Gerechtshof Den Haag, 29-10-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2637, BK-23/936 tot en met BK-23/942
Gerechtshof Den Haag, 29-10-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2637, BK-23/936 tot en met BK-23/942
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 29 oktober 2024
- Datum publicatie
- 10 maart 2025
- Annotator
- Zaaknummer
- BK-23/936 tot en met BK-23/942
- Relevante informatie
- Art. 8:69 Awb, Art. 39 AWR, Art. 33 UR AWR 1994
Inhoudsindicatie
A.b.b.b. Gelijkheids-, vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Artikel 8:69 Awb; motivering uitspraak. Belanghebbende werkt bij het EOB. Hij heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland. Belanghebbende valt onder artikel 10, lid 1, van de Zetelovereenkomst, maar geniet vanwege zijn Nederlandse nationaliteit niet de door die bepaling toegekende privileges. Belanghebbende wordt niet ongelijk behandeld ten opzichte van bij indiensttreding uit het buitenland afkomstige EOB-werknemers zonder de Nederlandse nationaliteit die al tien jaar of langer hier te lande verblijven. Van begunstigend beleid is geen sprake. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel faalt. Geen beroep mogelijk op het vertrouwensbeginsel n.a.v. uitlatingen van de Minister van Financiën in de Tweede Kamer. Uitspraak van de Rechtbank niet onvoldoende gemotiveerd.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-23/936 tot en met BK-23/942
in het geding tussen:
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 augustus 2023, nummers SGR 22/5075 tot en met SGR 22/5079 en SGR 23/1404 en SGR 23/1405.
Procesverloop
Jaar 2006 (BK-23/936)
Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd waarbij inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking is genomen (de aanslag 2006).
Jaar 2007 (BK-23/937)
Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 17.853 (de aanslag 2007). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 433 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2007).
Jaar 2008 (BK-23/938)
Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.689 (de aanslag 2008). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 75 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2008).
Jaren 2006, 2007 en 2008
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar belanghebbendes bezwaren tegen de aanslagen 2006, 2007 en 2008 en de beschikkingen belastingrente 2006, 2007 en 2008 afgewezen.
Jaar 2014 (BK-23/939)
Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 27.680 (de aanslag 2014). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 143 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2014).
Jaar 2015 (BK-23/940)
Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 28.378 (de aanslag 2015). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 129 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2015).
Jaren 2014 en 2015
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar belanghebbendes bezwaren tegen de aanslagen 2014 en 2015 en de beschikkingen belastingrente 2014 en 2015 afgewezen.
Jaar 2017 (BK-23/941)
Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 43.404 (de aanslag 2017). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 266 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2017).
Jaar 2018 (BK-23/942)
Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 51.265 (de aanslag 2018). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 332 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2018).
Jaren 2017 en 2018
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar belanghebbendes bezwaren tegen de aanslagen 2017 en 2018 en de beschikkingen belastingrente 2017 en 2018 afgewezen.
Alle jaren
Belanghebbende heeft tegen de in 1.2, 1.4 en 1.6 genoemde uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is griffierecht geheven van éénmaal € 50. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 136. De Inspecteur heeft op 22 juli 2024 een nader stuk ingediend, aangeduid als verweerschrift. Belanghebbende heeft op 25 juli 2024 een nader stuk ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 augustus 2024. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende is in de onderhavige jaren werkzaam bij de vestiging van het Europees Octrooi Bureau in Rijswijk (het EOB). Hij behoort tot de personeelsleden die hun werkzaamheden in Nederland uitoefenen in rang A4. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in de onderhavige jaren in Nederland.
Bij de aanvang van zijn werkzaamheden voor het EOB heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken aan hem de status BO/NL toegekend.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Gelijkheidsbeginsel
7. Artikel 10, van de op 27 juni 2006 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Octrooiorganisatie gesloten overeenkomst betreffende het EOB[1] (de Zetelovereenkomst) luidt, voor zover relevant, als volgt:
“Artikel 10
Voorrechten en immuniteiten van de personeelsleden van het Bureau
a. (…)
b. in rang A4, mits zij langer dan twee jaar in die rang zijn geweest en een basissalaris niet lager dan A5 periodiek 1 hebben, vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin aan beide eisen is voldaan
8. In het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2008[2] is ten behoeve van de uitleg aan het begrip ‘duurzaam verblijf’ in de Regeling diplomatieke en internationale vrijstellingen gemeentelijke belastingen 1997 van 20 december 1996 (de Regeling)[3] aandacht besteed aan de toelichting die in de Circulaire Gemeentefonds van 30 mei 2001 door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Staatssecretaris van Financiën (Toelichting 2001) is gegeven. Daarbij overwoog de Hoge Raad (voor zover hier van belang):
“3.6.2 (…) In die toelichting [Toelichting 2001] wordt over het begrip ‘duurzaam verblijf’ medegedeeld:
“Onder het begrip ‘duurzaam verblijf houden’ wordt het volgende verstaan. Wanneer een persoon gaat werken bij een vertegenwoordiging of internationale organisatie, dan wordt de gemeente waar hij woonachtig is, hiervan op de hoogte gesteld door het ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarbij wordt ook aangegeven welke status de persoon heeft. Wanneer in de statuscode de letters DV voorkomen, betekent dit dat de persoon is aangemerkt als duurzaam in Nederland verblijvend. In dat geval dient geen vrijstelling van gemeentelijke belastingen verleend te worden. Of een persoon in dit verband al dan niet als duurzaam in Nederland verblijvend wordt aangemerkt, wordt bepaald door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Directie Kabinet en Protocol. Voor de statusverlening door het Ministerie van Buitenlandse Zaken bij nieuwe aanmeldingen van administratief, technisch en bedienend personeel, alsmede particuliere bedienden, is met ingang van 1 januari 2000 niet langer de termijn van verblijf in Nederland voorafgaand aan indiensttreding bepalend, maar het feit of het betrokken personeelslid door de zendstaat is uitgezonden dan wel lokaal is geworven. Voor uitgezonden personeelsleden die thans als administratief, technisch en bedienend personeel op een missie werkzaam zijn, geldt dat zij na 10 jaar in Nederland werkzaam te zijn geweest door het Ministerie van Buitenlandse Zaken als duurzaam verblijf houdend in Nederland worden beschouwd. Indien er twijfels bestaan over de status van een persoon of wanneer niet geheel duidelijk is of een persoon al dan niet duurzaam verblijf houdt in Nederland, dan kan altijd navraag worden gedaan bij de Directie Kabinet en Protocol van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
(…)
3.7.2. De Regeling beoogt blijkens haar inhoud en de daarop gegeven toelichtingen uitvoering te geven aan het internationale gebruik, zoals dat voortvloeit uit verdragen en uit
(zetel-)overeenkomsten die Nederland heeft gesloten met internationale organisaties die zich in Nederland hebben gevestigd. Dat brengt mede dat de in de Regeling vermelde begrippen dienen te worden uitgelegd overeenkomstig de betekenis die zij hebben in die verdragen en overeenkomsten, zoals ook in de toelichting bij de Regeling is vermeld. Daaraan hebben de in artikel 243 van de Gemeentewet bedoelde bewindslieden inhoud gegeven door de beslissing dienaangaande over te laten aan de Minister van Buitenlandse Zaken, die namens de Nederlandse Staat is betrokken bij de totstandkoming en naleving van de in de Regeling genoemde verdragen en (zetel-)overeenkomsten met internationale organisaties, alsmede is aangewezen als eerstverantwoordelijke voor de contacten met die organisaties en om bemiddelend op te treden in geval van problemen van de organisaties met overheden in Nederland.
3.7.3. Het vorenstaande brengt mee dat belanghebbende erop mag vertrouwen dat de
heffingsambtenaar hem vrijstelling van onroerendezaakbelasting wegens het gebruik van de
onroerende zaak verleent in het geval dat de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met het voorgaande bepaalt dat hij niet duurzaam verblijf houdt in Nederland. (…).”
9. In het arrest van de Hoge Raad van 9 januari 2015[4] lag de uitleg van het begrip ‘duurzaam verblijf’ in het kader van de Zetelovereenkomst voor bij een werknemer van het EOB met rang 4. De Hoge Raad overwoog (voor zover hier van belang):
“2.3.4. Bij het verlenen van voorrechten en immuniteiten aan personeel met een andere dan de Nederlandse nationaliteit pleegt een onderscheid te worden gemaakt tussen personeelsleden die bij de aanvang van hun werkzaamheden uit het buitenland afkomstig zijn en personeelsleden die op dat tijdstip reeds duurzaam in Nederland verblijven. Aan laatstbedoelde categorie wordt door het Ministerie van Buitenlandse Zaken de zogenoemde DV-status toegekend (vgl. HR 6 juni 2008, nr. 41769, ECLI:NL:HR:2008:BD3159, BNB 2008/211, en HR 6 juni 2008, nr. 43788, ECLI:NL:HR:2008:BD3187, BNB 2008/212). Die categorie wordt voor de toepassing van een aantal voorrechten op gelijke wijze behandeld als Nederlandse onderdanen.
2.3.5. De onder 2.3.4 bedoelde regeling voor diplomatieke ambtenaren wordt op overeenkomstige wijze toegepast in de Zetelovereenkomst. Ook daarbij geldt, zoals bij diplomatieke ambtenaren waaraan artikel 10, lid 1, van de Zetelovereenkomst refereert, dat de beoordeling of een personeelslid van het EOB in de zin van die bepaling duurzaam in Nederland verblijf houdt door het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt beoordeeld, en wel naar de situatie ten tijde van de aanvang van de werkzaamheden voor het EOB.
2.3.6. Belanghebbendes opvatting dat hij ten onrechte ongelijk wordt behandeld ten opzichte van buitenlandse collega’s die inmiddels zo lang bij het EOB werkzaam zijn dat zij duurzaam in Nederland verblijven, berust derhalve op een misvatting omtrent de betekenis van het begrip duurzaam verblijf bij de toepassing van regelingen die gelden voor diplomatieke ambtenaren, waarnaar artikel 10, lid 1, van de Zetelovereenkomst verwijst. Van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen is dan ook geen sprake. Ook de daarop gerichte klacht faalt daarom.
2.3.7. Hetgeen het Hof, veronderstellenderwijs uitgaande van een andere rechtsopvatting dan hierboven is uiteengezet, in onderdeel 5.6.1 tot en met 5.6.5 van zijn uitspraak ten overvloede heeft overwogen, draagt ’s Hofs beslissing niet. De daarop betrekking hebbende klacht kan daarom evenmin tot cassatie leiden.”
10. Tussen partijen is niet in geschil dat toepassing van artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de Zetelovereenkomst ertoe leidt dat het personeelslid in Nederland is vrijgesteld van de heffing van inkomstenbelasting en dus ook geen belasting is verschuldigd over een eventueel box 3-inkomen. Op grond van artikel 10, zesde lid, van de Zetelovereenkomst is deze vrijstelling echter niet op eiser van toepassing, omdat eiser de Nederlandse nationaliteit bezit. Op grond van artikel 10, zesde lid, van de Zetelovereenkomst geldt de vrijstelling ook niet voor personen die duurzaam verblijf houden in Nederland.
11. Eiser betoogt dat hij op grond van het gelijkheidsbeginsel geen belasting is verschuldigd over zijn box 3-inkomen, net als personen die duurzaam verblijf houden in Nederland, zoals genoemd in artikel 10, zesde lid, van de Zetelovereenkomst, en ten onrechte niet door verweerder in de belastingheffing worden betrokken. Volgens eiser is namelijk sprake van duurzaam verblijf houdend in Nederland (DV-status) indien een werknemer die niet de Nederlandse nationaliteit heeft meer dan tien jaar in Nederland werkzaam is. Eiser beroept zich daarbij op de Toelichting 2001 en het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2008.
12. De rechtbank overweegt als volgt. Uit voormelde arresten van de Hoge Raad volgt dat de Minister van Buitenlandse Zaken beoordeelt of iemand duurzaam in Nederland verblijf houdt. De Hoge Raad oordeelt in voornoemd arrest uit 2015 vervolgens ook dat de Minister van Buitenlandse Zaken beoordeelt of een werknemer van de EOB duurzaam verblijf houdt in Nederland en dat deze beoordeling plaats vindt op het moment voor aanvang van de werkzaamheden. De Hoge Raad heeft bij dat oordeel meegenomen dat de Zetelovereenkomst op dezelfde wijze uitgelegd moet worden als de Regeling. Nu de Toelichting 2001 kan worden aangemerkt als een nadere verduidelijking van de Regeling, is hetgeen daarin is opgenomen (impliciet) meegenomen bij de uitleg die volgens de Hoge Raad aan het begrip duurzaam verblijf moet worden gegeven in de situatie dat sprake is van een werknemer van het EOB die onder de reikwijdte van de Zetelovereenkomst valt.
13. Anders dan eiser (kennelijk) betoogt, heeft verweerder geen zelfstandige bevoegdheid om te beoordelen of iemand al dan niet een DV-status heeft. Verweerder volgt de status die is toegekend door de Minister van Buitenlandse Zaken. Dit volgt ook uit de arresten van 6 juni 2008 en 9 januari 2015. Ook indien het arrest van de Hoge Raad 9 januari 2015 ten onrechte uitgaat van een werknemer in de zin van het eerste lid van artikel 10, in plaats van het tweede lid van artikel 10, kan dit eiser niet baten. Het gaat immers om de vraag hoe “duurzaam verblijf houdend” bepaald moet worden. Dit betekent dat het arrest ook relevant is voor personen als eiser, die onder artikel 10, eerste lid, van de Zetelovereenkomst vallen. Van een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen door verweerder is dan ook geen sprake. Niet gebleken is dat verweerder, conform begunstigend beleid, personen die wel een DV-status hadden, geen aangifteformulier heeft toegestuurd. Gelet hierop is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Deze beroepsgrond van eiser faalt derhalve.[5]
Vertrouwensbeginsel en rechtzekerheidsbeginsel
14. Eiser stelt dat Minister Zalm in de Tweede Kamer op 26 januari 2000 bij de behandeling van het wetsvoorstel de Wet inkomstenbelasting 2001 en het wetsvoorstel Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001[6] de toezegging heeft gedaan dat niemand, en derhalve ook eiser niet, er op achteruit zal gaan. Eiser stelt dat zijn fiscale positie wel degelijk slechter is geworden in verband met het wegvallen van de anti-cumulatieregeling.
15. De rechtbank verwerpt het beroep op het vertrouwensbeginsel. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan slechts slagen indien aannemelijk is dat er ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan, waaraan eiser het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat hij over zijn box 3-vermogen geen inkomstenbelasting verschuldigd is. Aangezien hiervan geen sprake is en het slecht een toezegging betreft in algemene zin aan de Tweede Kamer, slaagt het beroep niet. De uitleg van eiser zou er toe leiden dat de belastingheffing zes (voor het jaar 2006) tot achttien (2018) jaar later niet nadeliger uit zou mogen pakken dan in 2000. Eiser heeft niet redelijkerwijs kunnen verwachten dat daar sprake van zou zijn.
16. Van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel is geen sprake.
EU-recht
17. Eiser heeft niet in een andere EU-lidstaat gewoond of gewerkt, waardoor hij geen gebruik heeft gemaakt van de verkeersvrijheden. Hierdoor is sprake van een zuiver interne situatie waarop artikel 45 VWEU geen betrekking heeft.[7] Reeds daarom kan het beroep op artikel 45 VWEU niet slagen.
Motivering uitspraak op bezwaar
18. Anders dan eiser betoogt, heeft verweerder geen beleidsvrijheid om af te wijken van de beoordeling van de Minister van Buitenlandse Zaken en is hij gehouden om deze beoordeling te volgen. Bovendien heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 17 november 2017, reeds over het jaar 2010 eiser in het ongelijk gesteld met betrekking tot dezelfde gronden, zodat verweerder voor zijn motivering terecht heeft verwezen naar dat arrest. De omstandigheid dat belanghebbende zich niet kan vinden in de uitspraken op bezwaar en de daarin gebezigde motivering voor de afwijzing van zijn bezwaren, doet niet af aan het feit dat de uitspraken zijn voorzien van een (voldoende) motivering. Gelet hierop heeft verweerder voldaan aan zijn motiveringsplicht.
Kerstarrest
19. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat in verband met de ontwikkelende jurisprudentie omtrent het rechtsherstel naar aanleiding van het zogenaamde Kerst-arrest[8] nog niet is beoordeeld of eiser recht heeft op een teruggaaf voor de jaren 2017 en 2018. Gesteld noch gebleken is dat het rechtsherstel zou leiden tot een lagere belastingheffing over het box 3-inkomen in 2017 en 2018. Verweerder heeft ter zitting toegezegd dat de aanslagen 2017 en 2018 alsnog ambtshalve zullen worden verminderd indien op basis van het rechtsherstel recht bestaat op een teruggaaf.
Rentebeschikkingen
20. Tegen de rentebeschikkingen zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat verweerder de belastingrente of heffingsrente ten onrechte of op een onjuist bedrag heeft berekend.
21. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen ongegrond.
Proceskosten
22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[1] Trb. 2006, 155.
[3] Stcrt. 1996, 249.
[4] ECLI:NL:HR:2015:22.
[5] Vgl. ECLI:NL:HR:2017:2885.
[6] H TK 1999-2000, 41/3146, 1 januari 2000.
[7] ECLI:NL:HR:2023:954.
[8] ECLI:NL:HR:2021:1963.”