taxateur stelt dat hij de auto op 15 mei 2018 heeft getaxeerd. Bij het taxatierapport zijn foto’s gevoegd van zeer ernstige schade aan de auto, terwijl de auto reeds op 8 mei 2018 in Duitsland aan de wettelijke voorschriften voldeed en een Duits kentekenbewijs heeft gekregen. Ook staat op een van de bijgevoegde foto’s een datum van november 2017 terwijl de taxateur stelt dat de opname op 15 mei 2018 heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft bovendien geen facturen en/of reparatienota’s overgelegd, terwijl deze er wel zouden moeten zijn, omdat de auto reeds volledig hersteld is.

De in aanmerking te nemen CO2-uitstoot

11. Volgens eiseres is verweerder bij de vaststelling van de naheffingsaanslag ten onrechte uitgegaan van een bruto BPM van € 20.590 op basis van een CO2-uitstoot van 183 gr/km. De CO2-uitstoot is door de Dekra in Duitsland vastgesteld met gebruikmaking van de zogenoemde Scandinavische rekenmethode. De stelling van eiseres dat de CO2-uistoot op basis van de door haar aangedragen referentievoertuigen en koerslijsten dient te worden verlaagd naar 123 gr/km, omdat anders sprake zou zijn van schending van artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), volgt de rechtbank niet. Uit het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2020 volgt dat verweerder terecht is uitgegaan van de CO2-uitstoot vermeld op het Duitse kentekenbewijs.[6] Door de keuring en registratie van de auto in Duitsland is de hoogte van de CO2-uitstoot namelijk een vaststaand feit geworden. Dat volgens eiseres uit andere rekenmethodes een lagere CO2-uitstoot zou volgen, is geen reden om niet van de CO2-uitstoot vermeld op het Duitse kentekenbewijs uit te gaan. Het hanteren van de Scandinavische rekenmethode is immers in overeenstemming met de desbetreffende regelgeving (Richtlijn 2007/46/EG). Uit het hiervoor aangehaalde arrest volgt tevens dat door verschillen in CO2-uitstoot bij overigens vergelijkbare personenauto’s niet wordt aangetoond dat als uitgangspunt te veel BPM in aanmerking is genomen. Eiseres stelt dat de auto en de door haar aangedragen referentievoertuigen exact dezelfde auto’s zijn. Volgens eiseres blijkt uit de referentievoertuigen daarom wel dat de CO2-uitstoot op het kentekenbewijs te hoog is vastgesteld. Dit betoog faalt reeds omdat eiseres niet heeft aangetoond dat sprake is van exact dezelfde auto’s. Verweerder heeft in dat verband onder meer onweersproken gesteld dat de door eiseres aangehaalde referentieauto’s bestemd zijn voor de Europese markt.

Schadeverleden

12. De rechtbank stelt voorop dat de enkele vaststelling dat de auto een schadeverleden heeft, niet zonder meer kan leiden tot een waardevermindering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres de door haar gestelde waardevermindering van € 3.000 onvoldoende onderbouwd. De enkele verwijzing naar de taxatie-richtlijnen van het TMV en de NIVRE Richtlijn acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. In het onderhavige geval is het schadeverleden van de auto echter zodanig dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een waardeverminderende factor die afzonderlijk in aanmerking moet worden genomen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het gaat om een jonge auto met een lage kilometerstand in samenhang bezien met de aard en omvang van de schade. De auto was “total loss” volgens de in de Amerikaanse staat Arizona geldende maatstaven. Dit schadeverleden kan bij een verkoop niet onopgemerkt worden gelaten. Gelet op het voorgaande is aannemelijk dat het schadeverleden een extra waardevermindering oplevert. De taxateur heeft de door hem in aanmerking genomen waardevermindering niet onderbouwd. De rechtbank acht een extra waardevermindering tot een bedrag van € 1.000 aannemelijk.

Conclusie

13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bedraagt de verschuldigde BPM over de auto:

Historische nieuwprijs: € 53.672

Handelsinkoopwaarde onbeschadigde staat: € 23.197

Schadeverleden: € 1.000 -/-

Handelsinkoopwaarde: € 22.197

Werkelijke afschrijving: € 31.475 (58,64%)

Bruto BPM/Historische BPM (CO2-uitstoot 183gr/km) € 20.590

Afschrijving BPM (41,73%) € 12.074 -/-

Rest-BPM € 8.516

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient de naheffingsaanslag verminderd te worden tot € 7.535 (= € 8.516 verschuldigde BPM -/- € 981 aangegeven BPM)

Verzoek om een immateriële schadevergoeding

15. Eiseres heeft ter zitting verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd, waarvan een half jaar aan de bezwaarfase dient te worden toegerekend. Het bezwaarschrift is op 14 februari 2020 door verweerder ontvangen. Het beroepschrift is op 7 september 2020 ontvangen. Op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, zijn 2 jaar en 3 weken verstreken. Echter, in het kader van maatregelen tegen het coronavirus hebben in 2020 gedurende een aantal maanden bij de rechtbank geen zittingen kunnen plaatsvinden. Daarmee doet zich een bijzondere omstandigheid voor die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. De rechtbank verlengt de termijn in dit verband met vier maanden. Aldus is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.

Proceskosten

16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.620 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 269, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 541 en een wegingsfactor 1).

(…)

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing